Recent proza van Erik Van Ruysbeek en Tahar Ben Yelloun

         De ark en de ratten

Erik Van Ruysbeeks jongste roman, De ark en de ratten (Soethoudt & Co 1984), is een boek dat aanvankelijk wel kan boeien (de eerste bladzijden bouwen op uitstekende wijze sfeer en spanning op, en wekken bij de lezer de verwachting aan een heus SF-verhaal) maar dat me langzamerhand ging ontgoochelen om me na lectuur met een gevoel van wrevel achter te laten.


Het boek vertelt over ene Thomas (de ik-figuur, in wie we zonder moeite de auteur herkennen) en zijn vrouw Ellen. Bij de aanvang van het verhaal arriveren ze bij het bevriende echtpaar Albin-Yolande, dat in het zuiden in een paradijselijke omgeving woont (namelijk in “de molen van Marbeuse", een hoeve annex watermolen temidden een ongerept natuurgebied). Ook een zekere Friedrich voegt zich daar bij het gezelschap. Hij blijkt al vlug de ietwat oudere, wijze leermeester te zijn van het vijftal geestverwanten (wier voornamen alleen al erg betekenisvol zijn) dat is samengekomen om o.a. over metafysische problemen en inzichten te discussiëren. Maar wat gebeurt? Reeds tijdens de eerste nacht van deze 'vakantie' wordt de gehele aarde overrompeld en zo goed als totaal verwoest door superieure buitenaardse wezens, die de molen van Marbeuse voorlopig min of meer intact laten. Volledig geïsoleerd van de vernielde en als vijandig ervaren buitenwereld proberen de vijf vrienden dan te overleven. Over deze met primitieve middelen gevoerde strijd om het bestaan vertelt Thomas ons in de ik-vorm, maar vooral over zijn geestelijke ontreddering en opgang: een radicale metafysisch-morele crisis als gevolg van de totale destructie brengt hem uiteindelijk tot een geestelijke wedergeboorte.

 

In De ark en de ratten herneemt Van Ruysbeek bekende thema's: de universele liefde, de eenheid tussen stof en geest (tussen mens en natuur, leven en dood, aarde en kosmos): kortom, het bewustzijn van de harmonie van het Al, dat in onze samenleving verloren is gegaan. Vandaar ook heel wat kritiek in dit boek op het Westerse rationalisme en materialisme, op de tendens van het steeds maar eenzijdiger specialiseren, op het egoïsme van de moderne mens en zijn gebrek aan perspectief en verbondenheid met de rest van de schepping. De auteur geeft zelf de fundamenten aan waarop zijn filosofie berust: het is een amalgaam van "de grote traditionele denkwijzen uit het Oosten", "het primitieve Kristendom", "de mystiek uit Islam en Europa" en de waarheden van de "primitieve beschavingen", die "universeel" zijn en "bevestigd door eeuwen en eeuwen ervaring" (p. 17). Plato heeft uiteraard ook zijn zegje in deze indrukwekkende synthese.

 Ik heb me ook vroeger steeds erg kritisch opgesteld tegenover deze Oosterse import (wat niet belet dat ik sympathiseer met Van Ruysbeeks kritiek op onze Westerse kortzichtigheid en de verloedering op alle mogelijke terreinen).


Ten eerste vraag ik me af hoe je met een geur van sandelhout de uranium-hexafluoride moet oplossen waarin onze kinderen lustig zullen kunnen plonzen tijdens een volgende vakantie aan zee. Als ik Van Ruysbeek goed begrijp, is zo’n vraag echter volkomen onbelangrijk: een platitude van dit kaliber geeft immers blijk van mijn jammerlijke stagnatie op het niveau van de Concrete Waarneming en Actie, die als "maya" (waanbeeld) afgedaan moeten worden. Wanneer ik Van Ruysbeeks inzichten echter projecteer op een ietwat grotere schaal, bv. op (inter)nationaal socio-politiek vlak, dan lijken bepaalde aspecten van zijn monisme en universalisme een uiteindelijk erg statische en berustende wereldbeschouwing mij ronduit gevaarlijk. Mijn scepticisme geldt minder de metafysische kant van de zaak: wie is zich (al eens) niet bewust van de steriele dualismen in ons denken, wie verwondert zich (al eens) niet over de ondoorgrondelijkheid van het bestaan (vragen omtrent God of de Ungrund), wie wil (al eens) niet pleiten voor de ondeelbaarheid van het leven en voor respect voor medemens en natuur? Wie echter ook de grote ethische vragen omtrent het lijden en het kwaad met die typische hautaine naïviteit wegmoffelt achter een raadselachtige glimlach of in de toverhoed van een mistige aforistiek, die gaat me nét iets te ver. Als lezer kan je dan ook niet anders dan begrip opbrengen voor de steeds uitzichtlozer wordende morele crisis van Thomas in de eerste helft van het boek: de razernij van de UFO's groeit in de roman tot zulke apocalyptische dimensies dat radicale absurditeit en ongeloof inderdaad het enig mogelijke antwoord lijken (Thomas' absolute dieptepunt ligt op p. 143). Dankzij een intense confrontatie met – een aanvoelen van – de natuur (het woud, een hinde) raakt Thomas er echter opnieuw bovenop: hij komt tot de verdiepte bewustwording van de eenheid van zichzelf en de natuur, het Al.

Tot daar kunnen we nog volgen, zélfs na zo'n dieptepunt, zélfs in de gegeven omstandigheden. Maar dan duiken ook onvermijdelijk ethische vragen op, bijv. over de zin van het lijden, het kwaad, de menselijke geschiedenis als zodanig. Antwoord van Thomas: "Wie zich de ganse kosmos weet zijn, kan zich niet meer druk maken om ergens een organisch onderdeel ervan, zij het zijn eigen lokale verdwijning" (p. 160). Of nog mooier: "Sterven moesten we toch eens... wat verschil maakte het dan uit in welke omstandigheden de dood zou intreden" (p. 179). Een onderscheid maken tussen je eigen warme bed en de folterkamers der generalissimo's: is dat sofisterij misschien? Wanneer het Kwaad als zodanig ter sprake komt (moorden, folteringen, etc.) luidt het antwoord: "Als je alles bekijkt vanuit Sirius, vanuit het kosmisch netwerk of vanuit de totaliteit, dan wegen smart en pijn en hun anthropomorfisme misschien niet meer zo zwaar" (p. 201). Toegegeven: van zo ver gezien is Auschwitz zelfs geen stip meer op de kaart! Men begrijpe mij niet verkeerd. Ik heb het grootste respect voor Van Ruysbeeks filosofische opinies, voor zijn persoonlijke vorm van mysticisme, voor de homo religiosus die hij is. Hij heeft echter op een al te gemakkelijke manier de ethische consequenties verdoezeld om een filosofische constructie overeind te houden, zo veel is wel duidelijk.

 

Een tweede groot bezwaar geldt de structuur van het boek in zijn geheel. Mijns inziens is Van Ruysbeek er niet in geslaagd de drie grote scharnieren waarop zijn roman draait tot een organische eenheid te brengen: het verhaal over de aanval van de buitenaardsen; het verhaal over de innerlijke crisis en opstanding van Thomas; ten slotte de ideeënlaag, het filosofisch substraat dat gestalte moet (zou moeten) krijgen doorheen het verhaal. Laatstgenoemde twee verhaalkernen verkommeren al te vaak tot louter theoretische bespiegelingen, zodat deze roman op verscheidene plaatsen gevaarlijk dicht in de buurt komt van het traktaat; in dit verband doet vooral de dialoog met Ellen (hfdst. 22) erg kunstmatig en belerend aan: zij stelt aan Thomas precies die vragen, netjes op een rij, die Van Ruysbeek in staat stellen om via Thomas de laatste bezwaren van de lezer uit de weg te ruimen.

Wat ten slotte het SF-element betreft: in het “Bericht van de uitgever” waarmee het boek aanvangt (het gaat inderdaad in zekere zin om een 'manuscript found in a bottle') wordt wel gesteld dat de innerlijke verwerking van de feiten primeert op de uitwendige gebeurtenissen, maar wie UFO's introduceert laat niet ongestraft de nieuwsgierigheid van de lezer in het ongewisse. De ruimtewezens zijn uitsluitend in het boek aanwezig om de beschouwingen op gang te brengen en te houden – eigenlijk hadden ze er net zo goed niet hoeven te zijn.

 

De talrijke taalfouten en -slordigheden vind ik onvergeeflijk. "Snotvalling", "brempartie", "beïndrukken" en "priesterin”: zeg nu zelf! En wat te denken van: "iemand in plan laten”, “het deed me schier uit mijn krammen schieten", "'ik ben ermee akkoord". Literatuur is in de eerste plaats taal; daaraan dient dus de grootst mogelijke zorg besteed, zonder meer. Dat zou Van Ruysbeek als auteur die het bovendien altijd maar heeft over het Wezen der Dingen beter moeten weten dan ik.


De ark en de ratten bevat ook mooie bladzijden en echt ontroerende passages, bv. waar Thomas mediteert over of spreekt met de natuur (bomen en dieren). Vooral het afscheid van de eik (tegelijk een van liefde vervuld samenvloeien van mens en boom, blz. 217-218) en Thomas' koortsdroom van de apocalyps (blz. 140-143) zijn indrukwekkend. Paradoxaal genoeg zijn het precies deze bladzijden die de lezer nog het sterkst van de in het boek verdedigde waarden en inzichten kunnen overtuigen, wellicht doordat hier ook eindelijk aandacht wordt geschonken aan concrete, zintuiglijke ervaringen.


         Moha de gek, Moha de wijze

 

Van de in het Frans schrijvende Marokkaanse auteur, journalist en docent in de sociale psychiatrie, Tahar Ben Jelloun (geb. 1944) verscheen onlangs in Nederlandse vertaling de magistrale 'roman' Moha de gek, Moha de wijze (Soethoudt & Co 1984): een aangrijpend, meeslepend en ontroerend werk, hoewel het de lezer bij een eerste lectuur op heilzame wijze desoriënteert.

 

Men kan dit boek moeilijk een roman in de traditionele betekenis van het woord noemen. Van een lineair ontwikkelde intrige, van psychologisch netjes omlijnde figuren, van enige logica in de tijd- en ruimtestructurering is hier geen sprake. Wat is de tekst dan wel? Een auctoriële verteller (die overigens slechts zelden zichtbaar is) verbindt een hele reeks monologen van de centrale figuur Moha aan elkaar (monologen die op hun beurt weer vaak doorsneden worden door monologen van andere figuren). Deze Moha kan omschreven worden als een woedende, wijs-waanzinnige onheilsprofeet die zijn volk, zijn land in een overweldigende woordenvloed alle mogelijke ondeugden, fouten en onrechtvaardigheden voor de voeten werpt. Op agressief-retorische wijze en gebruik makend van een erg surreëel-poëtisch beeldenarsenaal stelt hij het regime en de repressie, de armoede en kruiperige berusting van het volk, de hebzucht en de schijnheiligheid van de machtigen, de dubbelzinnige moraal van de Islam, de onderdrukking van de vrouw, de woekerende verwestersing van de Arabische cultuur etc. aan de kaak. Deze flamboyante en radicale maatschappij- en cultuurkritiek wordt niet toevallig verwoord via een 'waanzinnige'. De waanzin is precies de ruimte waar fantasie (poëzie) en tederheid (erotiek), spontaneïteit, oprechtheid en waarachtigheid nog een kans krijgen. Waanzin betekent dus uiteindelijk luciditeit: schuiloord en wapen tegelijk voor de marginale (hof)nar die Moha is. Vandaar de bittere constatering: "Tegenwoordig zijn de mensen niet meer waanzinnig. Ze zijn ziek" (blz. 99).

Wat dit boek nu zo voortreffelijk maakt is het feit dat het niet spreekt over een geval van waanzin, maar dat het deze waanzin in al zijn geledingen, structureel-stilistisch reflecteert: het is de woordgeworden waanzin zélf. Zo vervloeien de monologen van de verschillende figuren soms onmerkbaar in elkaar, zodat men niet altijd goed weet wie nu eigenlijk aan het woord is. Hier en daar geeft de tekst wel enkele herkenningspunten die de lezer in staat stellen zijn weg te vinden in dit labyrint van invectieven, vervloekingen en droombeelden.

 

Ook de grens tussen lyrische en zuiver epische passages vervaagt voortdurend. De figuur van Moha zelf maakt het ons nog moeilijker, aangezien de coördinaten van zijn identiteit helemaal niet vastliggen. Aanvankelijk kan je Moha reduceren tot een menselijke figuur met vaste contouren, tot je plots vaststelt dat hij zowel de zoon (blz. 25) als de grootvader (blz. 36) van dezelfde (?) vrouw blijkt te zijn, of plots weer de zoon van een heel andere vrouw (blz. 119). De ruimte waarin hij zich beweegt kan aanvankelijk als Noordafrikaans herkend worden, tot hij plots getuigt ooit samen met de Indianen in een Amerikaans reservaat te zijn gedreven; bovendien was hij toen "honderd jaar en enkele manen oud" (blz. 115). Op een andere plaats heeft hij het over zijn huis, dat uitzag "op een laan van San Francisco en op de Seine tegelijkertijd (blz. 150). Hij is zelfs nooit gestorven, want hij heeft nooit bestaan (blz. 138). Moha lijkt me niets anders te zijn dan een verzamelnaam, een symbolische naam voor de stem van om het even welke verdrukte waar ook ter wereld: hij groeit uit tot een transtemporeel en transcultureel collectief bewustzijn van pijn. Uiteraard is hij in eerste instantie het sprekende geweten van de Marokkaanse (Arabische) cultuur, wat geenszins solidariteit of zelfs identificatie met andere bedreigde individuen of culturen belet (het kind, de Joodse wijze, de Indiaan, de gefolterde revolutionair). Moha's essentie is zijn ongrijpbaarheid, zijn ondefinieerbaarheid. Hij is een "afwezigheid die stoort", zoals de gefolterde zich tijdens de tortuur ook kan verbergen in de voor de beulen ontoegankelijke regionen van het geheugen en de poëzie. Zelfs wanneer de fysieke Moha gestorven en begraven is blijft zijn stem (het Woord) overal tot het volk spreken: "Vandaag hebben ze me van het leven beroofd, maar niet van mijn waanzin" (blz. 136). Ook op ideologisch niveau vervloeien de scherpe grenzen in elkaar, wat de lezer behoedt voor al te voorbarige of éénzijdige conclusies. Moha staat ondubbelzinnig aan de kant van de gefolterde linkse revolutionair (o.a. blz. 90), maar hij blijkt later zélf persona non grata te zijn in een socialistische staat (blz. 136-137): geen enkel regime duldt de poëzie, de fantasie, de waanzin.

 

Op religieus vlak kan al evenmin partij worden gekozen. Enerzijds hekelt Moha in felle bewoordingen de dubbelmoraal van de Islam, anderzijds wordt ook het fundamentalisme sterk geïroniseerd (blz. 66). Daar komt nog bij dat zijn beste vriend, Moché, een Jood blijkt te zijn, die net zoals Moha 'gek' is, dus wijs: religieus-politieke opponenten worden verzoend in de ruimte van de waanzin, van de literatuur.

Kortom, in deze opheffing van welke grenzen dan ook schuilt de overtuigende revolutionaire waarheid van dit boek. Het is de negatie van het gevaarlijke simplisme van politici en volksmenners, van hun berekende polariseringen en schematiseringen die overal en altijd dezelfde blinde massa's mobiliseren terwijl de zogezegde tegenpartijen toch steeds hetzelfde (eigen)belang dienen. Moha's waanzin ontmaskert de leugenachtige slogans, is het pijnlijke besef van de relativiteit der fanatiek verdedigde standpunten, is door geen enkele vermeende waarheid in te perken.

 

Wat het boek ten slotte nog belangwekkender maakt is het feit dat in de 'figuur' van Moha een hele literatuuropvatting schuil gaat. Moha valt eigenlijk samen met het Woord, hij is de poëzie of de literatuur als zodanig. Hij wordt in het boek aangeduid als een 'boodschapper', een soort medium dat het getuigenis van anderen doorgeeft: “Alles spreekt tot mij, ik doe niets meer dan overbrengen, ik ben maar degene die de boodschap brengt” (blz. 27). Hij is, als literatuur, de activering van het geheugen en het bewustzijn. En het is precies deze literaire constructie, deze woordenruimte die de gangbare opposities verzoent, omdat zij er boven staat. Dat is de 'andere waarheid' of de 'andere liefde' van de literatuur: zij kan en mag geen partij kiezen, anders zou ze zichzelf verraden. Moha zegt dan ook: "Ik zoek me een weg door de woorden en ik laat aan u het oordeel" (blz. 107). Of: "Waarom willen ze van een dichter een profeet maken die woorden staat te schreeuwen die daarna worden verzwegen? Noch de waanzin, noch de woorden zijn schermen die ons zouden scheiden van de waarheid" (blz. 157). De literatuur zélf is een niet in te perken, steeds vervagende en uitdeinende identiteit, compromisloze waanzin, "afwezigheid die stoort". Daarin ligt haar triomf en haar waarheid, maar ook haar zwakte. "Mijn macht ligt in mijn woorden", aldus Moha, "maar de woorden plegen verraad. Ik spreek. Ik spreek en niets verandert" (blz. 19). Moha's tegenstanders (de bankier, de rijke zoon van de patriarch, de psychiater) honen hem precies wegens van zijn (schijnbare) onmacht, zijn maatschappelijke onbenulligheid. Het boek besluit trouwens met volgend citaat uit Nietzsche: "Ik ben slechts iemand die woorden maakt. Welk belang hebben woorden? En ik, welk belang heb ik?" (blz. 157). Toch overstijgt de literatuur de begrenzingen van tijd en ruimte, zelfs die van de dood. Moha zal pas écht doodgaan op het einde van het boek, hoewel hij met iedere lectuur opnieuw tot leven zal kunnen komen: "Voor mij heeft niets een einde" (blz. 141) of: "Sinds ik in dit boek leef, weet ik niet meer aan welke dood me te wijden" (blz. 152). Hij heeft de "eeuwigheid. Zij is hier, onder mijn ogen, in het boek, in een schrijfboek" (blz. 156). Moha zal voortaan beminnen in en door de literatuur, dus met een "andere liefde", "deze liefde geboren uit de dood" (blz. 153). Het Woord, Moha, het Boek: in een liefdevolle geste tegelijk graf en verrijzenis.

Dankzij zijn thematisch-structurele complexiteit en de poëticale diepzinnigheid is dit boek een absolute aanrader. Het zal echter, zoals dat steeds het geval is met grote literatuur, slechts begrepen worden door diegenen die het eigenlijk niet meer hoeven te snappen. Literatuur is inderdaad een tijdrovende absurditeit, een mooi verpakte tautologie die zich richt tot weinigen. Waanzin.


 

Luc PAY



📌  Erik Van Ruysbeek, De ark en de ratten. Antwerpen, Soethoudt & Co. N.V., 1984. 

📌  Tahar Ben Yelloun, Moha de gek, Moha de wijze. Antwerpen, Soethoudt & Co. nv,  1984.


[In: Diogenes, jrg. 1 nr. 9, 1984, p. 488-459.]