Open brief aan Erik Van Ruysbeek

 Beste Erik,


Je herinnert je ongetwijfeld hoe wij, niet zo lang geleden, voor het eerst met elkaar kennis maakten, zij het vanop afstand, via het geschreven woord. In oktober 1984 had ik één van je romans gerecenseerd voor Diogenes, en mijn oordeel viel vrij negatief uit, zodat ik geconfronteerd werd met het ietwat vervelende feit dat die kritiek bedoeld was voor een tijdschrift waarvan je zelf redacteur was, en het leek dan ook niet meer dan fair om je ten minste vooraf kennis te laten nemen van de tekst. Je schriftelijke reactie erop – een vriendelijk briefje waarin je zei geen bezwaar te maken tegen publikatie en zelfs de hoop uitsprak mekaar spoedig te ontmoeten – verbaasde mij wel enigszins, toen toch. Nu weet ik beter.

 

Want we leerden elkaar in de loop der jaren kennen, vóór, tijdens en na redactievergaderingen, en je minzaamheid, bescheidenheid, wijsheid, zin voor nuance en relativeringsvermogen werden mij steeds duidelijker. Daarnaast kon je bezield en overtuigd, en puttend uit een enorm rijke lectuurschat, vertellen over je eigen metafysisch avontuur, over mystieke en esoterische thema's, nooit met ook maar de geringste zweem van zelotisme maar gewoon vanuit de rustige en indrukwekkende zekerheid van allerpersoonlijkste zielservaringen. Ten slotte ben ik de laatste om je flinke dosis sprankelende humor te vergeten, die de geanimeerde gezelligheid onder de vrienden alleen maar kon en kan aanwakkeren.

 

Tot mijn verbazing, alweer, publiceerde je iets later, naar aanleiding van een vraag omtrent het Kwaad die ik je ooit tijdens een lezing en indirect ook in die recensie had gesteld, een open brief aan mijn adres in dit tijdschrift. Ik werd daarin vooral getroffen door het feit dat je zo feilloos had aangevoeld dat mijn probleem in verband met je roman méér was dan een louter academische, journalistieke of gratuite oprisping: “Wat ik diep gevoeld heb, is dat je van mij een antwoord verwacht,” schreef je toen, en dat was inderdaad zo. Of ik er ondertussen uit ben geraakt is een ander paar mouwen. Ik kan en wil niet verbergen dat ik in verband met het filosofisch substraat – beter: de kern – van je werk opgezadeld blijft met vragen, bedenkingen, regelrechte bezwaren, onduidelijkheden of contradicties (althans in mijn ogen).

 

Die dingen situeren zich op diverse vlakken. Ten eerste op metafysisch vlak: de cycliciteit van de geschiedenis (is dat dan nog 'geschiedenis'?), determinisme en vrijheid, lichaam en geest, de blijkbaar zo noodzakelijke depersonalisering, om maar iets te noemen. Ten tweede op het domein van de wetenschappelijke implicaties of vooronderstellingen; Capra, Wiegel, Bouman en zelfs Prigogine worden in wetenschappelijke kringen niet door iedereen onvoorwaardelijk gewaardeerd, en je kan die afwijzing toch niet zo maar afdoen als de voorspelbare reactie van het wetenschappelijke establishment of 'heersende paradigma'. Peter Galler schreef een tweetal jaren geleden: “Filosofie bedrijven op basis van de fundamentele natuurkunde is als koorddansen op een touw dat op elk moment kan losschieten.” [De Nieuwe Maand, 32(1989)1, p.36] Merkwaardig genoeg formuleer je een gelijkaardig bezwaar tegen Bodifée [Diogenes, 5 (1988)4, p.371], maar hoe rijm je dat dan met je essay 'Mystiek en Fysika' (in Van fysika tot metafysika, Soethoudt, 1982)? Op ethisch-sociologisch gebied: een ervaringsniveau poneren waar Goed en Kwaad niet eens bestaan kan particuliere vreugde opleveren, maar wat doe je daar, nogmaals, in godsnaam mee in de hylische realiteit met zijn folterkamers, concentratiekampen, genociden of natuurrampen? De Soefistelling dat er geen onderscheid bestaat tussen Goed en Kwaad daar God achter beide staat, lijkt me pure waanzin. Of ten slotte: de promotie van pijn en lijden tot een perifere uitdrukking van het Zelf, een Illusie of een “noodzakelijke beproevingsfase” kan ik met de beste wil van de wereld niet aanvaarden, omdat het lijden mij walgt en pijn doet, het roept revolte op, en omdat deze interpretatie van het leed reeds al te vaak ontaard is tot een excuus voor onderdrukking, status quo, berusting of onverschilligheid (heb je overigens ooit Adorno's Minima Moralia nr.151 gelezen? Het titeltje luidt weliswaar ‘Thesen tegen het occultisme’, maar die stemmen alleszins tot nadenken).

❦ 


Ach, het is hier niet de plaats, het is nu niet de gelegenheid om over dit alles uit te weiden of te bakkeleien; beschouw die opmerkingen slechts als voorlopig weinig gestructureerde vragen die mogelijk toch duidelijk maken dat ik je werk zonder meer ernstig opvat, en dat ik je meer dan dankbaar ben voor de gesprekken en discussies die we er, tot nog toe helaas te zelden, over voerden. Wees ervan overtuigd, Erik, dat ik niets dan oprechte eerbied voel voor je authentieke en, jawel, dikwijls ontroerende en helende (heelmakende) vorm van religiositeit, die weliswaar rationele (en emotionele) weerstand oproept maar waar ik mij toch ook mee verbonden voel.

 

Sta me toe je volgende 'anekdote' te vertellen. Tijdens een vorig bezoek aan Rome – een stad, een sfeer, een wereld die ik intens liefheb – keek ik voor de zoveelste keer vanaf de boog van Septimius Severus over het Forum heen naar de Palatijn, maar ditmaal in een vreemde, zacht-warme gloed van een zakkende latenamiddagzon, met naast mij mijn twee kinderen; plots ging doorheen mijn hele lichaam een ook werkelijk fysiek voelbare huivering van intense en onweerstaanbare ontroering – tot huilens toe, omdat het mij in een flits leek alsof deze plek al altijd de mijne was geweest, mijn oorsprong en bestemming, mijn traditie en toekomst (van of voor de kinderen dan?) tegelijk, een geborgenheid van absoluut evidente en tijdloze zinnelijke én bovenzinnelijke schoonheid. Iets vergelijkbaars (maar 'zwaarder', gewichtiger, plechtiger, minder fysiek) voelde ik toen ik, op mijn buik tussen de oleanders in het gras liggend en ingesponnen in de sacrale stilte van het Italiaanse middaguur, de tempels van de (ook letterlijk) dakloze goden in Paestum met de ogen probeerde te strelen. Mystieke ervaring? Esthetische ervaring?

  

“Allen zijn we putters uit de gemeenschappelijke bron en doorgevers, met de nadruk op 'geven’ ", schrijf je ergens. Inderdaad, Erik: ik ben er rotsvast van overtuigd dat je leven, je werk, je hele Zelf – de drie zijn congruent – steunt op een fundament van goedheid, of wellicht beter: van generositeit. Dat laatste woord heeft etymologisch te maken met 'generosus', 'van goede afkomst, edel', maar ook met 'edelmoedigheid' in de zin van 'geven', en dus wellicht ook met 'generare', dat 'tot leven wekken' betekent. Precies dit 'tot leven wekken' lijkt mij, vooral in de figuurlijke zin dan, de eerste taak van de schrijver, en van de Mens als zodanig. In ieder geval heb ik het bij jou, vanwege jou, al mogen ondervinden; ik hoop van harte dat zulks in de toekomst nog frequenter en intenser zal mogen gebeuren.

Zeer genegen, je Luc Pay.


[In: Diogenes, jrg. 7 nr. 6, juli-augustus 1991, p. 42-43.]