Notities omtrent Spillemaeckers: Blad na blad
Notities omtrent Spillemaeckers: Blad na blad.
![]() |
| (Foto: Paul Ausloos 1976) |
1. Blad na blad van Werner Spillemaeckers (Contramine 1983) kan gelezen worden als een foto-album: elk gedicht is een verstold segment van de tijd, een in de vorm versteende (gebeeldhouwde) herinnering. Toevallige ontmoetingen, natuurimpressies, flitsen werkelijkheid (een radiobericht, een ongeval), reisindrukken, emotioneel geladen momenten (breuk met de geliefde, afscheid van overleden familieleden of vrienden): het zijn de bewaarselen die “blad na blad” geschikt en herschikt worden (blz. 5).
2. Schikken betekent: volgens een bepaald plan, doelbewust ordenen. Spillemaeckers' gedicht is een geometrisch beredeneerd vlak. De vaak pijnlijke emotionele inhoud wordt geneutraliseerd en/of geïroniseerd door de koele omzichtigheid en lexicale soberheid. De herinnering (“wittere wolken / brokkelend uit kalk die jaren staat”, blz. 5) wordt in letters geëtst (blz. 5). Therapeutische mathesis: ‘Zeg eens A’ (openingsgedicht); symptoom het woord, syndroom het gedicht. En de dichter tegelijk dokter en patiënt sprekend met de spatel op de tong: groteske grimas die vervormt, die slechts kernklanken en -woorden toelaat. Zo vallen blad na blad de zieke zomerblaren (het loutere sentiment) af. Wat rest: de grillige vertakkingen van een ontbladerde boom (de gedichten), scherp afgetekend tegen de stralende helderheid van het papier.
3. Spillemaeckers' gedicht wordt ontdaan – ontvleesd – van elke sentimentele anekdotiek, van elke stilistische (pathetische) franje. Het heeft de pregnantie van een expressionistische houtsnede. Het geïsoleerde substantief, de schrale mededeling, het geïsoleerde vers: nadruk op de essentie, nadruk ook op verstolling en stilstand. Het gedicht als skelet waarvan de botten (de woorden) tegen elkaar opbotsen, schor schuren. Grimmige dodendans: “vrijblijvend verweer” (blz. 29) tegen de woede, het verdriet, de onmacht.
4. Syntactische eenheden vaak samenvallend met het vers, slechts schaarse en functionele enjambementen: afwezigheid van een al te oorstrelende melodie. Spillemaeckers' vers wordt gedragen door een aantal opvallende heffingen, die nog geaccentueerd worden ofwel door de sonore symmetrie van volgende verzen, ofwel door het stafrijm: “en dan als dichterbij de dennen der ardennen” (blz. 7), “charmante charade in de schaduw” (blz. 31), “wie wachten wil hij wachte (blz. 45). Mokerslag, primitieve robuustheid van het Oudgermaanse vers. Typografie: terecht Helvetica, hard en koel.
5. Van het gedicht als een kei naar het gedicht als een knikker: slechts een kleine afstand tussen de stapstenen van het stafrijm, tussen Gezelle en Gilliams. “Ik zocht een vorm – ik vind – / en houd hem in de hand / zoals een knaap een knikker / [...] ik steek hem af doch wie hem vindt / zal als een kind verwonderd / de verdwenen maker raken” (blz. 33). Gladde perfectie van de speelbol met zijn ongrijpbare, ingewerkte en ingewikkelde versieringen. Vergelijk bij Spillemaeckers: acconsonantie (vind vont vindt), stafrijm (cfr. supra), assonantie (“zachte nacht”, “traag verdween de witte wagen”), parallellisme (“hier staat hier ligt de plaat het plat”; “de zee klapt in de handen de zee glimt in het lachen”; “plots riep ik nog ik riep nog” etc.), adynaton (“in de koude zit een kamer”), contrast (“bloemen van de vlakten en bergen bloempjes”), woordspeling en ironisering van zegswijzen (“toen de lucht nog van de lucht was” etc.; “hij moest hoesten en nietzschen”; “lotharingen-louteringen”), syllepsis (“boten boordevol met slijk // der aarde”), etc, etc.
6. Spillemaeckers' abstract (constructivistisch?) expressionisme sluit geenszins emotionele betrokkenheid of zelfs maatschappelijk engagement uit. “– hoe dan ook – bejegen ik” (blz. 5): het gedicht is ontmoeting, antwoord. ‘Het zeer van de zee’ (blz. 13): magistrale eenheid van kritiek/woede en esthetische constructie; het spel van heffingen, pauzen, enjambementen, staf- en binnenrijmen is de echo van het monotone aanzwellen en wegtrekken van de golven. ‘Scheur bij felle zon’ (blz. 21): korte en meestal niet-enjamberende verzen, herhalingen en parallellismen visualiseren én verklanken de kreet, de korte hijgende ademstoten van de verbaasde toeschouwer op het moment van een verkeersongeval. Of neem het gedicht ‘Vladslo’ (blz. 23), waar de ironisering van de pseudo-intellectuele woordenkramerij fel contrasteert met de indrukwekkende stilte van het Duitse militaire kerkhof met de beroemde beelden van Käthe Kollwitz. Onderkoeld en geïroniseerd humanisme, emotionaliteit die gevangen zit in het sterk geprononceerde formele keurslijf van de poëzie: linguïstische tucht als tegengewicht voor gevoelsexhibitionisme.
7. Spillemaeckers' gedichten lenen zich uitstekend (in eerste instantie?) tot mondelinge voordracht.
8. Dichter en lezer moet elkaar vinden als kinderen, spelend met knikkers.
9. Ziezo, zullen we maar zeggen, vakmanschap is meesterschap.
Luc PAY
📌 Werner Spillemaeckers, Blad na blad. Gedichten. Contramine, Antwerpen 1983.
[2de druk 1984, 3de druk 1986]
[In: Diogenes, jrg. 1 nr. 9, 1984, p 459-461]


