Longus, andermaal

 Longus, andermaal

 “Het onuitroeibaar bestaan der Liefde”

(Nic van Bruggen)

 

Vorig jaar verscheen Longus’ Daphnis en Chloë in een vertaling van Stefan van den Broeck, een uitgave die uitvoerig besproken werd in de kolommen van dit tijdschrift (jrg. 7 nr. 4, maart 1991). Die goeie ouwe Longus zit blijkbaar in de lift, want zopas bezorgde Marc Moonen van diezelfde Griekse 'roman' een nieuwe vertaling die door de vormgeving, omkadering en vertaalstrategie opvallend afwijkt van de eerste. We zijn zo vrij de lezers zonder meer te verwijzen naar onze eerste recensie over Longus voor achtergronden In verband met de Griekse roman en de auteur, voor een bibliografietje en een uitgewerkte behandeling van probleempassages of stellingnames op het vlak van vertaalcriteria. In de hieronder volgende bespreking worden woorden, zinnen of fragmenten uit beide vertalingen met elkaar geconfronteerd: het eerste citaat is steeds afkomstig van Van den Broeck (V+pag), het tweede van Moonen (M+pag).




         Vormgeving

Moonens vertaling wordt gepubliceerd in de reeks 'Ambo-Klassiek', een label dat staat voor stevig in de traditie verankerde ernst en degelijkheid, ook letterlijk op te vatten als een sobere, ietwat strenge doch onmiskenbare luxe: ingebonden, stofomslag, fraai papier etcetera. Een aantal epitheta van deze externe karakterisering kunnen in zekere zin ook op de interne aspecten van de vertaling worden toegepast.

 

         Omkadering

Moonens 'Woord vooraf (M7) en 'Inleiding' (M9-14) bevatten heel wat meer feitelijke, objectieve informatie dan Van den Broecks 'Voorwoord' (V5-8), maar ze zijn tegelijk veel minder persoonlijk; Moonen stelt zich op het standpunt van de neutrale filoloog die met een grote dosis afstandelijkheid het klassieke patrimonium doorgeeft, terwijl Van den Broeck zich ontpopt als een geamuseerd en kritisch hedendaags lezer die niet aarzelt (vrij apodictische) waardeoordelen te vellen. Moonen beperkt zich dan ook tot een louter tijds- en genregebonden evaluatie: “Zowel de stijl als de structuur van zijn roman is directer, onopgesmukter en efficiënter dan die van de vijf andere romans. De [...] gesprekken leiden de aandacht niet af en storen niet in de context. Longus laat zich niet verleiden tot uitweidingen die niet ter zake doen. [... Hij­­] blijft met beide benen op de grond staan.” (M11-12) Het is mij echter niet helemaal duidelijk waarom Moonen die tweeledigheid van zijn inleiding nodig achtte: de informatie van het ‘Woord vooraf’ had zonder problemen om twee plaatsen van de 'Inleiding' kunnen worden ingevoegd, wat een ietwat coherenter en eleganter geheel zou hebben opgeleverd.

Maar goed. We vernemen bij Moonen alleszins één en ander over de vertalingsgeschiedenis van Daphnis en Chloë en de in het verleden toegepaste censuur; de vertaler stelt dan ook uitdrukkelijk: “In deze vertaling heb ik de integrale Griekse tekst gebracht” (M7), wat ons uiteraard je reinste evidentie lijkt. In tegenstelling tot bij Van den Broeck krijgen we in de Ambo-uitgave wel degelijk een opgave van de brontekst, en worden bovendien de indeling in boeken en paragrafen alsmede de in de filologie gangbare nummering ervan verantwoord. Moonen kiest overigens uitdrukkelijk voor een Latijnse transcriptie van namen: mijns inziens de beste, want met het oog op inconsequenties minst riskante oplossing.

Verder vernemen we (héél) kort één en ander over Longus zelf, en over het genre van de Griekse roman – enkele auteursnamen en titels met een beknopte globale karakterisering. Eigenaardig is wel volgende vaststelling: “Men krijgt de indruk [aldus Moonen i.v.m. de Griekse romans] dat ze zijn geschreven voor een literaire wedstrijd waarvoor de jury vooraf strenge richtlijnen had vastgelegd.” (M10). Bestaat die indruk echter niet evenzeer bij de middeleeuwse hoofse ridderroman of de naturalistische epiek bijvoorbeeld, en uiteindelijk bij zo vele (vooral populaire) genres die zelfs tot op de dag van vandaag hun strikt gecodeerde 'dieptestructuren' met succes blijven handhaven?

In Moonens inleidende bladzijden wordt Longus' stijl omschreven als 'apheleia' (eenvoud, versieringsloosheid) die echter toch blijk geeft van een subtiele intertekstualiteit avant la lettre. De vertaler heeft getracht deze stijl “zo zorgvuldig mogelijk te bewaren, teneinde Longus geen geweld aan te doen en de lezer te geven wat hem toekomt” (M7): een meer dan eerbiedwaardig uitgangspunt, maar het heeft wel gevolgen voor stijl en verwoording, waarover straks meer.

Even behandelt Moonen ook de psychologische tekening van de romanfiguren, die zijns inziens (terecht) tekort schiet en zelfs onwaarschijnlijkheden oplevert (M12), hoewel die twijfelachtigheid dan weer onmiddellijk gemotiveerd wordt op basis van sociale en historische argumenten. Zo vraagt hij zich af: “Mocht men in de tweede of derde eeuw na Christus een psychologisch verantwoorde roman verwachten?” (M12), en noemt ter verontschuldiging van deze zwakheid het veel later geschreven La Princesse de Clèves zonder meer “de eerste psychologische roman in de Westeuropese literatuur” (M13). Het hangt er natuurlijk maar van af hoe je een begrip als 'roman' definieert of wat je van 'psychologische aanvaardbaarheid' verwacht, want wat doe je dan met bv. onze eigen Beatrijs of zelfs met Homerus, bij wie een subtiel psychologisch inzicht harmonisch blijkt samen te gaan met een in de mythe gefundeerde 'nomos'?

Ten slotte vermeld ik nog dat een viertal pagina's aantekeningen, in de vorm van voetnoten, de vertaling afronden; lang niet alle literaire of mythologische toespelingen worden hierin opgehelderd, maar het is al heel wat. Zulke toelichtingen zijn wat mij betreft immers absoluut noodzakelijk voor een goed begrip van teksten die door een aanzienlijke temporele of culturele kloof van ons gescheiden zijn. (Over de eventuele religieuze implicaties van Daphnis en Chloë bv. komen we niks te weten, en ook een bibliografie, of zelfs een kleine literatuurverwijzing, schittert door haar afwezigheid.)

 

         Taal en stijl

Moonen vertaalt minder gecondenseerd, minder kernachtig-zakelijk dan Van den Broeck, en vermijdt duidelijk woorden of wendingen die al te hedendaagse of eventueel ironisch-volkse connotaties zouden kunnen opleveren. Zijn zinnen zijn dan ook wijdlopiger, complexer èn poëtischer, wat de lezer nu ook weer niet voor onoverkomelijke moeilijkheden plaatst. Ter illustratie volgende vier zinsparen:

 

1.  “Maar Dorkoon, de koeherder die verliefd was op Chloë, wachtte af. Toen Druas een boom aan het planten was naast zijn wijngaard ging hij naar hem toe met een paar fijne kaasjes.” (V19) – tegenover: “Dorcon, de ossenhoeder die op Chloë verliefd was, aasde op een gelegenheid om Dryas te benaderen en toen hij hem op zekere dag aantrof terwijl hij een boom aan het planten was naast zijn wijnstokken, ging hij naar hem toe met een paar uitzonderlijke kazen in de hand.” (M27)

2.  “Chloë aarzelde niet meer en blij met zijn compliment en al lang vol verlangen om Daphnis te kussen, sprong ze op en kuste hem, onhandig en onervaren, maar toch goed genoeg om zijn hart in vuur en vlam te zetten.” (V18) – naast: “Chloë bezon zich niet langer. Gelukkig om de loftuiting, maar ook omdat ze er reeds lang naar verlangde Daphnis te kussen, liep ze naar hem toe en kuste hem, argeloos en onervaren, maar toch zo dat zijn hart in vuur en vlam schoot.” (M26)

3.  “De rivieren stroomden zingend voorbij, de winden speelden fluit op de pijnbomen, de appels vielen dolverliefd op de grond en de zon kleedde iedereen uit, verliefd op al die schoonheid.” (V21) – versus: “Het leek alsof de beekjes zongen terwijl ze vredig voorkabbelden en de winden een lied speelden in de takken van de pijnbomen; de appels vielen neer in het gras alsof ze niets liever deden en de zon, die houdt van al wat mooi is, dreef een ieder ertoe zich te ontkleden.” (M3)

4. “Maar terwijl ze zo aan het spelen waren, staken de eerste liefdesverlangens de kop op.” (V14)  – ten slotte lezen we bij Moonen als: “Maar te midden van die kinderlijke spelletjes ontstak Eros een ernstige brand.” (M22) Ik verkies beslist de aanwezigheid van Eros in deze zin, maar frons toch lichtjes de wenkbrauwen bij een “ernstige brand”; waarom niet: 'heftig, laaiend, verterend” of iets dergelijks?

 

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt tevens Moonens voorliefde voor een archaïserend woordgebruik, voor een verheven-poëtisch register. Enkele bijkomende voorbeelden hiervan (uit de 'Proloog' indien zonder paginanummering): “woud vol bomen / bos met dicht geboomte” –  “beken / bevloeiing” – “vijanden / vijandelijke troepen” – “kreeg ik zin / greep het verlangen mij aan” – “ik hoop dat de God / moge de godheid” – “geiten (V11) / weiden zwaar van vee (M19)" “sieraden (V11) / herkenningstekens (M19)” – “huis (V13 en elders) / hofstede (M21 en elders)” – “rijkeluiszonen (V32) / jongelui uit rijke families (M41)”– “compliment (V18) / loftuiting (M26)”.

 

Uit vergelijking van beide vertalingen blijken ook verschillende interpretaties van de Griekse tekst, wat te verwachten was. Aangezien mijn kennis van deze taal (helaas) onherroepelijk in de mist van de geschiedenis verdwenen is, laat ik een beoordeling van die varianten wat graag over aan classici, en heb ik er ook niet systematisch naar gezocht. In de “Proloog” merk je direct het verschil tussen “één bron / één enkele bron” of tussen “dekens / luiers”, terwijl bij de varianten “herder (V15) / ossenhoeder (M23)”, gezien de Nederlandse betekenis, Moonens oplossing de voorkeur verdient.

Ik vestig nog slechts de aandacht op volgende varianten, eveneens uit de “Proloog”. Wat Van den Broeck vertaalt als “kreeg ik zin om een boek te schrijven over dat schilderij” wordt door Moonen weergegeven als “greep het verlangen mij aan er een geschreven kopie van te maken”. Hier wordt de verschillende vertaalstrategie van beiden wel erg duidelijk: V vertaalt erg soepel, ondubbelzinnig, volslagen probleemloos, terwijl in de vertaling-M, die misschien wat raadselachtiger klinkt, hoe dan ook een poëticaal standpunt van Longus geïmpliceerd blijft: 'Ut pictura poesis', beklemtoning van realisme of waarheidsgetrouwheid.

Vergelijk: “Astylos zei dat Liefde grote redenaars maakt” (V70) luidt bij Moonen “Astylus merkte op dat Eros grote sofisten voortbracht” (M81); die laatste wending is omslachtiger, moeilijker, vraagt misschien zelfs om aantekeningen, maar de betekenis en cultuurhistorische rijkdom van 'Eros' en 'sofist' is er dan toch tenminste in bewaard gebleven.

 

         Gewraakte passages

In de eerste Longus-recensie heb ik uit Van den Broecks vertaling in het bijzonder een aantal passages gelicht en op de korrel genomen die mij persoonlijk minder geslaagd en zelfs ongepast leken. Laten we even natrekken wat Moonen op zijn beurt van die fragmenten gemaakt heeft.

 

a) “[Het boek zal] oude geliefden aan het verleden herinneren en groentjes in de liefde inwijden” (V9) lezen we nu als: “het [boek] zal herinneringen opwekken bij wie reeds liefhad en hém onderrichten die nog niet liefhad” (M17). Het doet me natuurlijk plezier dat die “groentjes” ondertussen gerijpt zijn, al moet ik bekennen dat Moonens omslachtigheid en vooral de storende herhaling van 'liefhad' mij nu ook niet direct gelukkig maken.

b) “En toen ze zijn rug waste gaf het zachte vlees mee” (V16) wordt bij Moonen: "Terwijl ze zijn rug waste, voelde ze onder haar vingers de zachtheid van zijn vlees.” (M24) We zijn alvast verlost van dat afschuwelijke “meegeven”, maar het “vlees” blijft hoe dan ook irriterend. Waarom toch niet gewoon “vlees” door “huid” vervangen, zoals het trouwens in een Franse vertaling ook gebeurde (“sa peau douce”)?

c)  “Hij verzon een herderlijke list” (V20) werd getransformeerd tot “hij bedacht een list die alleen bij een herder kon opkomen” (M28), wat me beter lijkt (al geef ik volmondig toe dat het hier wellicht een loutere idiosyncrasie betreft).

d)  “Want jong en boers als hij was” (V26) vertaalde Moonen als “want hij was nog jong, een kind van het platteland” (M35), en Van den Broecks “Alles verliep nogal boers en landelijk” (V79) werd “Het ging er eenvoudig en landelijk aan toe” (M91). Blijkbaar was ik niet de enige die – in deze context althans – last had met het adjectief “boers”.

e)  De “Siberische sneeuwbuien” (V47) zijn, dankzij de wending “sneeuw zo hoog als in Scythië” (M57), door Moonen terug verwezen naar de enige regio waar ze in Griekse teksten (en hun vertalingen) kunnen thuishoren.

f)  Ten slotte: waar Daphnis bij Van den Broeck nog “op de ringlaan” (V75) zat te wenen, werd hij door Moonen dáárheen gerepatrieerd waar hij volgens de Griekse tekst ook diende te zitten: “in de tuin” (M87).

 

         Conclusie

Het zou ronduit dwaas zijn om nu één van de twee vertalingen tot de 'goede' of 'juiste' te proclameren; ik hoop dat uit voorgaande analyse moge blijken dat ze uiteindelijk van elkaar verschillen op basis van hun respectieve vertaalstrategieën of criteria. Het antwoord op de vraag hoe een klassieke tekst in het Nederlands gebracht dient te worden, hangt af van de bedoelingen die je als vertaler vooropstelt, van de functie die je een antieke tekst anno 1991 toebedeelt, van het publiek dat je beoogt, etcetera. Stefan van den Broeck heeft naar aanleiding van vorige recensie de moeite genomen mij zijn vertaalopties uitvoerig schriftelijk toe te lichten, en daar ben ik hem erg dankbaar voor. Zijn toelichtingen hebben mij, voor zover dat eigenlijk überhaupt nodig was, verzoend met zijn Longus-vertaling in haar totaliteit en op zich, maar toch nog steeds niet met de onderliggende visies en intenties in verband met 'klassieke' vertalingen en vooral de 'stoffering' of omkadering ervan.

Van den Broeck beoogde duidelijk een literair aangename tekst in een zo modern mogelijk Nederlands te brengen (lofwaardig zonder meer!) waaruit de problematische referenties geweerd worden, met een minimale inleidende toelichting en zonder 'storende' voetnoten of aantekeningen (dat laatste bevalt me minder). In Moonen herkennen we dan weer de canon- en patrimoniumtrouwe, omzichtige filoloog die ruimere toelichtingen nodig acht, de brontekst zo dicht mogelijk probeert te benaderen (met alle stilistische gevolgen vandien) en dus ook bevreemdende referenties (terecht) niet wegactualiseert.

 

Aan de lezer nu om te kiezen, denkt u? Nogmaals, zo eenvoudig ligt het niet. Laat ik proberen een duidelijke oplossing te formuleren, die minder Belgisch is dan ze lijkt en gewoon aan Caesar het zijne poogt te geven: stilistisch verkies ik zonder meer Van den Broecks vertaling (mits een aantal té radicale actualiseringen of onnauwkeurigheden worden hersteld); wat echter de basisintenties en de literair- en cultuurhistorische stoffering betreft, sta ik achter Moonen. Het kan utopisch klinken, maar ik blijf ervan overtuigd dat een compromis mogelijk is tussen een vlot leesbare, actuele 'transcriptie' van een antieke tekst enerzijds, en schroom ten aanzien van de respectabele en soms vreemde bagage die antieke teksten hoe dan ook met zich meedragen. Ik simplifieer: wie vooral een vlot verhaaltje wil lezen, kope Van den Broeck; wie het erom te doen is zijn antieke cultuur bij te spijkeren kope Moonen; maar, in alle ernst: wie echt van literatuur en Longus houdt, kope beide, ook al omdat je van de Liefde, of moet ik zeggen 'Eros', tenslotte nooit genoeg kan krijgen.

 

Luc PAY

 

📌  Longus, Daphnis en Chloë. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Marc 

       Moonen. Baarn, Ambo, 1991 (Ambo-Klassiek).

 

[In: Diogenes, jrg. 8 nr. 1, lente 1992]