Klein Romeins dagboek

Klein Romeins dagboek
Een queeste naar Bérenger Saunière in de Vaticaanse Archieven 
(25 februari – 04 maart1995) 

  

    Dag 1 (zat 25-02)

's Morgens vroeg met z'n vieren opgestaan en naar de luchthaven. Het is al vrij druk op de autosnelweg, ook in Zaventem. De kinderen zien er (nog) behoorlijk moe uit. lets na zeven uur – we staan te wachten aan de grenscontrole – zeg ik hen alvast naar huis terug te keren; langer wachten heeft geen zin, over een uurtje vertrekt mijn vliegtuig. We nemen afscheid, ondanks mijn korte afwezigheid toch met een krop in de keel. Ik vermoed dat mijn bestemming – Rome – daar voor veel meer tussen zit dan ikzelf.

Waar ik nu ga kunnen ze mij echter niet volgen. Mijn zoektocht naar de (een?) oplossing van het mysterie van Rennes-le-Château en zijn merkwaardige pastoor Bérenger Saunière voert mij immers naar de bibliotheek van het Vaticaan, of beter: naar het Archivio Segreto. De naam alleen al doet mij huiveren en lijkt mij, in de context van mijn queeste, wel erg toepasselijk. Sinds mijn allereerste kennismaking met de zaak-Saunière heeft het mysterie rond deze priester, met zijn intrigerende vertakkingen naar al even fabuleuze (semi- of pseudo-) historische raadsels (katharen, Tempeliers, Rozenkruisers, verborgen schatten, de genealogie van Christus, de Graallegendes, een Verloren Koning...), mij niet meer losgelaten. Baigent, Leigh en Lincoln staken enkele jaren geleden het vuur aan de lont; andere auteurs, onder wie Jos Bertaulet en Gérard De Sède, en vooral mijn bezoek in 1991 aan de bron en het magische epicentrum van de legende zelf, Rennes-le-Château en het omliggende 'pays des Cathares', deden de vlammen van mijn nieuwsgierigheid hoog oplaaien.

Eén bepaalde alinea uit De Sèdes Rennes-le-Château. Le dossier, les impostures, les phantasmes, les hypothèses (Laffont, 1988, p. 74) in het bijzonder is mij blijven achtervolgen:

Il n'y a donc guère de chances que nous sachions jamais pourquoi, contre toute attente, le Vatican donna raison à un humble curé de campagne et tort à un aristocratique prélat. Il fallait que les accusations de Mgr de Beauséjour fussent bien fragiles, ou que Bérenger Saunière eût des atouts maîtres pour faire prévaloir sa cause auprès du Saint-Siège.

De oplossing van het mysterie (of althans een ernstige aanwijzing in de goede richting ervan)

moet dus ongetwijfeld nog steeds ergens verborgen zitten in de tot de verbeelding sprekende labyrinten van de Vaticaanse archieven. En dus kan die oplossing daar ook gevonden worden, dit keer wel degelijk 'zwart op wit': leesbaar, fotokopieerbaar, bewijsbaar, zonder pseudo-historische nonsens, zonder esoterische of occultistische hersenspinsels, los van avontuurlijke jongensdromen of literaire fantastiek, hoe aanstekelijk en fascinerend zulke verhalen op zich ook mogen zijn (en hopelijk ook mogen blijven).

 

Het toestel is nog maar net opgestegen of het komt terecht in enkele turbulenties zodat het flink door elkaar wordt geschud. Later verneem ik dat de vlucht van vorige zondag het nog erger te verduren kreeg, zodat het cabinepersoneel in de gang op de vloer moest gaan zitten en er zelfs enkele zieken aan boord waren. Eenmaal boven aangekomen hervindt het toestel zijn stabiliteit. Na zowat twee uur overvliegen we Rome, dat baadt in een stralende ochtendzon. Een grijze, stroperige Tiber kronkelt zich tussen de monumenten die vanop de geringe hoogte goed herkenbaar zijn: Sint-Pieter, het Pantheon, het gerechtsgebouw, piazza Navona, Sint-Jan-in-Lateranen. Alle passagiers proberen aan de juiste kant van het toestel een glimp op te vangen van het magistrale uitzicht over de stad. Ik heb zo lang uitgekeken naar deze reis, en daar zijn ze dan eindelijk: de koepels, de pleinen, de straten. Moet even slikken van de emotie, temeer daar de Italianen aan boord nu flink van zich laten horen. Siamo arrivati.

 

Op de kleine luchthaven van Ciampino is het erg rustig, ons toestel is het enige dat geland is; de bagage komt zeer snel op de band. In de hal houdt een rijzige man, een priester, de binnenstromende passagiers nauwlettend in de gaten. Hij ziet er erg Vlaams uit, of liever: niet zuiders. Zouden de paters mij toch komen afhalen, ondanks het feit dat pater C. mij vorige week kaartjes voor het openbaar vervoer toestuurde? Proberen maar. Hij blijkt wel degelijk een pater te zijn, is afkomstig van Gent en behoort inderdaad tot dezelfde orde als C., maar hij wacht op twee andere Romereizigers van dezelfde vlucht die in zijn ordehuis logeren. Wat een toeval! Natuurlijk mag ik mee met de auto naar het generalaat, ik logeer immers pal aan de overkant. Een uurtje in de auto, o.m. over de raccordo. Een heksenketel, heerlijk. Onderweg zie ik de Via Appia Antica, resten van aquaducten; wegwijzers naar Ardeatina; we rijden voorbij Sint-Paulus-buiten-de-Muren (of beter: ter hoogte van, want de kerk ligt een flink eind hiervandaan en is dus niet eens te zien) en, vlakbij, de indrukwekkende hypermoderne gebouwen van de RAI die een kleine stad op zichzelf vormen. Buongiorno Roma, mi ricognosci?

 

Op het generalaat wordt ons kleine reisgezelschap ontvangen door pater C., de econoom, de man met wie ik correspondeerde in verband met mijn logies. Hij is zeer gastvrij en neemt ons mee naar de grote salon, de ontspanningsruimte; kopje koffie en koekje erbij. We vertellen wat over vorige reizen, de vlucht, over het leven in Afrika want mijn medereizigers hebben er jarenlang gewoond, enzovoort. In het gezelschap van deze twee Vlaamse paters en de andere twee Vlaamse bezoekers is het niet moeilijk om je hier direct thuis te voelen, hoewel ik me toch wat onwennig voel: alle aanwezigen hier, uitgezonderd ikzelf, blijken doorgewinterde wereldreizigers. Centraal Afrika, India, Polen... het doet deugd om deze mensen reisherinneringen te horen ophalen.

 

Uiteindelijk brengt de pater mij naar het huis van de zusters aan de overkant, waar ik zal logeren: “Villa Angeli”. Het is een modern gebouw met een viertal verdiepingen, onopvallend temidden de gelijkaardige appartementsgebouwen in deze overigens rustige straat. Zoals bijna altijd hier in Italië moet eerst de cancello die op de straat uitgeeft van in het huis geopend worden, en daarna de eigenlijke voordeur.

In het voortuintje staat een buste van de stichteres van de Spaanse orde waartoe deze zusters behoren: “Suore del S.C. di Gesù e Santi Angeli (Angeliche).” Die blijken allemaal even klein van gestalte en gaan volledig in het zwart gekleed; ze spreken gelukkig vlot Italiaans, taal waarmee ik mij toch een beetje kan behelpen. Binnen is de eerste indruk: erg stil en rustig, modern, kraaknet; de vloeren zijn volledig van travertijn, een pendule versterkt de huiselijk-intieme sfeer.

Naar de kamer nu: erg ruim, twee bedden, een prachtige badkamer. Voortreffelijk! Pater C. neemt afscheid en nodigt mij meteen uit voor het middagmaal morgen in het generalaat. Valies(je) uitgepakt, papieren en documenten klaargelegd voor maandag, en onder de douche. En daarna de stad in voor een eerste wandeling, tijdens het weekeinde kan ik toch nog niet aan de slag in het archief.

 

Van bij de zusters wandel ik te voet de Via Aurelia af en volg de indrukwekkende massieve Vaticaanse muren. Je krijgt hier een totaal andere indruk dan wanneer je het Vaticaan nadert over de Via della Conciliazione: daar schrijd je langzaam, onweerstaanbaar meegezogen door de mensenzee, naar de navel van het christendom, aangetrokken door het indrukwekkende zicht op kerk en koepel, en ten slotte beland je, dankzij de perspectivische kneepjes van Bramante, Michelangelo en vooral Bernini, in de haast warme, fysieke omarming van de colonnade. Hier echter, langsheen de muren, krijg je het idee dat je door een versterkte middeleeuwse stad of burcht wordt buitengesloten en in de gaten gehouden. Wat een prachtig zicht toch weer, plotseling, op de basiliek en de koepel van Sint-Pieter; ik heb ze nog nooit van hieruit gezien. Verder via het Sint-Pietersplein en de Via della Conciliazione de Tiber over, de Corso op tot aan Largo Argentina. Pauze. Ik posteer mij tegen de reling met mijn gidsen en probeer opnieuw de verschillende republikeinse tempels te lokaliseren, te bestuderen. Nog steeds een poezenparadijs. Wandel even tot aan de Gesù, maar die is dicht. Op Argentina wacht ik op de bus, die mij naar de paters x moet brengen. Plotseling loeiende sirenes en gierende banden: gemotoriseerde polizia die de straten afzet en aan alle kanten een fluitjesconcert aanheft. Een zwarte mercedes met escorte rijdt statig de Corso af: de paus rijdt voorbij, ik herken hem zeer duidelijk; de voorbijgangers houden halt op het trottoir en roepen elkaar toe "II Papa!" De bus komt eraan, nagenoeg leeg. Twee haltes verder springen twee Romeinse pubertjes de bus op, ze maken veel lawaai en eentje begint op de wand te schrijven. Een oudere dame reageert onmiddellijk en begint beiden uit te schelden. Tot mijn verbazing antwoorden die kerels haar op een zeer brutale en arrogante manier; de ruzie loopt hoog op en verspreidt zich tot helemaal vooraan over de schaarse medereizigers. De chauffeur blijft onverstoorbaar en voert een niet-inmengingspolitiek. Zou het bij ons anders aflopen?

 

Maar goed, hopelijk is pater A. thuis, ik heb mijn bezoek tenslotte niet vooraf aangemeld. Bovendien kom ik op een vrij delicaat moment: de siësta is net begonnen. Pater B. komt mij in de wachtkamer begroeten. Nee, confrater A. is op dit moment niet thuis, maar als ik terugkom rond halfzeven zal ik hem wel aantreffen. Samen nog een sigaret gerookt en een babbel gedaan over het doel van mijn reis, over school, over M. en de andere kinderen van zijn familie. Ik neem afscheid en begin aan een lange wandeling die een grote lus zal vormen van de Aventijn via het Forum en het Capitool plus de Gesù terug naar het generalaat. De Aventijn is nagenoeg uitgestorven, ik ontmoet haast geen wandelaars en er is bijna geen verkeer. Ik bezoek de Basilica dei Santi Bonifacio e Alessio, met als merkwaardige relikwie een groot fragment van een houten trap, volledig in een glazen schrijn gevat, waaronder Alessio leefde in het vaderlijke huis zonder herkend te worden. Het is de enige kerk van de Aventijn die open is.

Dan maar voorbij Santa Prisca zonder het mithraeum nog eens te kunnen zien, naar het plein van de Maltezer Ridders: intiem ondanks de nogal protserige monumenten van Piranesi. Amerikanen staan doorheen het beroemde sleutelgat te filmen. Ik controleer het even: het zicht is nog altijd even mooi, hoewel het weer nu grijs is en het effect ietwat verloren gaat. Ook Santa Sabina gesloten.

Op één van de van gras en bomen voorziene pleinen naast de kerk zet ik mij tussen de flanerende en rustende Romeinen, die genieten van hun passeggiata en het zaterdagse dolce far'niente. Sommigen zijn aan het lezen, ééntje is aan het stoeien met een zwarte hond die verdraaid goed op mijn eigen Fien lijkt, en er is blijkbaar ook net poppenkast gespeeld. Wat een prachtig zicht op de Tiber, en, schijnbaar niet zo ver weg, de koepel van Sint-Pieter. Langs die heerlijke Clivio beland ik ten slotte aan Santa Maria in Cosmedin. Veel Japanners hier, en iedereen moet natuurlijk per se zijn hand in de Bocca steken. Terwijl ik geamuseerd sta toe te kijken, wacht ik eigenlijk op het moment dat de versteende vlezige lippen van deze bron- of riviergod zich onherroepelijk aan één of andere toeristenhand vastklemmen. Enfin, waarom niet, wij hebben het vroeger ook gedaan. Wat een prachtig intiem kerkje toch, en die mooie campanile.

De ronde tempel (Portunus of Hercules?) staat na twee jaar nog steeds in de steigers, de rechthoekige (Hercules of Portunus?) biedt een sombere, dreigende aanblik. Het Forum Boarium is volledig afgesloten, de boog van Janus helemaal ingepakt, San Giorgio in Velabro en de boog van de geldwisselaars blijven verborgen achter een enorme houten afsluiting. Jammer. Ook de andere kerken zijn allemaal gesloten: Sant'Omobone, San Giovanni Decollato (die ik speciaal genoteerd had en waar ik even naar heb lopen zoeken), en San Nicola in Carcere. Die laatste kerk is aan de buitenzijde erg interessant want je kan hier, beter dan waar ook in de stad denk ik, goed zien hoe ze tussen de antieke zuilen werd ingebouwd. Via het Forum Olitorium, Santa Maria della Consolazione (al Foro Romano), de Clivus Capitolinus en de Tarpeïsche rots bereik ik uiteindelijk het verbluffend mooie uitzichtspunt over het Forum.

Moet mij opnieuw even oriënteren; blijkbaar worden de opgravingen hier permanent verder gezet, want ik heb iedere keer opnieuw de indruk dat het Forum, althans aan de kant van het Capitool, alweer een beetje groter is geworden. Overrompelend, altijd. Aan de rostra zie ik Cicero's hoofd hangen, ginder danst Caligula op het dak van de basilica; in de verte zijn enkele hoeren vanuit hun in het lover verscholen bordelen gehaast op weg naar de boog van Titus, en plots rijst een oorverdovend gejuich en getier op wanneer de consul verschijnt op zijn vierspan met in zijn kielzog strompelende, geketende barbaren (landgenoten, dappere Belgae?) en een circusstoet met leeuwen, tijgers, olifanten, beren en wolven. Het visioen verdwijnt, helaas.

 

Mijn geliefde, mijn gedurende een kwarteeuw zo vertrouwde Forum, vergeef het me maar ik kom dit keer niet voor jou. Ik moet je verlaten zonder je te onderzoeken, zonder je aan te raken, zonder over je verleden en je bouwsels, je triomfen en je waanzin te lezen of te vertellen aan anderen. Met over mijn hele huid die vreemde tinteling, dat geheimzinnige gevoel van onze intieme, haast fysieke verbondenheid en in de overtuiging dat je hier bij mijn volgende bezoek nog éven voluptueus en stralend van onverschilligheid zal liggen, keer ik je dit keer resoluut mijn rug toe.

Op het Capitoolplein zet ik mij op één van de trappen en bekijk gedurende een goed half uur een grote en luidruchtige groep Romeinen, allen prachtig uitgedost, die deel uitmaken van een huwelijksstoet. Er wordt gekust, gelukwensen worden uitgewisseld, ze poseren op alle mogelijke manieren voor huwelijksfoto's met als achtergrond de monumentale beelden van de Dioscuren. Rome op z'n uitbundige, barokke best: groots, theatraal, bombastisch, luidruchtig. Dan Santa Maria in Aracoeli binnen, een kerk waar ik verliefd op ben sinds mijn allereerste bezoek. Dat heeft alles te maken met de bambino en de aandoenlijke hoop post die kinderen van overal ter wereld naar dit beeldje schrijven. Vreemd, ik dacht dat de bambino gestolen was, zou dit dan een kopie zijn? De stapels brieven liggen er alleszins. Het baldakijntje met daaronder het altaar van Augustus goed bekeken, ook het plafond met de Lepanto-versiering en de zuil uit het slaapvertrek van de keizers. Ik zou hier nog langer kunnen vertoeven, maar het wordt tijd om opnieuw pater A. op te zoeken.

 

Toch nog even vlug naar de Gesù, die nu beslist open moet zijn. Inderdaad, maar wat een somber interieur; bovendien is het plafond van het middenschip volledig bedekt wegens restauratiewerken. Deze kerk is té overdadig barok, vooral de vergulde cannelures van de pilaren storen me echt. Wellicht door de duisternis van deze late, grijze namiddag én door de uiterst spaarzame verlichting geeft deze kerk mij de indruk wanhopig te pogen verguld en triomfantelijk te zijn. Waar ze, mijns inziens, duidelijk niet in slaagt. Vlug terug met de bus nu. Ontzettend druk aan de Largo Argentina, ik word opgezogen in de massa. Niemand bekijkt mij keurend of argwanend zoals meestal het lot is van onbeholpen of onbehouwen, kleurrijke – of nog erger: halfnaakte – toeristen. Da's goed zo, ik begin me hier thuis te voelen. Het openbaar vervoer in Rome is een droom: enkele minuten wachten en hop, tegen een serieuze snelheid de stad door. Waarom kan dat niet bij ons?


Pater A. komt me begroeten en neemt me onmiddellijk mee naar zijn kamer. We schudden elkaar lang de hand, het is een hartelijke eerste kennismaking na die enkele brieven, faxen en een telefoongesprek. Hij is ongeveer even groot als ik, nogal gezet, en spreekt bedachtzaam een prachtig Frans met een onmiskenbaar Provençaals accent. Heerlijk, temeer daar hij de conversatie vaak doorspekt met subtiele ironie. Een zeer intelligent man met een grote culturele bagage, en dat is ook te merken aan de uitpuilende bibliotheekrekken waartussen we gezellig gaan zitten. De intieme beslotenheid van deze kamer met de verwarmende aanwezigheid van zovele boeken contrasteert erg met de haast onmetelijke groot(s) heid van de stad die aan de voet van de verstilde Aventijn verder blijft razen. Het cadeautje dat ik voor hem had meegebracht verbaast hem maar doet hem blijkbaar veel plezier. "Vous ferez beaucoup de gens heureux ici", zegt hij. Graag gedaan, pater, dat was de bedoeling. Hij schrijft nu een aanbevelingsbrief voor de secretaris van het Archivio Segreto en een nota voor Monsignore C. van datzelfde archief. We nemen afscheid, hij moet de vespers bijwonen, en daarna volgt het avondmaal. Ik hoop dat ik hem nog ontmoet voor ik naar huis terugkeer.

 

Met de bus terug naar de Largo, vandaar een andere bus naar mijn zusters. Tussen de op elkaar gepropte passagiers bevindt zich een zwerver die het plots nodig vindt om luidkeels maar eigenlijk alleen voor zichzelf, een vlammend betoog af te steken pro of contra godweetwie of godweetwat. De passagiers kijken niet echt geamuseerd, veeleer lichtjes ongerust in de richting van de druktemaker. Bij de eerstvolgende halte manen enkele reizigers de chauffeur al roepend aan te wachten en zijn deuren open te houden terwijl twee potige kerels de dakloze zonder meer bij de schouders vastgrijpen en hardhandig de straat opgooien. De sukkelaar duikt de stoep op, valt net niet, zet zich wankelend weer overeind. En gaat dan, met half gesloten ogen, het hoofd ten hemel gericht en uitbundig gesticulerend, onverstoord verder met zijn tirade.

Kom half geplet ter bestemming, doodmoe en hongerig; verfris mij vlug, en dan aan tafel. Het eten is voortreffelijk, de zusters schuifelen stil en discreet langs de tafels; ze glimlachen voortdurend en komen zelfs vragen of ik voldoende heb, eentje fluistert me toe dat ik vooral alles moet opeten. Geen probleem, zuster! Morgen heb ik een lange wandeling voor de boeg over de Janicolo (het zal de allereerste keer zijn na zovele bezoeken aan deze verpletterende stad, ben benieuwd), en daarna door Trastevere. Goeienacht allemaal.

 

    Dag 2 (zon 26-02)

Vroeg in de voormiddag te voet naar het Vaticaan. In een stille straat, die nu nog verlatener is doordat het zondag is, hou ik een auto in de gaten waarvan de chauffeur zich vreemd gedraagt. Terwijl de motor blijft draaien laat hij een grote zwart-wit gevlekte Deense dog uit de wagen springen, doet de halsband van het dier af, slaat alle portieren dicht en rijdt dan weg terwijl de hond eerst verbaasd ronddrentelt en dan ten slotte toch maar achter de auto aan probeert te lopen. Wat een ellende, het zoveelste slachtoffer van een slechte baas. Wat zal hem in deze miljoenenstad, in dit dier-onvriendelijke land, overkomen?

Ik kan nu eindelijk de Sint-Pietersbasiliek eens heel rustig bekijken, tegen mijn eigen tempo en met in het achterhoofd enkele bijzondere details. Er is nog niet teveel volk. De Piëta is nog steeds wondermooi – een stenen beeld met een onvoorstelbaar sensuele geladenheid, net als de David in Firenze trouwens, al blijft het kogelvrije glas een hinderlijke scheiding vormen. Ik bekijk aandachtig de koepelpilaren met hun respectieve heiligen en relikwieën, zoek op de vloer nog maar eens de kathedraal van Antwerpen, en duik dan de crypte in die, zo constateer ik nu, eigenlijk behoorlijk mooi is opgevat. Vooral het schrijn van de pallia houdt mij even bezig. Na de crypte sta ik onverwacht plots weer buiten, maar in het winkeltje koop ik alvast Vaticaanse postzegels en verstuur mijn kaartjes. Terug de basiliek in, waarbij ik nu vooral de versiering van de vijfmaal twee deuren bestudeer. Ook de moderne basreliëfs op de bronzen deuren zijn erg mooi en verdienen beslist meer aandacht dan ze doorgaans van de meeste toeristen krijgen. Ik loop langsheen de belangrijkste pauselijke en andere grafmonumenten, kijk nog eens goed naar de stoel van Petrus en die van kerkvader Chrysostomus ernaast (de ene met een 'gouden' voet, de andere een gulden mond) én naar de gynaecologische versieringen op de sokkels van de zuilen van het baldakijn. Vreemd, heel vreemd, hoe dan ook. Rond twaalf uur loopt het Sint-Pietersplein half vol, en dat betekent een massa volk. Ik blijf meeluisteren naar de actualiteitscommentaren van de paus, die aan het raam van zijn bureau verschijnt. Achter mij begint één groep pelgrims, voorzien van reusachtige spandoeken, luid te roepen en exuberant te gesticuleren. Ze proberen duidelijk de aandacht van de pontifex te trekken, maar ik vrees dat die toch wat te ver weg staat.

 

Middagmaal bij de paters, zoals afgesproken; de refter zit goed vol met vooral Franse, Engelse en lerse paters maar er zijn nog andere nationaliteiten aanwezig. Ik zit aan tafel met twee Vlamingen en een Ghanese pater die in Rome een thesis over moraaltheologie aan het schrijven is. Een andere, erg jonge zwarte religieus bedient enkele tafels in dit hoekje van de refter. Als hij vlak naast mij een schotel vlees op de tafel deponeert, kijk ik even naar hem op en zeg hem gemeend “Merci beaucoup, mon père". Waarop hij direct, haast achteloos maar duidelijk zonder enig greintje ironie riposteert: “Pas de quoi, monsieur, nous sommes habitués à vous servir.” Die zit. Met één korte zin wordt onze hele koloniale geschiedenis mij hier voor de voeten geworpen. Beduusd en verward probeer ik mijn aandacht weer op mijn tafelgenoten te richten.

Gelukkig schenkt pater econoom een voortreffelijke wijn uit die hij zelf bij de wijnbouwer is gaan proeven en kopen, zodat ik mijn schuldgevoelens toch enigszins kan doorspoelen. Het eten is erg lekker; het feit dat ook bloemkool met witte saus wordt geserveerd verraadt de stevige Vlaamse aanwezigheid hier. Of is dat ondertussen internationale kost geworden? Na het eten neemt mijn gastheer mij mee voor een bezoek aan het huis. We gaan eerst naar de kapel, die een niet zo gebruikelijke cirkelvorm heeft; ze vertoont byzantijnse invloeden maar blijkt voor het overige vrij sober. Daarna gaan we naar de crypte onder de kapel, waar erg interessante voorwerpen en documenten worden bewaard in verband met de geschiedenis van de orde. In eerste instantie zijn er heel wat herinneringen aan de stichter, kardinaal Lavigerie, maar ook aan bepaalde ordeleden en hun werk in Afrika, aan de pioniers (een drietal paters die in de 19de eeuw als eersten de Sahara introkken en vermoord werden door Toearegs), heel wat verwijzingen ook naar de martelaars van Oeganda uit de 19de eeuw: een tiental zwarte jongemannen die weigerden in te gaan op de wensen en bevelen van de toenmalige koning en op vaak beestachtige manier werden vermoord. Ik zie nu voor de eerste keer ook foto's van het Maison Carrée in Algiers, het moederhuis, dat onlangs door de Algerijnse Staat werd genationaliseerd en waar nu, als ik het me goed herinner, een school in gevestigd is. We bezoeken tevens het graf van ordestichter, dat overgebracht werd vanuit Algiers. Tegen de muur van diezelfde crypte hangen enkele grote witte marmeren platen waarop de namen van alle vermoorde paters gegraveerd staan. Ik word er stil van maar kan de omvang en de implicaties van al die tragedies moeilijk inschatten. Sommigen van deze missionarissen brachten zeer merkwaardige collecties tot stand, b.v. op het vlak van inheemse kunst of entomologie (in casu exotische vlinders). Een aantal van die collecties, waarvan in dit huis enkele fragmenten bewaard worden, blijken vandaag een grote wetenschappelijke waarde te hebben.

 

Nu naar het dak, waar we vanop een reusachtig terras een prachtig zicht hebben over de stad: Monte Mario, de Janicolo, villa Doria Pamphili. Bij goed weer moeten van hieruit ook de heuvels rond Frascati te zien zijn. De pater toont mij in een groot berghok een aantal watertanks die permanent gevuld blijven voor noodgevallen: het gebeurt wel meer dat de normale watertoevoer het laat afweten en dan kunnen de paters toch nog een tweetal dagen verder met deze voorraden. Typische voorzorgsmaatregelen van doorgewinterde avonturiers die hun hele leven in woestijnen en savannen hebben doorgebracht. Daarna nog even langs zijn eigen kamer. De muren verraden zijn grote liefde voor ikonen; hij laat mij een tweetal zeer fraaie voorbeelden ervan zien. We drinken samen nog een kopje koffie en vertellen wat, over Vlaanderen, over Rome. Rond 16 u. neem ik afscheid en beloof nog eens binnen te springen voor ik vertrek. Ik begin aan mijn namiddagwandeling.

 

Te voet tot aan het Cavaleggeri-plein, dan een kronkelende straat op die de Aureliaanse muren volgt. Er lijkt geen eind aan die muren te komen, nergens is er een doorgang naar de Janicolo. Ik moet tot aan de Porta San Pancrazio wandelen, en dan aan de andere kant van de muur de Viale Janicolense volgen helemaal terug tot aan Sant'Onofrio, een kerk die helaas opnieuw gesloten blijkt. Een Romein zegt me gerust aan te bellen, wat ik doe, maar niemand reageert. Ik keer terug naar de Piazza Garibaldi via de Faro en de eik van Tasso, een plaats die meteen ook herinnert aan Filippo Neri.

De Romeinen zijn nu volop bezig aan hun zondagse passeggiata, de kinderen zijn opgetut tot en met. De panorama's over de stad zijn vanaf hier wondermooi, nog mooier misschien dan vanop de Pincio: een zee van daken, koepels en torens die ik met enige moeite met behulp van mijn plattegrond probeer te doorgronden. Op Piazza Garibaldi wordt poppenkast gespeeld, er staat een grote groep kinderen aandachtig te kijken samen met hun glunderende vaders. Ik daal verder de Janicolo af richting Fontana Paola, die ondanks het grijze weer toch wel mooi blijkt te zijn – hoewel Egeraat beslist overdrijft wanneer hij deze fontein de mooiste van Rome noemt - en beland dan bij San Pietro in Montorio, kerk die ik gelukkig kan bezoeken evenals de Tempietto van Bramante op een aanpalend klein binnenpleintje. Montorio, Monte d'oro: het is al goud dat in deze stad de klok (-ken van Rome) slaat, dit keer zelfs een hele heuvel. Van het graf van Beatrice Cenci onder het hoofdaltaar vind ik geen tastbaar spoor. Maar eindelijk krijg ik dus fysiek contact met één van de eerste voorbeelden van renaissance-architectuur in Rome, het eerste werk van Bramante in deze stad trouwens. Ja, de proporties zijn perfect harmonisch, maar het tempeltje geeft in deze erg sombere en, naar het mij toeschijnt, ook ietwat verwaarloosde en ingeknelde omgeving toch een trieste en vervallen indruk, die nog versterkt wordt wanneer ik in het kleine kale interieur rondwandel. De renaissance verdient beslist beter.

 

Verder naar beneden nu, tot ik uiteindelijk aankom in het hart van Trastevere, aan Santa Maria. Het plein vóór de kerk heeft zoals vele jaren geleden nog steeds die plezierige en gastvrije, ongedwongen atmosfeer. Enkele kinderen zijn aan het voetballen, vele andere zijn uitbundig gecostumeerd voor carnaval, een groepje muzikanten maakt zich klaar voor een optreden en vele wijkbewoners zitten te kletsen, wandelen rond of houden de kinderen in het oog. Heerlijk gewoon, en het ruikt hier ook lekker naar de Romeinse keuken. Heb altijd gehouden van dit plein en de kerk, waarvan ik de campanile en de mozaïeken tegen de schuin oplopende gevel bewonder. Dan naar binnen in het indrukwekkende interieur. Langzaam komen de herinneringen aan de zuilen uit de Isistempel en aan de Fons Olei terug. Met de gidsen in de hand bestudeer ik grondig de mozaïeken in de absis; op de triomfboog inderdaad het merkwaardige symbool van het gekooide vogeltje. Twintig jaar geleden stond ik hier met Pitje ook, maar toen scheen buiten de zon ongenadig en waren we blij een koele kerk te kunnen binnengaan. Ik zoek tevergeefs naar de martelwerktuigen (van welke heilige ook alweer, waar heb ik dat in godsnaam toch gelezen?) en vind ze niet.

 

Aan de Piazza Sonnino kan ik niet weerstaan aan de drang om even de kerk daar, San Crisogono, binnen te wandelen. Niks speciaals, dunkt me (hoewel ook hier weer cosmatenwerk in de vloer) maar da's niet erg. Neem de bus naar Largo Argentina. Voor ik terugkeer naar de zusters duik ik toch nog Sant'Andrea del Valle binnen, met de tweede grootste koepel van Rome. Het is – niet verwonderlijk uiteraard – weer een typevoorbeeld van barok, maar deze kerk is wat mij betreft mooier, want lichter dan de Gesù.

Naar huis nu, vlug een douche en dan aan tafel. Morgen naar het Archivio. Hoe zal dat aflopen? Smakelijk en slaapwel, ook aan Pitje en de meisjes thuis, slechts twee uur vliegen van hier verwijderd maar uiteindelijk toch 1500 km ver. Tutto a posto a casa?


Ingresso Archivio. 
Lasciate ogne speranza, voi ch' intrate.

    Dag 3 (maa 27-02)

Vandaag de grote dag. Om zeven uur op, om kwart over zeven ontbijt (de zusters hebben het speciaal voor mij alleen moeten klaarzetten gezien het vroege uur) en dan te voet naar het Vaticaan waar ik veel te vroeg aanbeland op het Uffizio Permessi, het wachtlokaaltje waar ik mij onmiddellijk na het binnentreden door de Porta Sant'Anna moet aanmelden. De Zwitserse wachters zijn correct maar uitermate gereserveerd, op het hautaine af. 


Hun strenge, onbewogen blikken bezorgen mij bijna schuldgevoelens voor het feit dat ik het Vaticaanse grondgebied betreed. Hier kan noch mag gelachen worden, zoveel is duidelijk. De zwarte cape die ze dragen herinnert me in een flits aan wat ik las over het lijkkleed van Bérenger Saunière: rechtop gezeten in een stoel werd zijn lichaam tentoongesteld voor de rouwende dorpelingen van Rennes. De mensen passeerden de dode Bérenger, brachten hem een laatste groet en trokken dan telkens een kwast van het lijkkleed als een soort souvenir, of misschien zelfs als een talisman? Merkwaardig dat ook die cape van de Zwitserse Wacht aan de zijkanten dichtgeknoopt is met een vijftal mooie blauwe kwasten.

 

Ik krijg nu een voorlopig toegangspasje, geldig voor één dag, waarmee ik mij naar het archief

Het reglement. Pagina 1/2.
kan begeven. Wandel eerst voorbij het imponerende pauselijke paleis aan de linkerkant en de Tipografia Polyglotta Vaticana aan de rechterkant, moet door een poort waar ik opnieuw mijn pasje moet tonen en sta dan in de Cortile del Belvedere, een reusachtig binnenplein inclusief fontein dat dienst doet als parking en ingeklemd ligt tussen torenhoge, ietwat dreigend uitziende gebouwen. Ik meld me in de hal van het archief. Een secretaris nodigt mij uit in zijn bureautje en vraagt me naar mijn identiteit, het doel van mijn bezoek en eventuele geloofsbrieven, die ik hem meteen overhandig. Ze maken blijkbaar indruk want ik moet nu zonder verder commentaar links en rechts mijn naam invullen, een formulier ondertekenen en het reglement doorlezen, en ten slotte krijg ik een toegangskaart die exact één week geldig zal zijn.

Terug naar de inkomhal. Pasje inleveren, boekentas in bewaring geven, schrijfgerei meenemen, sleuteltje in ontvangst nemen, met de lift naar de tweede verdieping. Ik word verzocht even te wachten in een 'kleine' leeszaal, die volgepropt zit met prachtige boekbanden, en monster de andere bezoekers: jonge, knappe, ambitieuze geestelijken zitten hier te werken op hun draagbare computer terwijl oude, gebogen minderbroeders, als muilezels beladen met mappen of boeken, van zaal tot zaal voortsleffen. En dat decor: plafondschilderingen, antieke beelden in nissen, schilderijen tegen de muren. Verbluffend gewoon.


Na lang wachten komt de boodschap:
Non esiste.

En dan staat plots Monsignore C. bij mij, een Italiaan die perfect Frans spreekt. Wij maken kennis, ik leg hem het doel uit van mijn bezoek. Hij begeleidt me naar de zaal met wat ik gemakshalve maar de 'registers' zal noemen en legt me grondig uit hoe ik hier te werk moet gaan om documenten te vinden: een vrij ingewikkeld systeem van rubriceringen ('rubricelle') die verwijzen naar zogenaamde 'protocolli' (zeer grote en nauwelijks hanteerbare registers waarin elk binnengekomen document uitvoerig beschreven en samengevat wordt), en die leveren op hun beurt dan weer een nummer op waarmee de documenten uiteindelijk kunnen worden opgevraagd aan de balie van de leeszaal. Enige voorwaarde is dat je de naam kent van het diocees, het jaar en de maand – de naam van het diocees uiteraard in het Latijn, maar voor mij is dat gelukkig geen probleem: 'Carcassonne' is gewoon 'Carcassonnensis' (andere diocesen leveren op dit vlak wél problemen op maar er bestaat een register waarin je de Latijnse namen kan opzoeken). Monsignore C. heeft de allures van een universiteitsprof. De naam Saunière komt hem op één of andere manier bekend voor, en enkele seconden later herinnert hij zich een artikel uit L'Express van enkele maanden geleden dat ik natuurlijk toevallig niet ken. De verbaasde blikken waarmee de bibliotheekbedienden mij bekijken als ik met de Monsignore voorbijwandel verraden dat hij in het archief een groot gezag geniet.

 

Ik vorder gestaag (misschien té vlug?) in de rubricelle en de protocolli, noteer de nummers en vul de aanvraagbriefjes aan de balie in. Nee, ik mag er maar drie invullen: per dag krijgt elke aanvrager slechts drie bundels documenten – heb ik het reglement dan niet gelezen? Het is nu al één uur, u weet toch dat het archief sluit om twintig over één? Een opstoot van paniek doet mijn maag lichtjes samenkrimpen en ik zie vaag maar onafwendbaar het visioen van een via dolorosa doorheen deze bibliotheeklabyrinten opdoemen. Dit is blijkbaar de eerste statie. Ik heb verdraaid maar één week, of liever vijf werkdagen, de tijd om de kaap van dit godgeklaagde bureaucratische rigorisme te ronden. Dankzij een vlugge stempel van de 'prefetto' krijg ik echter ook deze namiddag toegang. Weer naar de balie. Hoe laat kunnen we weer aan de slag? Vanaf vier uur natuurlijk – heb ik het reglement dan niet gelezen? O.K. jongens, rustig, geen probleem. Ik weet al langer dan vandaag dat Italianen van nature erg ongeduldig kunnen zijn en hoe vaak ze elk gevoel van empathie missen, maar het is telkens opnieuw even wennen aan die vervelende karaktertrek.

 

Dan maar een wandeling. Eerst doorheen de Borgo richting Castel Sant'Angelo. Passeer een confectiezaak voor religieuzen: schaamteloos modieuze kleding, tot zelfs ondergoed voor de dames ligt tentoon in de etalage. Alles weliswaar heel kuis en louter functioneel. Alleen draagt het ondergoed de merknaam Sinner. De toegangsprijs voor de Engelenburcht valt mee maar ik ga niet naar binnen, ben bang teleurgesteld te worden. Hoewel, ik blijf twijfelen: die groteske versieringen zou ik toch ooit es willen zien. Steek dan maar de eeuwige Tiber over, zoek en vind een gezellige bar waar ik een kleinigheid eet en staande een beetje lees. Dan terug naar Piazza San Pietro waar ik ga zitten aan de voet van een zuil van de colonnade. Vervloekte Saunière!


Bérenger Saunière (1852-1917)

Plots herinner ik mij de scavi bij het graf van Petrus. Aan de kant van de aula van Paulus VI mag ik van twee alweer even norse Zwitsers terug Vaticaanstad binnen en doe in het bureau van de opgravingen een schriftelijke aanvraag voor een bezoek. Ook hier geeft het personeel blijk van stuursheid, er wordt met nauwelijks verholen tegenzin geantwoord op vragen alsof alles voor iedereen zomaar evident zou moeten zijn. Een groet of een glimlach kan er niet af. Enfin, ik heb het begrepen, ze zullen me telefoneren indien ik nog mee kan met een groep binnen de door mij opgegeven termijn. Uit pure wraak voor zoveel vriendelijkheid wandel ik met opgeheven hoofd het Campo Santo Teutonico binnen, onder de wantrouwige blikken van enkele Zwitsers en politie-agenten die wat verderop patrouilleren. Maar dit is géén Vaticaans, wél Duits grondgebied. Men is gewoon verplicht mij hier toegang te verlenen zoals aan iedereen die een Duitse, Belgische of Nederlandse identiteitskaart of dito paspoort kan voorleggen – Teutoons dus, godbetert. In dit stemmige, zeer stille kerkhof dat door hoge muren en een gebouw (een Duits instituut) wordt ingesloten kom ik tot rust. Een in marmer gegraveerde tekst herinnert aan het feit dat zich precies op deze plaats, vlak naast de basiliek, het circus van Nero bevond en dat Petrus hier samen met andere christenen ter dood werd gebracht. Nu sta ik dus midden in dat circus. En ik fantaseer er even met pek ingesmeerde christenen bij die soms voor Nero dienst deden als tuinverlichting tijdens één of andere BBQ. Het vierkante binnenpleintje is verdeeld in vier verhoogde segmenten waarop zich de graven bevinden en waarrond en waartussen je kan wandelen via een dieper gelegen padje. De vreedzaamheid van deze plek en de poezen die in de zonnige hoekjes liggen te soezen verzoenen mij met de minder prettige aspecten van het Italiaanse en vooral het Zwitserse karakter. Vraag mij trouwens af of die Zwitsers überhaupt wel enige plezierige kantjes zouden kúnnen hebben, die kampioenen van gedesinfecteerde bankkluizen, onverwoestbare horloges, angstaanjagende gletsjers, verschrikkelijk vlekkeloze chalets en walgelijk riekende kaasfondues. Ik concludeer dat ik zulks alleen maar ten stelligste kan betwijfelen.

 

Terug naar het archief. Mijn pasje opent probleemloos alle goed bewaakte poorten. Ik stel echter vast dat men verkeerde bundels documenten voor mij heeft klaargelegd en in de namiddag worden geen stukken meer uit de magazijnen opgehaald. Paniek, andermaal. Het bezoekersaantal blijkt gehalveerd en er zit nog slechts één bediende in de leeszaal, een kleine oudere man met getaande huid en spierwit haar. Maar hij blijkt uitermate bezorgd en behulpzaam, hij merkt mijn ontreddering en vraagt wat er scheelt. Rustig maar, zegt hij, we zoeken de juiste nummers van je documenten op in speciale registers die wij hier in een al even speciale kast bewaren. 

Notities, één blad van de vele.

Prachtig! Uiteindelijk valt alles in de plooi; op de koop toe neemt hij de verkeerde bundels onder de arm, loopt ermee naar de magazijnen en komt een tiental minuutjes later weer te voorschijn met de juiste. Ik zou hem kunnen zoenen, dit is werkelijk de zonnigste kant van Italië die weer, van achter het hautaine ongeduld, tevoorschijn komt.

En ik vind nu inderdaad ook wel wat: bepaalde brieven die handelen over de bisschop van Saunière en zelfs van en over de priester die als zijn advocaat is opgetreden, een zekere Huguet, maar niks wat rechtstreeks op hemzelf betrekking heeft. Jammer, maar niet zo erg want ik voel dat ik op het goede spoor zit – al ben ik ondertussen al zo vertrouwd met het systeem en de verwijzingen dat ik begin te vermoeden dat de documenten zich in een ander fonds bevinden en dus mogelijk ook op een andere locatie. Zal morgen hulp moeten inroepen: hoe geraak ik in godsnaam aan de stukken van die en die bepaalde 'Congrégation', waar bevinden die fondsen zich? We zien wel. Hoop ik toch.

 

Te voet terug naar de zusters, ongeveer twintig minuten. Ik passeer zoals elke dag het restaurant Giardinaccio, waar we twee jaar geleden met enkele vrienden kwamen dineren. Maar ik heb tijdens deze drie dagen nog steeds geen licht of enige beweging gezien in het restaurant. Serieuze klim langs de muren, en dan kom ik weer op de Aurelia. Heb grote honger. Vlug een douche, dan avondmaal en onmiddellijk in bed. Morgen vroeg eruit. En ik zou nog zó veel willen zien in Rome, wanneer moet ik dat allemaal doen? Slaapwel, vrouw en kinderen ginds in het natte, koude, nuchtere noorden. Ik zou liever nog veel langer hier blijven, maar dan samen met jullie. Ik kan het rustig zeggen omdat ik weet dat zulks ook voor jullie weinig, zoniet géén problemen zou opleveren.

 

    Dag 4 (din 28-02)

Vanmorgen weer vroeg opgestaan, omstreeks kwart over zeven. Als ik beneden kom, blijken de zusters nog in hun kapel te zijn voor een ochtenddienst. Wil hen zeker daar niet storen. Rond kwart over acht verlaat ik het huis, om twintig voor negen al sta ik in het Archivio: bussen zat, en ze zijn erg snel. Ik snuffel nog wat doorheen de bundels met documenten en tref ook een en ander interessants aan, maar vind opnieuw niks van of over Bérenger zelf. Hoe ook, de geschiedenis van de Kerk in Frankrijk rond de eeuwwisseling is op z'n minst erg bewogen te noemen, zoveel wordt duidelijk uit de stukken. Eén gedrukte pauselijke brief aan de Franse bisschoppen lijkt me zeer de moeite voor het tijdskader.

Ik vraag om wat fotokopies te maken. Geen probleem: een aanvraagformulier invullen, de
kopies worden naar België gestuurd en ik betaal achteraf. Opnieuw bekruipt mij het gevoel dat ik de bedienden hier met al mijn vragen en verzoeken lastig val. Hun reacties zijn niet écht onvriendelijk te noemen maar op z'n minst koeltjes en volstrekt ongeïnteresseerd, nauwelijks behulpzaam. Het is toch onmogelijk om al de geplogenheden na twee bezoeken onder de knie te hebben? Bibliotheken zijn blijkbaar overal hetzelfde.

 

Het enige wat ik nu kan doen is pater A. opbellen en hem de stand van zaken meedelen, wat ik ook doe omstreeks kwart na elf. Hij verwacht me onmiddellijk in zijn bureau, gevestigd in een palazzo in Trastevere (leuk toeval dat ik precies daar terug heen moet); ik moet een bus nemen vanop Risorgimento tot aan de Ponte Sisto en dan Trastevere induiken. Terwijl ik op Risorgimento op de bus sta te wachten word ik – onvermijdelijk? – aangeklampt door een kleine groep zigeunervrouwtjes. Altijd diezelfde mini-mensjes met hun progenituur bungelend aan borsten, buiken en kleren; altijd diezelfde smachtende, miserabilistische blikken die helaas even steevast compleet onbetrouwbaar blijken te zijn. Eentje vraagt mij hoe laat het is, hoewel ik een paar minuten geleden toevallig zelf een enorme straatklok had opgemerkt die hier ergens tegen een gevel hangt. Zet een norse blik op, zeg haar vlug het uur terwijl ik haar kroost met het andere oog voortdurend in de gaten hou, en doe een paar passen achteruit. Ze druipen af. Een oudere Romeinse dame – zoals alle oudere Romeinse dames geraffineerd gekleed, geschminkt en geparfumeerd – komt naar me toe en waarschuwt mij voor de grijpgrage handen van dit opdringerige volkje. Ik antwoord haar dat het niet de eerste keer is, dat ik dit soort contacten uit eigen ervaring ken, dat het jammer is voor de stad en vooral voor die duizenden argeloze toeristen en meer van die clichématige flauwekul. Zij beaamt gretig, doet er nog een paar schepjes bovenop. Ze wenst me verder nog een prettige dag toe en uiteindelijk stappen we samen op dezelfde bus. Plezierig contact met deze bezorgde Romeinse dame, dat wel, maar het gênante incident stemt me onbehaaglijk en zelfs wrevelig.

 

Ik vind makkelijk het bewuste palazzo in de buurt van Santa Maria: "un édifice de style mussolinien", zoals pater A. het noemde, en het is eraan te zien ook. Rond twaalf uur ben ik er al: imposant, kubusachtig, koel, streng. A. komt me oppikken in het wachtzaaltje, we wandelen samen naar zijn bureau door kraaknette, weidse gangen van spiegelend marmer. De vriendelijke pater schrijft nu onmiddellijk een aanbevelingsbriefje voor het nieuwe archief waar ik moet zijn en belt meteen een bevriende priester die daar werkt. Die verwacht mij vandaag nog op de 'Congrégation', om vijf uur deze namiddag, vanaf dan wordt er opnieuw gewerkt. Neem dankbaar afscheid van pater A. en beloof hem nog voor mijn vertrek ten minste te telefoneren, al was het maar om hem op de hoogte te houden.

 

Ben dus een vijftal uurtjes vrij. Wandel wat rond in Trastevere, op goed geluk: een inderdaad bijzondere, heerlijke wijk. Ga opnieuw Santa Maria binnen – prachtig gewoon, telkens weer – en vind nu eindelijk toevallig de marteltuigen (of althans iets wat daarop lijkt, denk ik toch) tegen de muur in de rechterbeuk, bijna bij het koor. De mozaïeken zijn werkelijk schitterend, de sacristie blijkt eveneens interessant. Alleen het labyrint blijft onvindbaar. Naar het Tibereilandje, waar ik een bar binnenstap. Prima: veel Romeins lawaai, zo hoort het. Niemand stoort zich aan mijn aanwezigheid. Wij Romeinen... Aan de andere oever van de Tiber, die snel en zelfs met de allures van een stormachtige bergrivier onder de brug doorstroomt, loop ik direct naar de synagoge, die op dit uur helaas al gesloten blijkt; maar ik kan zonder probleem vanaf 16 u. terugkomen. Via het ghetto – er zijn nogal wat duidelijk pro-Israëlische graffiti te zien op de muren – beland ik andermaal op het pleintje dat ik voor geen geld ter wereld zou willen missen: Piazza Mattei. Zoveel jaren geleden hier ook met Pitje geweest en het is nog altijd even romantisch, knus, mooi, een beetje duister en ingesloten, maar ook beschut door de hoge huizen als in een liefdevolle beschermende geste voor de fragiele fonteinsculpturen. Het fonteintje met de knaapjes en schildpadjes is een droom, hoewel ze dringend gereinigd zouden mogen worden; de mosbegroeiing neemt schrikwekkende afmetingen aan en bedekt bijna volledig de figuren.

Van hier naar de Via del Sudario, aan de Largo Argentina. Een regelrechte ontdekking hier: de Chiesa dei Fiamminghi of de kerk van de heilige Julianus. Een kaartje op de deur vertelt me dat dit de titelkerk is van onze splinternieuwe kardinaal Jan Schotte. Pech alleen dat die deur gesloten lijkt, hoewel ik door de hoog aangebrachte ramen fel licht zie branden in het kerkinterieur. Toevallig gaat een oude Romein net het huis ernaast binnen. Hij ziet me staan, vraagt vriendelijk wat er aan de hand is en raadt me aan de deur van het kerkje gewoon open te duwen, binnen zijn werklieden bezig met restauratiewerken (wat meteen het felle licht in de kerk verklaart). Maar al even toevallig verschijnt op dat zelfde moment een tweede oudere heer, die de directeur blijkt te zijn van de Fondazione die zich om dit kerkje bekommert. Ik zeg hem dat ik een Vlaming ben, waarop hij mij onmiddellijk glimlachend mee naar binnen troont: een kleine cirkelvormige, ietwat overdadig versierde ruimte met tegen de wanden grafstenen van Belgische edelen (een De Mérode bijvoorbeeld) en een Brugse kunstschilder. De woorden 'Flandriae' en 'Belgarum' die hier overal, zowel tegen de buitengevel als aan de binnenmuren, te vinden zijn, vervullen mij met trots en met, nogmaals, de stellige zekerheid dat Rome voor mij gewoon een tweede thuis is. Ook even een bezoekje aan een piepkleine cortile, jammer genoeg ligt hij nu vol materiaal voor de restauratie. Ja, ik heb koning Boudewijn hier ooit nog ontmoet, vertelt de directeur van de Fondazione mij. Door deze onverwachte ontdekkingen en persoonlijke contacten wordt Rome interessanter, vertrouwder ook.

Steek de Corso over en bereik de Santa Maria sopra Minerva, een kerk die ik totnogtoe slechts één keer, en dan nog vluchtig én alleen aan de buitenzijde, heb gezien. Potdicht natuurlijk. Maar ik bekijk nu aandachtig de waterpeilmarkeringen van diverse overstromingen tegen de gevel. En dag gezegd aan dat merkwaardige olifantje van Bernini. Ik lees ook eindelijk de volledige tekst op de sokkel. Kan daarna niet omheen het Pantheon. De piazza ervóór ziet zwart van de toeristen, precies het soort carnaveleske troepen die ik vooral in deze stad eindelijk eens zou willen ontwijken. Zulke massa's zijn echter helaas onontkoombaar, zeker hier. Wat is dat Pantheon mooi, indrukwekkend, waardig en streng, maar toch op een bepaalde manier uitnodigend. Even binnenwippen. Een aantal tombes staan in de steigers, maar ik loop gedecideerd naar Victor Emmanuel II en Rafaël, die ik beiden gehaast groet. En dan, al even onvermijdelijk, naar Navona. Als ik vanuit het smalle zijstraatje – altijd hetzelfde – het plein betreed, heb ik opnieuw de indruk een theaterruimte te betreden. Andermaal heerlijk, en de zon schijnt. Teveel groepen vreemde jongeren ontsieren het plein (Duitse en Spaanse schoolkinderen, denk ik), zoals dat bijna altijd het geval is, maar dit keer worden ze in aantal ruimschoots overtroffen door de aanwezige Romeinen met hun kinderen. Ze bereiden een carnavalstoet voor die over een kwartiertje rond het plein zal defileren. Er zijn musicerende steltlopers, ruiters in historische kostumering, er wordt gezongen, gelachen, gedanst, gek gedaan, confetti gestrooid. Blijf hier zowat drie kwartier plakken. En Sant'Agnese bewaart ook vandaag voor mij haar inwendige geheimen: we zijn er nog nooit, maar dan ook nooit in geslaagd zelfs maar een blik in het interieur te werpen. Een Romein vertelt me dat de kerk nog maar zelden open gaat. Héél jammer. Zal ik deze kerk dan nooit kunnen bezoeken? Dan maar Pasquino groeten. Hij staat er nog altijd, maar verweerder dan ooit; en die afschuwelijke graffiti rondom. Via de Parione-wijk en de Corso beland ik weer in de Via della Conciliazione en uiteindelijk in de schoot van onze Moeder de Heilige Kerk. Alle wegen leiden, etcetera.

 

Op de ‘Congregation’ word ik ontvangen door een erg jonge, zeer vriendelijke priester, maar... ik moet morgen terugkeren voor de definitieve permesso. Hij zal ondertussen de

secretaris op de hoogte brengen en hem mijn aanbevelingsbrief bezorgen. Nog even geduld dus. Lichte kramp in de maag. Stap dan maar opnieuw Sint-Pieter binnen; de kerk begint vertrouwd te worden, de ruimte krijgt ondanks haar onvoorstelbare majestatische monumentaliteit zelfs menselijke dimensies.

Te voet terug naar de zusters. Heb alvast, tegenover Giardinaccio, als aperitief een wijntje gekocht in een 'Olio e vini'. Ik kan moeilijk uitdrukken hoe gelukkig Rome mij maakt. Tot morgen, bacio a tutti.

 

    Dag 5 (woe 01-03)

's Morgens gehaast naar het archief in kwestie voor een onderhoud met de secretaris én, hopelijk, een toestemming om de archieven te doorsnuffelen. Nu wordt het toch spannend, heb nog welgeteld drie dagen. Op minder dan twintig minuten bereik ik het Sint-Pietersplein. De jonge priester meldt mij echter dat de secretaris nog steeds niet is teruggekeerd uit het buitenland, hij wordt deze voormiddag verwacht; het beste wat ik kan doen is terugkeren naar de zusters, hij zal mij bellen. Terug dus naar mijn zusters, die ik op de hoogte breng van de mogelijke telefoon. Ik wacht op mijn kamer van ongeveer halftien tot twee uur 's namiddags. Gelukkig heb ik enkele boeken bij me, die ik probeer door te lezen hoewel de zenuwen me danig parten spelen.

 

Terwijl ik uiteindelijk gedurende een half uurtje naar buiten ga om in een bar een hapje te eten, loopt de telefoon van de 'Congrégation' binnen: morgenvroeg moet ik mij om negen uur aanmelden, de secretaris is al op de hoogte van de zaak. Eindelijk! Het is halfdrie. Ik kan maar het beste opnieuw Rome gaan verkennen maar dan wel na een uurtje siësta, alles is nu toch gesloten en ik ben moe en versuft van het nietsdoen. En ik wil nu eindelijk beslist Santa Maria sopra Minerva zien. Bus tot op de Corso, stap af vóór Largo Argentina. Wandel van hier naar het Palazzo Farnese en bezoek op een hoekje van het plein de kerk van de heilige Brigida. De Scandinavische zusters die aan deze kerk en dit klooster verbonden zijn dragen een wel erg vreemd hoofddeksel: bovenop de hoofddoek twee gekruiste witte banden over het hoofd, die herinneren aan een soort valhelm voor wielrenners. Ik kom het kerkje binnen net op het moment van het lof. Op het altaar staat het Heilig Sacrament opgesteld; vooraan staat onbeweeglijk een zuster die, met de rug naar het volk, met gestrekte armen een kruisbeeld hoog opgeheven houdt zolang er gebeden en gezongen wordt.

 

Van hieruit naar Campo dei Fiori. Vind nagenoeg alle belangrijke historische figuren terug in de medaillons op de sokkel van Bruno's beeld, behalve natuurlijk Erasmus. Zit die er wel tussen? Ik geef de schuld maar aan die enkele sukkelaars van clochards die tegen het beeld liggen te slapen. De laatste sporen van de markt worden opgeruimd; er staan alleen nog heel wat bloemen uitgestald en die verspreiden een heerlijke geur over het plein. Op Argentina zoek ik even het huis van Burckhardt (waar toch?), struikel hier bijna alweer over enkele zwervers, steek de Corso over en bereik Piazza Minerva waar de kerkdeuren... geopend blijken te zijn. Prachtige, liggende grafsteen van Fra Angelico en een niet zo indrukwekkend, integendeel veeleer ontgoochelend Christusbeeld van Michelangelo. Weer veel poezen in de schaarse resten van de thermen van Agrippa ("niet interessant", zegt Egeraat, één van de allerbeste gidsen voor Rome maar vaak zo typisch hautain en arrogant 'Hollands'). Veel volk ook op het plein. Via het Pantheon naar Sant'Ignazio. Ondanks het evidente barokkarakter van de kerk is ze toch mooi, lichter dan de Gesù alleszins én de plafondschildering is knap – maar vermoeiend voor de nekspieren. Even stil vóór het monumentale graf van Sint-Jan Berchmans, onder wiens hoede ik twaalf jaar heb gestudeerd. Aan een suppoost vraag ik of ik het kamertje van Sint-Jan kan bezoeken. Ja, geen probleem, maar niet op dit uur van de dag, het wordt stilaan donker en er is iets mis met de elektriciteit daarboven. Het oude ventje geeft me nog een hele uitleg over de optische illusies van de schilderingen, de plaatsen waar ik moet staan of niet staan. Hij is fier op zijn kerk. En hij windt zich waarachtig op over het feit dat iedereen altijd maar kijkt naar die koepelschildering waar geen koepel is, terwijl niemand aandacht schenkt aan de échte koepels die de zijbeuken bekronen.

Loop voorbij de tempel van Hadrianus en Piazza Colonna, steek de Via del Corso over en beland onmiddellijk in de Via dei Crociferi. Waar is de tijd dat ik hier met Pitje logeerde bij die aristocratische oude Duitstalige dame met haar exclusieve pensionnetje waar de grote, internationaal vermaarde cultuurhistoricus Gustav René Hocke geregeld verbleef? (Hocke belde mij hier trouwens op een avond op en de volgende dag bezocht ik hem in zijn schitterende villa in Genzano. Ik herinner mij zijn Japanse tuin, de authentieke Etruskische beelden, de Duitse journaliste die net klaar was met haar interview voor Stern, de nummers van het Nieuw Vlaams Tijdschrift in zijn boekenkast en zijn telefoongesprek met zijn vriendin Luise Rinser, die in de buurt woonde in Rocca di Papa. En die keer dat ik, o.m. in het gezelschap van Henri-Floris Jespers, samen met hem in Antwerpen in café Nord op de Grote Markt een kopje koffie mocht drinken. Hij is ondertussen al lang overleden.) Ik zoek en zoek en zoek, maar vind het huis met het pension niet meer terug. Zou Pitje daar wél in slagen?

Het kleine, stemmige straatje uit en ik sta vóór de Fontana di Trevi. Ze ziet er schitterender en stralender uit dan ooit, zacht verlicht in haar gerestaureerde pracht. Deze plaats werkt terecht als een magneet. Het pleintje staat weer afgeladen vol, de bezoekers doen weer even druk en zot. Hoe komt dat toch? Ook het restaurantje waar ik twintig jaar geleden steevast elke avond met Pitje ging eten, rechts van de fontein, is ondertussen verdwenen. Ik zou de kelner, die 's avond ter begroeting van de klanten aan de deur geposteerd stond, nog uit een massa mensen herkennen. Dan maar vlug even de Santi Vincenzo e Anastasio binnen, het kerkje van Mazarin. Geen spoor echter van pauselijke ingewanden, hoe ik ook zoek. 

 

Stilaan terug naar huis nu. Eerst even de Rinascente binnen. Jammer dat je hier alleen maar kleding vindt en mode-accessoires, ze interesseren mij niet erg. Vóór de ingang van het parlement is een rustige betoging aan de gang, ze heeft iets te maken met vakbonden. Via een labyrint van kleine straatjes, waar alleen Rome het geheim en de charme van kent, bereik ik opnieuw de Corso waar ik in een grote bar een doos 'baci' koop voor Pitje. Te voet verder naar Sint-Pieter. De winkel waar ik moet zijn, vlakbij de colonnade, is tot mijn verbazing gesloten. Op de deur de oplossing: deze zaak is de hele dag zonder onderbreking open van 9 tot 18 u., vandaar. Om de hoek vind ik echter alvast iets voor de kinderen. En nog iets verder: een fles wijn. Vlug naar de bus. Zit erin geplet als een sardientje, ik kan nauwelijk adem halen. Geraak toch tot bij de zusters, doodmoe, geradbraakt, hongerig, dorstig. Na het avondmaal loop ik even binnen bij de paters aan de overkant en doe een plezierige babbel met pater C.

Buona notte, mia carissima città, Roma grandissima. Roma pazza.

 

    Dag 6 (don 02-03)

Om halfacht uit bed (heb een reiswekkertje, maar laat me uit veiligheidsoverwegingen elke morgen ook door een zuster wakker telefoneren), rond acht uur ontbijt en om halfnegen de deur uit. Het regent nu serieus. Stipt om negen uur zit ik opnieuw in één van de wachtzaaltjes van de 'Congrégation'. Dezelfde jonge priester komt me zoals steeds stralend begroeten en vraagt me even te wachten. Wat ik graag doe: tot ongeveer twintig voor elf. Eindelijk mag ik dan toch de 'rubricelle' en de 'protocolli' onderzoeken. De priester brengt me naar het kamertje met de registers, opnieuw doorheen weidse, koele, marmeren gangen. 'Un édifice de style mussolinien'. Jawel.

 

Vanaf het eerste volume met 'rubricelle' is het al bingo! De naam 'Saunière' staat er inderdaad zwart op wit in een sierlijk handschrift. Ik zoek koortsachtig voort. Alweer een voltreffer, en nog wel een brief van Bérenger himself dit keer. Onvoorstelbaar. Dit moet de brief zijn waarover in bepaalde publicaties geschreven wordt, wel degelijk terecht dus. De verdere jaren, de periode 1912-1917, leveren niks meer op. Geen probleem, ik ben eigenlijk naar Rome gekomen alleen maar voor de twee documenten die ik hier in extremis toch alvast gerubriceerd heb gevonden. Morgen kom ik terug om de stukken op te vragen, te lezen en indien mogelijk te fotokopiëren. Als dat niet mag, schrijf ik ze volledig over. Mijn handen zijn helemaal pikzwart van het stof der jaren op en in de registers. De jonge priester, die omstreeks één uur een kijkje komt nemen, verwijst me voor een opfrisbeurt naar een bagno. En wat voor één! Fascistische toiletten werden blijkbaar, zoals de rest van het gebouw, erg ruim bemeten. Nood aan Scheissraum?

Om halftwee verlaat ik in een opperbeste stemming het archief en ga wat zitten nagenieten van mijn met succes beloonde (in-) spanningen op een bank tegen de muur op Piazza San Pietro. Vlak vóór mij staat een kleine witte Fiat geparkeerd die ik gisteren toevallig ook al had opgemerkt omdat enkele agenten van de Polizia Municipale er nogal wat belangstelling voor hadden. Tegen de voor- en achterruit zijn grote kartonnen borden gekleefd met de tekst "Sciopero di fame per licenziamento ingiusto del Vaticano". De protesterende man ligt inderdaad in een deken gewikkeld in de auto te slapen. Hoelang zal hij dit kunnen volhouden? Plots stappen twee priesters voorbij, arm in arm. Italianen. Mijn eerste reactie gaat in de richting van een verbaasd "On aura tout vu", maar ik besef direct dat zo'n uitspraak blijk geeft van bekrompenheid. Zoiets 'mot kunne' natuurlijk, al probeer ik mij niet zonder enige geamuseerde moeite onze eigen paters en priesters voor te stellen tijdens gelijkaardige passeggiata's.

 

Te voet terug naar de zusters en weer voorbij Giardinaccio, waar nog steeds geen teken van leven te bespeuren valt. Vlak vóór ik mijn logement bereik, stap ik even de bar binnen die ik al enkele keren bezocht heb voor een vlugge hap en een slok. Ze beginnen mij te kennen hier, bejegenen mij vriendelijk, de kassier knikt nu al wanneer ik binnenkom. De barman zegt me zelfs dat ik op één van de barkrukjes tegen de muur mag gaan zitten. Ben wel wat moe maar ik doe het niet, ik verkies hem te observeren terwijl hij met razendsnelle en elegante bewegingen de gebruikelijke rituelen uitvoert met en rond zijn espresso-machine. Een hele show. Het is nu kwart over drie. Straks op zoek naar kaas. Misschien daarna nog even de stad in? Heb een klein uurtje met gesloten ogen op bed wat gesoesd.

 

Rond kwart over vier stap ik de deur uit, in de gietende regen, had zelfs niet gemerkt dat het zó erg was. De instructies van pater C. indachtig wandel ik de Via Aurelia nu in noordelijke richting op, op zoek naar de salumeria. De Aurelia is ontzettend druk, op de voetpaden – of wat daarvoor moet doorgaan – kan je niet lopen wegens de geparkeerde auto's en op het asfalt doen de voorbijrazende wagens het water hoog opspatten. Als ik op de aangeduide plaats aankom, aan het kapelletje van de Madonna del Riposo, blijken alle winkels dicht. Ik vraag aan een jongedame waar ik een zuivelwinkel vind. Tja, alle alimentari's zijn gesloten op donderdnamiddag, maar als ik wil mag ik met haar onder de paraplu verder meelopen, ze zal mij naar de Standa brengen en daar vind ik beslist alles wat ik nodig heb. Aan zo'n uitnodiging kan ik moeilijk weerstaan: samen met een knappe Romeinse onder één paraplu gaan winkelen. Ik vertel haar wie ik ben, waar ik logeer en wat ik in Rome kom zoeken; zij blijkt kunstgeschiedenis te studeren aan de universiteit. We zijn direct goeie maatjes. Bij het afscheid aan de Standa krijg ik zelfs een hand toegestoken. De winkelbediende aan de indrukwekkende kaasafdeling bekijkt mij ietwat verbaasd als ik hem een kilo Parmiggiano-Reggiano vraag. Waarschijnlijk zie ik er ook allesbehalve degelijk uit, veeleer als een soort doorgeregende schooier. Als ik weer buiten kom, moet ik plotseling zeer dringend plassen. Paniek, want Rome is een erg plas-onvriendelijke stad, er zijn slechts heel weinig openbare toiletten te vinden. Termini buiten beschouwing gelaten, ken ik alleen vluchtplaatsen aan Piazza San Pietro, Piazza Sonnino en Piazza di Spagna, en die liggen nu niet altijd direct in de buurt waar je wandelt. Ik doe het tegen mijn zin maar posteer mij noodgedwongen tegen één van de haagjes – het enige groen hier in de buurt – die de parkeerterreinen van de Standa afbakenen. Relatief intiem. Tot naast mij plotseling van tussen de auto's een vrouwelijke zwerver opduikt die tussen en in de vuilnisbakken de afvalresten op de parking doorzoekt. In Rome ben je nooit alleen, nergens.

 

Neem vlug de bus terug naar de zusters, ben er gelukkig op tien minuten. Kletsnat, vooral mijn schoenen. Ik kom niet meer buiten vandaag, zulk weer is zelfs in Rome ongenietbaar. Een lange douche dan maar en dan aan tafel. Al mijn boodschappen zijn in orde en morgen wordt een onvergetelijke dag: een mijlpaal in de (cultuur-) geschiedenis, met schitterende documenten die niemand ooit te zien kreeg en die eindelijk jarenlange hardnekkige mystificaties en mysteries zullen ophelderen; een historische dag die muzikaal zal worden opgeluisterd door ronkende fotokopieertoestellen en geritmeerd door behulpzame en glimlachende archiefbedienden. Het kan allemaal niet meer stuk. Voor ik ga slapen noteer ik voor een vriend volgende spreuk die in grote letters tegen een muur van mijn hotelletje hangt: Toda perfeccion y santitad esta basada en la humildad. De spreuk is niet voor hem persoonlijk bedoeld; hij zal mij wel begrijpen. Buona notte a tutti! Ciao! Ik mis mijn dochters, en vooral Pitje tegen wie ik nu in bed mijn verkleumde lijf zou willen warmen. Heel zachtjes, en met niks anders dan zo'n slipje van Sinner om het lijf.

 

    Dag 7 (vrij 03-03)

Wakker getelefoneerd om zeven uur, om halfacht ontbijt. Vlug nu! Voor ik naar buiten stap het weer gecontroleerd: stralend vandaag. Heb ik alle nodige papieren en informatie bij me? Denk nu voortdurend aan Pitje en de kids; ik heb op korte tijd zo veel gezien en beleefd dat ik hun dringend moet vertellen. Merk nu ook toevallig dat de asbak op het bureautje in mijn kamer de naam 'Fides' draagt. Toepasselijk, dunkt me, maar het blijkt reclame voor huishoudtoestellen.

Boekentasje onder de arm, en hop, te voet terug naar het Vaticaan. Het Sint-Pietersplein en de basiliek zijn op deze dag en op dit vroege uur indrukwekkender dan ooit. Haast nog geen volk te zien, de verkopers van prullaria staan in stand-by samen nog wat te kletsen, de fonteinen spuiten uit puur auto-erotisch genot alleen maar voor zichzelf, de zacht-bruinroze gevel van de basiliek staat scherp afgetekend tegen een staalblauwe hemel. De aanblik van deze monumentale schoonheid, van deze 'rots' die tenslotte al twee millennia aanspraak maakt op eeuwigheidswaarde, doet mij huiveren. Voel mij tegenover zoveel waardige en trotse geladenheid van religieuze, filosofische, historische, politieke, sociale en kunsthistorische aard zo nietig en klein, dat ik onwillekeurig een traantje wegpink. Als in een automatische reflex wordt mijn blik weer aangezogen door de appartementen van de paus, deze vreemde, ongrijpbare gevangene van het Vaticaan die voor miljoenen mensen een zichtbare hoop en toekomst betekent. Enkele dagen geleden zag ik hem op Largo Argentina voorbijrijden, een drietal jaren geleden stond ik toevallig op zowat twee meter afstand van hem verwijderd terwijl hij de hoofden van mijn twee kinderen in zijn handen nam, een praatje met hen begon en beiden een kruisje gaf tijdens een audiëntie in de aula van Paulus VI. Laten we hopen dat dit kruisje (zoals mijn moeder er mij gaf tot de laatste dag dat ik thuis woonde) hen de rest van hun leven zal beschermen, ook als Pitje en ik er niet meer zijn?

 

Exact om halfnegen meld ik mij bij de portier van de Congregatie. Geen probleem, hij kent mij al. Aangezien ik blijkbaar als eerste gearriveerd ben, krijg ik zelfs zonder meer de sleutel van de archief-, of beter de 'registerkamer'. Omstreeks negen uur komt de jonge priester mij groeten: hij zal de documenten nu uit het magazijn gaan ophalen. Even later komt hij terug met een indrukwekkende stapel bundels vol ingenaaide documenten, de mouwen opgestroopt en de handen zwart van het stof. Koortsachtig zoeken nu naar de bundels met de juiste, de belangrijkste jaren. Nee toch, ze ontbreken! Onmogelijk. De jaren 1910 en 1911 bevinden zich dus toch in het Archivio Segreto? Het zweet druppelt van mijn voorhoofd op de tafel, ik voel zó de hoofdpijn van achter in mijn schedel stilaan opstijgen en naar voren kruipen. Rustig blijven, in godsnaam, hoewel ik gehaast en eigenlijk niet meer zo geïnteresseerd de resterende jaren doorneem. De documenten van het bisdom Carcassonne die ik nog met veel moeite vind, blijken niet meer belangrijk. Een vriendelijke Italiaanse heer, die ik als 'padre' had aangesproken maar die geen priester blijkt te zijn, werkt in hetzelfde kamertje als ik. Nu hij mijn paniek en ontgoocheling heeft opgemerkt, helpt hij mij bij het opzoeken van de Carcassonne-stukken in de diverse bundels. Hij blijkt professore C. te heten, is gespecialiseerd in kerkgeschiedenis en prof aan de universiteit van Salerno. Hij is ook erg geïnteresseerd in het bibliotheek- en archiefwezen en in archiveringsmethoden. Maar nu raakt hij zelf nauwelijks nog wijs uit de manier waarop in sommige bundels de documenten geclassificeerd zijn. De jonge priester is zoals steeds van een beminnelijke vriendelijkheid en hulpvaardigheid. Hopelijk breng ik hem niet al te zeer in verlegenheid, want hij moet zich altijd zo haasten.

 

Rond twintig over tien stap ik opnieuw de leeszaal van het Archivio Segreto binnen en met beverige handen vul ik de aanvraagformuliertjes in die mij uiteindelijk, eindelijk, die enkele documenten van en over Saunière zullen opleveren. Moet echter nog veertig minuten wachten, want de ophaling uit de magazijnen gebeurt slechts om en op het uur. Maak dan ondertussen maar een wandelingetje in de cortile vlak naast het Archivio, waar men toevallig bezig is een jonge palmboom in een reuzengrote terracotta bloempot te planten. Heel wat studenten en onderzoekers komen in deze cortile even verpozen met een sigaret of gaan een kop koffie drinken in de nabijgelegen bar. Twintig over elf. Mijn bundels worden gebracht. Hevige transpiratie, weer af en toe stekende hoofdpijn. Maak de touwtjes los, begin te bladeren. Na dubbele controle, na tweemaal de volledige bundel doorgebladerd te hebben blijkt dat de begeerde documenten er niet, niet, niet inzitten.

 

Via crucis, laatste statie. Hoe kan dat nu? Ik heb mij nog nooit zo hulpeloos, zo ontmoedigd, zo eenzaam gevoeld als nu. Ik voel dat ik moet huilen, maar beheers me. De bibliotheekbedienden lijken mij monsterachtiger en wreder dan ze ooit zouden kunnen zijn en krijgen de trekken van de diabolische muzikanten uit Der Tod in Venedig. Uit pure wanhoop laat ik één van de medewerkers Monsignore C. opbellen. Hij komt naar mij toe en nadat ik hem de zaak heb uitgelegd is hij zichtbaar zélf onder de indruk van deze mislukking. Hij legt mij nu geduldig en helder uit wat er fout gelopen kan zijn, met welke problemen het archief te kampen heeft, waar de documenten zich eventueel zouden kunnen bevinden – maar, omdat het wellicht gaat om het archief van het Heilig Officie, dan wel zonder meer ontoegankelijk – en dergelijke zaken. Maar ook, bijna achteloos en ietwat monkelend: dat er, gezien de afwezigheid van de documenten op deze locatie, duidelijk ‘andere machten' in het spel zijn waarop zijn invloed of autoriteit nu eenmaal ontoereikend is. Zijn verklaringen en veronderstellingen monteren mij helemaal niet op maar brengen mij wel enigszins tot rust, tot berusting ook. Ten slotte raadt hij mij aan eerst de archieven van Carcassonne te raadplegen, het liefst met een aanbeveling. Wanneer zal ik dát ooit kunnen doen?

 

Allerlei scenario's flitsen mij door het hoofd. Zouden de verhalen in verband met de afstamming van Christus dan toch waar zijn en wil het Vaticaan het licht dat hierover zou kunnen schijnen het liefst onder de korenmaat houden, zoals beweerd wordt? Werden de documenten precies daarom op een totaal onbereikbare plaats weggeborgen zodra men in het archief weet kreeg van mijn queeste, of bevonden ze zich daar al lang voor mijn zoektocht? Ondanks – of juist vanwége – alle tegenslag lijkt dit me een erg aantrekkelijke en hoopgevende hypothese, maar tegelijk toch zo onwaarschijnlijk want gebaseerd op oceanen van historisch drijfzand. Of gaat het om onfrisse politieke machtspelletjes tussen de Heilige Stoel enerzijds en één of ander verloren Habsburgs schaapje of de Franse Republiek anderzijds, zoals andere verklaringen luiden? Om een 'ketterse' pastoor die in zijn kerk allerlei verwijzingen inbouwt naar zogenaamde theologische anomalieën (maar vreemd genoeg wel duidelijk zichtbaar) en die daarnaast contacten onderhoudt met geheime genootschappen? So what? Of om een financieel schandaal misschien? Maar waarom, waarom dan toch in godsnaam (c'est le cas de le dire) al die geheimdoenerij daarover, na ruim honderd jaar? Of gaat het stomweg om een geval van slordige archivering? Zo'n gedachte lijkt me in een instelling als deze te gek om los te lopen. Wanhopig probeer ik mijn mislukking voor mezelf begrijpelijk en aanvaadbaar te maken maar kom slechts tot de pijnlijke conclusie dat dit archief en dus de Heilige Stoel de oplossing van het Saunière-mysterie niet willen prijsgeven.

Waarom toch al die geheimdoenerij rond
deze imposante Bérenger Saunière?

Alleen al dit vermoeden van mogelijk obscurantisme – ongeacht welke rationele of onwaarschijnlijke motivering er ook voor te verzinnen valt – stemt me erg bitter. Ik vrees dat de Sède gelijk heeft: nous ne le saurons jamais, nous ne connaîtrons jamais les accusations de ce Mgr ni les atouts de cet abbé. Ik besluit ter plekke om er onmiddellijk een punt achter te zetten en mijn verblijf in Rome af te ronden met een fikse wandeling. Compleet aangeslagen neem ik afscheid van Monsignore C., die veel tijd en geduld aan mij heeft besteed en blijkbaar mijn ontgoocheling deelt, en die ik dankbaar ben. Door de Via della Conciliazione dan maar, langs de Engelenburcht tot aan het Palazzo della Giustizia en iets verderop het merkwaardige gotische kerkje Santo Cuore del Suffragio. Ik zou het museum van het vagevuur, dat zich hier moet bevinden, wel eens willen bezoeken, maar gezien het middaguur zijn alle deuren en hekken weer gesloten en ik durf nergens aan te bellen. Steek de Ponte Cavour over en laat ongeïnteresseerd de Ara Pacis links liggen. Heb er nu echt geen zin meer in, ik ben te moe, te ontgoocheld, te beschaamd ook, ik zou opnieuw in huilen kunnen uitbarsten en wil het liefst van al zo vlug mogelijk opgezogen worden door en in een grote anonieme massa. Via Tomacelli in, daarna Via Condotti. Wat een zaligheid na de stilte en eenzaamheid in soms muffe en half verlichte archiefkamers, na die verpletterende nederlaag: zon, veel niets vermoedend volk, schitterende winkels, ook in de zijstraten: Ungaro, Liz di Roma, Benetton, Hermes, Gucci. In kleine kuddes troepen Japanse jongedames voor de exclusieve etalages samen, reeds zwaar beladen met grote tassen vol absurd duur textiel van de grote couturiers. Voor één van de winkels staan ze zelfs in een file te wachten tot de groep binnen klaar is, dan mogen zij erin. Een gedisciplineerd volkje, dat moet gezegd.

 

En plots sta ik weer voor de ingang van het onweerstaanbare Caffé Greco, dat open én afgeladen vol is. Zou wel willen binnenstappen en iets bestellen, doe enkele passen, maar voel me zo eenzaam en triest. En wat het nog erger maakt: ergens tussen de handtekeningen van Buffalo Bill en Goethe en Liszt en Gogol en wie nog allemaal staat ook ergens de naam van mijn Pitje op een muur gekrast, rechts achterin het café, ik herken de tafels, de outfit van de kelners. Indien Andersen hier nog woonde en mij zag, dan zou hij meteen een alleraardigst sprookje geschreven hebben met mij in de hoofdrol: ‘Het jongetje met de lege archiefdozen’. Liever geen antieke of Griekse koffie, nu toch niet. Doorlopen maar en iets verder uithuilen bij de gevel van Keats' huis. Tragische, larmoyante romantiek alom. Een rustplaatsje op het schitterende Cimitero Acattolico lijkt me nu inderdaad wel wat: “Here lies one whose name was writ in archives”. Wandel tot vóór Babington's Tea Room, gluur met een hand tegen het raam naar binnen en merk een prijslijst op waarvan de getallen mij doen duizelen en die me met één klap weer met beide voeten op de grond zet. Driehonderd frank voor een stukje taart, heb ik dat goed gelezen en omgerekend? Piazza di Spagna is levendig als altijd, toeristen hebben de drie etages met trappen weer volledig ingepalmd, de barcaccia spuit nog steeds even landerig haar water in het bekken. lets verder, aan de voet van het Mariabeeld op de antieke zuil vóór Propaganda Fide, liggen inderdaad enkele boeketten bloemen. Zou wel eens willen toeschouwen als de brandweer die bloemen naar boven brengt en aan de voet van het beeld neerlegt. Verdraaid, op deze Piazza zijn openbare toiletten te vinden, Rome denkt nu blijkbaar écht aan de behoeftigen. Onthouden voor later. In de Via del Babuino bekijk ik even de kerk van de Oosterse ritus en de Anglicaanse kerk en beland uiteindelijk op Piazza del Popolo. De poort staat er als een dreigend symbool van mijn vertrek: daarachter begint de route die naar het noorden leidt. Blijf toch nog maar een half uurtje zitten aan de voet van de obelisk in de warme namiddagzon. Aan, of beter in de Porta del Populo duik ik de ietwat groezelige Bar Europa in. Ik val weer niet op, word aangesproken en bediend zoals de andere Romeinen: snel, geroutineerd, onpersoonlijk. Ik kan zelfs bestellen en consumeren zonder eerst te moeten betalen. Ben ik dan toch in zekere zin één van hen geworden? Een troost, zij het een magere, voor mijn ellende.

 

Wandel doorheen de poort, dan linksaf en weer de Tiber over, door de Via Cola di Rienzo tot Piazza Risorgimento. Vermits ik hier nu toch ben kan ik meteen de weg verkennen die ik morgen moet afleggen tot aan het metrostation, op de hoek van de Via Giulio Cesare. In deze straat hebben we ooit, tijdens ons allereerste bezoek aan de stad, nog gelogeerd maar ik herken in deze drukke wijk niets. En uiteindelijk beland ik dan voor de allerlaatste keer weer op de plaats waar deze wandeling, dit hele avontuur en ook de westerse christelijke geschiedenis begonnen zijn: San Pietro. Koop er twee reproducties voor de meisjes: 'De school van Athene' en de 'Pieta', gewoon omdat dat beeld zo overrompelend mooi is. Nog even in extremis naar de Uffizio Scavi, louter uit nieuwsgierigheid dit keer want ik vermoed dat de rondleidingen al lang beëindigd zijn. Nee, ik sta nog niet op de lijst. Jammer, een volgende keer dan maar, als u ooit nog es in Rome zou komen? Wat denkt die zuurpruim wel? Natuurlijk kom ik ooit nog wel es in Rome! Rond vijf uur kom ik weer thuis bij mijn lieve, discrete zusters en drink een héél stevig glas wijn. Tijd om mijn koffer te pakken. Daarna avondmaal en bed. En dan naar huis, het huis dat in Vlaanderen staat dit keer.

 

Na het eten vraag ik aan de zuster die afruimt of ik ook van de andere zusters afscheid mag nemen. Twee minuten later staan ze mij allemaal in een halve cirkel in het halletje op te wachten, ze zijn met zes of zeven, zelfs zuster-kokkin is van achter haar fornuis tevoorschijn gekomen. Ja, zuster, het eten was voortreffelijk, ik heb ervan genoten. Ze glimlacht tevreden, bescheiden. Wel, zuster (een andere), ik heb een vrouw en twee kindjes, en we komen terug naar Rome, dat staat vast, en dan logeren we bij jullie, dat staat ook al vast. Natuurlijk zuster (een andere alweer), maandag moet ik weer lesgeven aan mijn grote loebassen. Het wordt mij nu te machtig. Ik buig mij naar de twee zusters met wie ik het meeste contact heb gehad en geef hen elk drie stevige zoenen. Die worden onthaald op afwerende gebaren (tevergeefs), protesten, paniekerige onbeholpenheid, blozende wangen en ten slotte zacht gegiechel. Jullie zijn dit vast niet gewend, zusters, en misschien had ik het niet mogen doen, maar het is gemeend en broederlijk bedoeld, en jullie verdienen het. Dikke, warme tranen wellen onweerstaanbaar in mijn ogen op. Ik draai me vlug om, wuif nog naar het verbijsterde gezelschap en ren de marmeren trap op om vlug troost te vinden in de slaap. Vervloekte Bérenger Saunière!


 

    Epiloog, augustus 2009

Dit Klein Romeins dagboek werd daadwerkelijk in 1995 geschreven als een dagboek dat ik op de in de tekst vermelde data nauwgezet elke avond aanvulde met de gebeurtenissen en ervaringen van de voorbije dag. Twee jaar later, in 1997, was een volledig uitgeschreven en 'leesbare' versie ervan klaar in digitale vorm die ik daarna tevens onmiddellijk snoeide en stilistisch oppoetste tot een publiceerbare tekst. Die laatste 'gesnoeide' versie diende als basis voor het dagboek zoals het hier nu voorligt: nogmaals ingekort waar het kon, stilistisch opnieuw bijgeschaafd maar nu voorzien van enkele schaarse toelichtingen of achtergronden die ik voor de lezer onontbeerlijk acht.

Ik schreef mijn originele notities na de feiten uit tot een volwaardige tekst om zoveel mogelijk herinneringen te vrijwaren van vergetelheid, louter voor mezelf dus. Anderzijds redigeerde ik die tekst eveneens tot een publiceerbare bijdrage, al beschouwde ik publicatie op dat moment alleen als een vage mogelijkheid en zag ik heel bewust af van concrete stappen in die richting. Het hele avontuur had me immers zo ontgoocheld en zelfs gedegoûteerd dat ik elke belangstelling voor het onderwerp verloor. Daarom sluimerde het dagboek twaalf jaar (of veertien, zo men wil) in papieren en elektronische vorm in mijn archief.

 

En toen kwam The Da Vinci Code (2003), boek dat een nog grotere hype en nog meer beroering deed ontstaan dan The Holy Blood and the Holy Grail (1982) van Baigent cum suis. Ik las het boek van Brown en dacht er niet zonder enige bitterheid het mijne van. Ik ben ondertussen echter wel van mening dat Brown met het Rennes-mysterie het beste heeft gedaan wat ermee gedaan kón worden, namelijk er een bloedstollende faction-thriller van maken (of hij daarin ook echt geslaagd is, speelt in deze context geen enkele rol). In elk geval dook Saunière weer onweerstaanbaar op in mijn herinneringen.

Het internet ontketende in de loop der jaren een exponentiële toename van websites, fora en 'publicaties' over Rennes-le-Château, Bérenger Saunière en alle denkbare aanverwante thema's de (het) ene al ongeloofwaardiger dan de (het) andere. Totaal uit de lucht gegrepen verzinsels worden in de virtuele ruimte als waar gepresenteerd en in omvangrijke dossiers geanalyseerd, meestal volslagen kritiekloos en zonder de minste wetenschappelijke deontologie, zodat de wildste verhalen tot misleidende geschiedenis gepromoveerd worden. Bepaalde ficties worden door overijverige ‘auteurs' klakkeloos van elkaar overgenomen, andere worden aan de reeds woekerende massa toegevoegd waarbij zelfs de allerkleinste details tot mythische dimensies uitvergroot worden, b.v. een geheimzinnige witte 'paraplu' (veeleer een parasol, dunkt me) waarmee Saunière op bepaalde foto's poseert. De vertakkingen van het mysterie (de genealogie van Christus, de tempeliers, de katharen, de Merovingers, het Heilig Bloed in Brugge, de Europese politieke geschiedenis, alchemisten en vrijmetselarij, de Graal, de Ark van het Verbond, het Lam Gods, ja zelfs UFO's...) hebben een duizelingwekkende omvang aangenomen. Wie kan uit dit onoverzichtelijke labyrint van tienduizenden, zelfs honderdduizenden meestal volslagen onbetrouwbare ‘hits' en ‘links' nog wijs raken?

 

Op één van die talloze en oeverloze websites (http://www.perillos.com/sauniere_trial1.html) behandelt ene Filip (soms ook Philip) Coppens heel uitvoerig precies het probleem waar ik voor naar Rome trok: het conflict tussen parochiepriester Saunière, zijn bisschop de Beauséjour en het Vaticaan.

Coppens noemt om te beginnen zijn dossier ‘The trial’, al is het hoogst twijfelachtig of er in Rome wel ooit een echt ‘proces' plaats heeft gevonden; alles wijst er integendeel op dat zulks niet het geval is geweest.

Het dossier omvat een dertiental pagina's als je de webtekst kopieert in een Word-document. Een erg boeiende en zeer gedetailleerde reconstructie van de feiten, dat is het zeker, bovendien duidelijk gebaseerd op grondige research: de verschillende fasen in de evolutie van het geschil worden uit de doeken gedaan aan de hand van een omvangrijke briefwisseling – precies die briefwisseling waar ik in Rome naar zocht en die daar onvindbaar bleek. Probleem is alleen: nergens, maar dan ook nergens vermeldt deze Coppens waar hij de correspondentie vandaan heeft gehaald, waar de originelen zich bevinden dan wel gepubliceerd werden. Ik heb een sterk vermoeden dat hij als bron Les Archives de l'Abbé Saunière. Volume 2 (Pierre Jarnac, 1987 [?]) gebruikte, een boek waarin de volledige briefwisseling van Saunières raadsman Huguet gepubliceerd werd. (Ik kende het werk destijds niet maar het lijkt me nu documenten te bevatten die niet in Rome maar in de archieven van het bisdom Carcassonne berusten, en dan nog alleen maar de brieven van de bisschop en van raadsman Huguet, dus niet de antwoorden vanuit Rome). Of werd alles gekopieerd van een andere website, of uit nog een ander boek?

 

Tussen haakjes: Coppens gooit zich op diezelfde website samen met een co-auteur op een ander hot item in het hele Saunière-circus: een plaasteren maquette van een landschap waarop de graven van Christus en Jozef van Arimathea aangeduid staan... maar dan wel gelocaliseerd in Spanje, als ik het tenminste goed begrepen heb. Waar en hoe de maquette (er bestaan trouwens meerdere exemplaren van) gevonden werd, hoe ze daar terecht kwam en hoe ze precies in het bezit kwam van de auteur, dat zijn vragen die slechts in heel vage en verwarrende bewoordingen beantwoord worden (Coppens' Engelse taalgebruik is inderdaad soms irriterend slordig en inaccuraat).

Er bestaan echter andere websites die over dit onderwerp wél verhelderende en systematische informatie bieden. Het strafste is evenwel het feit dat Coppens en zijn kompaan ter adstructie van dit dossier een foto van een brief van Saunière publiceren waarin de datum en een verwijzing naar een bevriende priester (nl. diens naam en woonplaats) weggecensureerd werden achter zwarte rechthoekjes. Ik weet het wel: de journalistieke methodiek is niet dezelfde als de wetenschappelijke, maar het is wel degelijk een methodiek, een ándere weliswaar maar een mijns inziens al even rigoureuze. Het hoge Efteling-gehalte van dit soort websites, de schaamteloze copy-paste techniek én het aperte achterhouden van informatie vormen een aanfluiting van om het even welke deontologie, ja zelfs gewoon van elk fatsoen ten aanzien van een lezer.

 

Toevallig constateerde ik dat één van de alinea's in Coppens' ‘Trial’-dossier nagenoeg woordelijk gekopieerd werd uit een ander artikel, uiteraard zonder enige referentie. Want het internet leidt ook tot interessantere contacten zoals de vereniging 'Rennes Group', of voluit de 'Rennes-le-Château Research Group'. Op hun website (http://rennesgroup.pbworks.com) vond ik een verwijzing naar een artikel van Guy Patton, 'Abbé Saunière and the Vatican', gepubliceerd in hun magazine Rennes Observer 14, maart 1997. Twee e-mails volstonden: een naar hoofdredacteur Stephen Patterson en één naar de auteur van het artikel zelf. Guy Patton stuurde mij per kerende een scan van zijn bijdrage. Hierin parafraseert en synthetiseert de auteur de inhoud van de correspondentie die hij vond in

nothing less than a file on the accusation made against Saunière by Mgr Beauséjour [sic], the subsequent trial and sentence and Saunière's appeals, held in the Vatican's Secret Archives.

(Rennes Observer 14, March 1997, p. 18)

Die laatste plaatsbepaling kwam aanvankelijk als een schok. Patton vervolgt: 

The existence of this file was confirmed by Mgr Archbishop Crescengio [sic] Sepe, who is in charge of the Secret Archives. (ibidem, p. 18) (1)

Dat het dossier in Rome bestond, wist en weet ik maar al te goed. Maar dat Patton daar inzage van gehad zou hebben, leek me hoogst onwaarschijnlijk – en op zijn minst 'onrechtvaardig' – gezien mijn eigen ervaringen twee jaar eerder. Maar dan:

Unfortunately for those anticipating some 'explosive' information that would reveal the 'truth' behind the mysteries of Rennes-le-Château, the file is little more than a copy of the Bishop of Carcassonne's records of the Saunière affair much of which has already been published. (ibidem, p. 18)

Bedoelt Patton met het gepubliceerde materiaal misschien datzelfde boek van Jarnac? Jammer genoeg geeft hij geen enkele referentie naar het hem bekende gepubliceerde materiaal.

 

Blijft natuurlijk ook de (intrigirende en fundamentele) vraag: uit welke bron komen de documenten dan wel die Patton zelf in handen heeft gehad? Dat het niet om de Vaticaanse archieven kan gaan maar waarschijnlijk om de bisschoppelijke in Carcassonne moge voldoende duidelijk zijn uit de citaten hoger. Ook hier krijgen we dus geen expliciete bronvermelding, wat Patton als volgt motiveert:

The source of this material has requested anonymity which of course I will respect. However, I can vouch for the authenticity of the information. (ibidem, p. 19)

Ik ben echt overtuigd van Pattons eerlijkheid én van de authenciteit van het materiaal dat hij bespreekt; bovendien begrijp ik wel degelijk dat verzoek om anonimiteit. Toch blijft ook in dit geval het wegmoffelen van de bron (twee bronnen eigenlijk) een ontgoochelende en lichtjes irriterende manier van werken.

Wat er ook van zij, het contact met de Rennes Group kan ik alleen maar als positief en sympathiek bestempelen; ik ben Stephen Anderson en Guy Patton dan ook dankbaar voor hun openhartige en genereuze medewerking.

 

Men zou mij kunnen vragen waarom die wilde verhalen en zogenaamde 'dossiers' op het internet mij zo ergeren. Iedereen heeft toch het recht om zijn fantasieën elektronisch bot te vieren en wereldkundig te maken, of om naar believen te gaan graven in Saunières tuintje en zelfs ver daarbuiten? Natuurlijk heeft iedereen daar, strikt genomen en gezien de vigerende politiek-correcte normen, het recht toe en mag iedereen naar hartelust zijn gangen gaan. Ik ben echter niet van mening dat iedereen zomaar al zijn eigen fantasietjes en bezigheidjes elektronisch moet beginnen ventileren, althans niet onder het mom van ernst en degelijkheid, noch dat het internet door de veralgemeende publicatiemogelijkheid een 'democratisch' medium zou gaan betekenen.

 

Ten eerste: de ‘kennis' die op het net verspreid wordt is in de overgrote meerderheid van de gevallen die naam niet eens waard. Het kritiekloze copy-pasten, de afwezigheid van bronvermeldingen, de totale afwezigheid van enige structuur of systematiek op het net, de afwezigheid van controlerende en evaluerende filters, de afwezigheid van elk greintje zelfkritiek, het vaak schabouwelijke taalgebruik (dat op zijn minst een gebrek aan aandacht verraadt en dus op zich al veel te denken geeft over de inhoud van teksten), de redundantie of de overlappingen van de informatie: dat alles maakt dat de intellectuele spoeling erg dun wordt. Wie dus beweert dat het net in zijn totaliteit of, nog erger, in zijn essentie, hèt 'volksverheffende' instrument bij uitstek zou zijn dat de ware democratie vestigt en iedereen deelachtig maakt aan de ‘universele' kennis, die beschouw ik als een gevaarlijke demagoog (2). Alle net genoemde punten van kritiek gelden a fortiori voor veel, zoniet de meeste informatie rond het geval-Rennes/Saunière.

 

Ten tweede, en dit volgt gedeeltelijk uit het voorgaande: de onstelpbare stroom van 'documentatie' rond Rennes met zijn alsmaar uitdijende vertakkingen overwoekert de échte, gefundeerde verklaringen of inzichten en leidt bovendien de aandacht af van de kern van het probleem.

 

Nog zorgwekkender is vervolgens het feit dat 'mysteries' van dit kaliber aanslaan bij een zeer breed publiek van divers pluimage zodat er met die raadsels grof geld verdiend kan worden door verschillende ‘actoren', in de eerste plaats uiteraard door het dorpje Rennes zelf. De eerste die dat goed begrepen had was Noël Corbu (of misschien, wie weet, nog vóór hem Saunière himself...).

 

Gevolg: velen hebben er alle belang bij om het potje van de waarheid gedekt te houden en juichen ongetwijfeld met genoegen de wereldwijde belangstelling en de overdaad aan de meest waanzinnige 'dossiers' toe. Tweede, niet denkbeeldige gevolg is dat de terzake echt relevante bronnen in instellingen of bij privé-personen afgeschermd en zelfs gesloten worden, hetzij uit oprechte en begrijpelijke ergernis, hetzij omdat ook zij het geschikte moment afwachten om een graantje van de hele lucratieve heisa mee te pikken.

 

Kort na de eeuwwende heb ik zelf overwogen om de archieven in Carcassonne in te duiken, tot een niet mis te verstane waarschuwing op de website van het bisdom mij daarvan weerhield, nl. dat het Saunière-archief voortaan onherroepelijk ontoegankelijk was. Terecht natuurlijk, omdat het materiaal blijkbaar al gepubliceerd wás; bovendien kan ik mij best voorstellen dat de toeloop van allerlei clowneske schattenjagers, pseudo-historici, zelfverklaarde cryptologen of UFO-spotters een archivaris op de duur danig op de zenuwen begint te werken.

 

Conclusie?

 

1. Ik blijf tot vandaag met bitterheid terugdenken aan de mislukking in het Archivio Segreto. Voor de afwezigheid van de Saunière-documenten heb ik geen enkele verklaring (hoewel: zie verder) tenzij ik mij natuurlijk in het voetspoor zou wagen van de dromers of de alternatief-gelovigen. Dat laatste is best leuk en ik blijf van op een afstand inderdaad graag mee fantaseren. Tegelijk hou ik toch liever verbeelding en controleerbare research van elkaar gescheiden. Waarom het Vaticaanse archief geen toegang verleent tot het dossier (of is het ondertussen 'verleende' geworden?) kan ik alleen maar als een op zijn zachtst gezegd betreurenswaardig raadsel omschrijven. Bevreemdend blijft wél de vastelling dat alle stukken afkomstig van Saunière, zijn bisschop of zijn raadsman blijkbaar wel degelijk gepubliceerd werden, maar nooit de missives aan hen gericht door het Vaticaan.

Maar goed: Roma tacet, dus causa finita.


Licht? Welk licht? En waar zou dat te vinden zijn?
Toch niet in deze 'secret archives'! Gelukkig blijven er vele arcana...

2. Ik heb zo mijn eigen verklaring voor het geval-Saunière. Maar die doet volstrekt niet terzake omdat ze louter op intuïtie en onbewijsbare vermoedens berust en vooral omdat ik geen weet heb van alle (relevante) elementen in het dossier. Dat geldt, helaas, evenzeer voor zovelen die desondanks met een onvoorstelbaar aplomb hun hersenspinsels uitsmeren over de digitale ruimte (én op papier). De enige mogelijkheid om ‘feitelijke' klaarheid te krijgen in het Saunière-dossier is het te ontdoen van alle ondertussen aangekoekte ballast en smurrie (een titanenwerk!) en de werkelijk belangrijke elementen van voor af aan opnieuw, maar dan serieus, volgens de regels van de ‘kunst', te gaan onderzoeken. Ik heb daar in 1995 een bescheiden poging toe gedaan, dat is alles; niet meer, maar ook niet minder dan dat. En ze is mislukt. Ainsi soit-il.


Bij ontstentenis van harde feiten, van (onvervalste!) documenten of van aanvaardbare hypothesen blijft de elegantste oplossing dus: spannende romans over de affaire schrijven zoals b.v. Dan Brown het heeft gedaan, dan weet je tenminste waar je aan toe bent. Blijkbaar beschikt de man zelfs over voldoende fantasie en talent om gelijkaardige thema's te blijven uitmelken; het weze hem van harte gegund.

Hopelijk komen onze Vlaamse schrijvers op hun beurt vlug met titels als Het Rubens Raadsel, De Congo Connectie, De Coburg Code of De Danneels Deceptie. Explosief materiaal in overvloed en vermits deze titels ook mét behoud van de alliteraties makkelijk en zelfs woordelijk in het Engels vertaalbaar zijn, wordt wereldwijd succes gegarandeerd (3). Laten we ons er dan echter, nogmaals en tot in den treure, alleen maar goed van bewust blijven dat we ons daarmee in het 'Parc Rennes-le-Château' of in 'Saunièreoscope' bevinden – of, in het beste geval, misschien op het terrein van de goede, de grote, de belangrijke literatuur.

 

3. Literatuur dus. Temidden de hele onverkwikkelijke affaire blijft als een lichtend en voor mij nu balsemend baken een artikel overeind van een zeer wijs en beminnelijk man én groot auteur, Hubert Lampo. Hij publiceerde destijds zijn eigen visie op de affaire onder de titel 'Rennes-le-Château: een mythe ontmaskerd? De feiten rond een bestaande legende' (Bres 155, augustus-september 1992, pp. 18-32), essay dat later opgenomen werd in zijn verzamelbundel Heimwee naar de sterren onder de iets nuchterder titel 'Rennes-le-Château. De feiten rond een legende' (Meulenhoff 2003, pp. 299-321): een synthese, een status quaestionis die in die typische Lampo-stijl en op bondige wijze een voortreffelijk overzicht biedt van de belangrijkste aspecten van de zaak-Saunière. Ik had het artikel destijds gekopieerd en gelezen voor ik naar Rome vertrok (4).

 

Deugddoend is de vaststelling dat in dit essay gezond verstand én eruditie zegevieren, en dat Lampo zich ver houdt van ongefundeerde oplossingen. Integendeel: hij waagt zich weliswaar voorzichtig aan een mogelijke verklaring voor Saunières weelde, nl. beursspeculatie, maar voor de rest roept hij meer vragen op dan hij antwoorden formuleert. Terzijde: de enige kleine moeilijkheid in het artikel is het feit dat het niet altijd helemaal duidelijk is of het om Lampo's eigen woorden of gedachten gaat, dan wel of er gesproken wordt in de erlebte Rede.

Met één detail ben ik het echter niet eens. Lampo schrijft:

In elk geval strookt het niet met de waarheid, dat onze curé uiteindelijk zijn slag bij de paus zou hebben thuisgehaald. De toestand is nog altijd stationair en negatief als Saunière in 1917 aan een infarct bezwijkt. (Heimwee, p. 304)

Wie mijn dagboekje las, weet dat ik nooit de brieven zelf in handen heb gehad. In de 'protocolli' van het Archivio (zie mijn dagboekje) worden echter alle inkomende stukken niet alleen gerubriceerd maar tevens voorzien van een bondige omschrijving, zodat men op basis daarvan reeds min of meer weet waar de gezochte documenten over handelen. Welnu, in verband met een bepaalde brief van Saunière en de daarop volgende correspondentie van en naar het Vaticaan (wij noemen zoiets tegenwoordig op internetfora een 'thread') stond meer dan eens de vermelding “Reponatur”, wat zoveel betekent als 'geseponeerd'. Het gaat hier om correspondentie die reeds van 1912 en 1913 dateert. Ik heb dus een zeer sterk vermoeden dat Rome de zaak wel degelijk als afgehandeld beschouwde, en niet in 1917 maar al vier tot vijf jaar vóór Saunières dood.

 

Ik waag mij zelfs aan een gedurfder veronderstelling. We weten dat in Saunières tijd de relaties tussen de Franse staat en het Vaticaan erg gespannen waren. We weten ook dat Saunière reactionair-monarchistische donderpreken afstak van op zijn kansel. En dan is daar plots een stoorzender, een luis in de pels, in eigen toprangen nog wel: een strenge en op orde gestelde maar ongetwijfeld goedmenende prelaat – Monseigneur de Beauséjour, bisschop van Carcassonne – die precies Saunière, een onbuigzame steunpilaar tegen het republikeinse en anti-klerikale geweld, wil desavoueren. Wellicht zat het Vaticaan daarom met het hele geval gewoonweg erg verveeld en beschouwde de kerkelijke overheid het conflict tussen de bisschop en zijn priester louter als een privé-vete waar ze zo vlug mogelijk van af wilde. Dit gekneld zitten tussen twee vuren – een respectabele prelaat enerzijds, anderzijds een rots van een priester – en de daaruit voortvloeiende onbeslistheid en aarzelingen bij de hoogste hiërarchie verklaren mogelijk ook de afwezigheid van de documenten destijds in ‘mijn' mappen.

 

Het zou zelfs nog banaler kunnen. In de archieven zag ik verwijzingen naar brieven van een vijftal van Saunières collega's, precies over hetzelfde probleem en dezelfde beschuldiging (handel in missen) als in zijn geval, naast enkele verwijzingen naar brieven van Franse bisschoppen over hetzelfde onderwerp of over 'aalmoezen'. Gezien de historische context lijkt het me aannemelijk om te veronderstellen dat de toenmalige anti-klerikale atmosfeer in Frankrijk het heel wat priesters zodanig moeilijk maakte dat ze zich wel verplicht zagen hun toevlucht te zoeken tot bijvoorbeeld buitensporige aantallen missen om te overleven. (Saunière zelf moest gedurende zes maanden zijn staatswedde derven omdat hij politiek opruiende praat verkocht in zijn kerk). Dat het Vaticaan alleen al met het hoge aantal van dat soort schermutselingen tussen Kerk en Staat meer dan verveeld zat en bovendien ongetwijfeld begrip kon opbrengen voor die 'martelaren' (daarmee, in het geval van Saunière, ingaande tègen het advies of de verzuchtingen van bisschop de Beauséjour) lijkt me eveneens evident.

 

Lampo's slotbeschouwing is hoopgevend en helend. Hij omschrijft het “complex Rennes-le- Château” als “één ontzaglijke rorschachtest”, vergelijkbaar met de pyschiatrische methode om iemands "onbewuste bewogenheden” zichtbaar te maken. Misschien heeft Saunière het inderdaad allemaal zo bedoeld: de bouwwerken, de geheimzinnige visuele en tekstuele allusies in en rond de kerk, de foto's waarop hij poseert met Marie Denarnaud. En ik denk hier nu plots ook weer aan die intrigerende witte parasol. Hij rondt zijn essay dan af met deze terechte overtuiging:

Rennes-le-Château is een legendarische, psychologische en weldra mythische structuur met verregaande betekenis. Zij staat bol van archetypisch materiaal. (Heimwee, p. 319)

Zijn voorbeelden: de verborgen schat, de verloren koning, de koninklijke graftombe, de erotisch geladen animafiguur en nog veel meer.

“De wereld waarin wij ons goed voelen is er [...] een, onafgebroken door de menselijke verbeelding of ons invoelingsvermogen, opgeladen, en die zodoende op een speciale manier zinvol wordt. [...] Geestelijk hoger geladen plekken bestáán, daar leidt geen weg omheen. Dit niet kunnen voelen, betekent veel missen. In uitzonderlijk sterke mate behoort het heuveldorpje Rennes-le-Château in de oude Languedoc tot deze plaatsen. Al zou de hele kwestie niet meer zijn dan één wild verzinsel! Het wonder schuilt niet in iets dat iedereen normaliter als onmogelijk ervaart. Het schuilt in het ontstaan van een magische, aan oeroude, diepe menselijke verzuchtingen beantwoordende en deelnemende psychische structuur. En dat is ook een feit...!” (Heimwee, p. 320-321)

Ik ben het daar volkomen mee eens. Bovendien: die volkomen legitieme, diepgewortelde en onweerstaanbare hunkering naar ‘helende' magische geladenheid, naar betekenisscheppende fantasie en invoeling sluit geenszins een wetenschappelijke of rationele benadering van de werkelijkheid uit. Ook het omgekeerde is waar: een nuchtere, objectieve kijk op de zaken zal de mens nooit kunnen beletten om gedroomde zinvolheid te zoeken, zal er nooit in slagen om de aan de realiteit inherente magie teniet te doen.

 

Droom en werkelijkheid, fantasie en wetenschap: het zijn twee aspecten van één psychische structuur. Ze kunnen elkaar wederzijds stimuleren en zelfs bevruchten op voorwaarde dat men weet waar men mee bezig is en mits ze elkaar in een bepaald evenwicht houden. En soms, héél soms, gaan ze zo naadloos in elkaar over – in een gedicht, een muziekpartituur, een schilderij, iemands gelaat – dat ware ontroering mogelijk en 'schoonheid' zichtbaar wordt.

 

Ik zet mij nu aan de lectuur van Lampo's roman De geheime academie (1994) waarin, jawel, het raadsel-Saunière een rol speelt. Dan weet ik tenminste waar ik aan toe ben. En vooral wat ik eraan heb: de onschatbare rijkdom van een nooit in te perken en zingevende verbeelding.

 

Luc PAY

 

(1)  Of deze kardinaal inderdaad ooit aan het hoofd stond van het Archivio Segreto zou grondig nagegaan moeten worden. Op websites over de man zelf noch op die over het Archivio vond ik enig spoor van de aan hem toegeschreven functie terug (evenwel na slechts oppervlakkig rondklikken).

(2)  Natuurlijk is het internet wél leuk, kleurrijk, boeiend en levert het een schat aan plezierige en zelfs interessante weetjes op – of standpunten, inzichten, discussies, inspiratie; maar laten we die dingen de waarde toekennen die ze verdienen. Natuurlijk bevat het net ook een schat aan direct bruikbare, praktische of instrumentele 'kennis' of informatie waarvoor je niet langer meer van je bureaustoel hoeft te komen; zeker in die optiek is het net ronduit een 'zegen'. En ten slotte: natuurlijk biedt het net ook echt degelijke en betrouwbare kennis aan. Het fundamentele probleem hier is echter dat je reeds voorafgaandelijk moet beschikken over voldoende basiskennis én vaardigheden om die betrouwbaarheid en degelijkheid überhaupt te kunnen detecteren en te beoordelen; precies die kennis en die vaardigheden verwerft men, helaas, juist niet op of via het net.

(3)  Voor een titel als Het Van Eyck Enigma stel ik als Engelse variant voor: The Lair of the Lamb.

(4)  Het was Henri-Floris Jespers die mij tijdens een recent gesprek attent maakte op de herpublicatie van Hubert Lampo's essay in genoemde verzamelbundel. Het was trouwens diezelfde HFJ die mij destijds naar Hocke in Genzano 'stuurde' (zie dagboek) en die mij nu enthousiast aanbood mijn dagboekje hier na zoveel jaar toch te publiceren. Waarvoor mijn oprechte dank.

(5)  Bladerend door mijn Archivio-archief vond ik een kopie terug van een brief van Pius X aan de Franse (aarts-) bisschoppen uit 1910 met als aanvangswoorden “Notre charge apostolique". In deze brief veroordeelt de paus in scherpe bewoordingen Le Sillon, een 'modernistische', republikeins-georiënteerde en sociaal-geëngageerde (socialistische) katholieke beweging die een gelijknamig tijdschrift publiceerde; ze bestond van 1894 tot 1910. Is het denkbaar dat practical jokers Plantard en De Chérisey zich op deze beweging inspireerden toen zij de Prieuré de Sion in het leven riepen? Ik signaleer het maar even voor de liefhebbers.

  

[In: afleveringsgewijs, vijf op elkaar volgende nummers van 

Mededelingen van het Centrum voor Documentatie en Reëvaluatie:

(I) nr. 143 (9 sept 2009) p. 17-23, (II)  nr. 144 (15 sept 2009) p. 11-17,

(III) nr. 145 (30 sept 2009) p. 6-11, (IV) nr. 146 (20 okt 2009) p. 12-19,

(Slot) nr. 147 (27 nov 2009) p. 12-20]