In 't zot en in 't lang, in 't kort en in 't serieus (1987)

De Griekse komedie werd geboren uit rituele maskerspelen ter gelegenheid van seizoenfeesten: in een uitgelaten folkloristische stoet (de ‘koomos’, van 'koomadzoo' = luidruchtig feestvieren, vandaar ook ‘koomoodia') improviseerde een bende lolbroeken er duchtig op los rond een kern van fallische spotliederen. Hieruit ontwikkelde zich o.m. de oude Attische komedie (grofweg 5de eeuw v. Chr.) waarvan Kratinos (+422), schepper van de politico-satirische komedie, Eupolis (446-411) en Aristophanes (448-380) de grootmeesters waren, overigens alle drie min of meer tijdgenoten én rivalen.

Vraag is natuurlijk hoe je stukken van zo'n respectabele leeftijd vandaag op de planken moet zetten. Wie het echt strikt wil doen moet zich zelfs houden aan een maximum van vier acteurs (voor soms 20 rollen) en aan het travestiespel voor de vrouwelijke figuren, maar deze beide problemen zijn erg makkelijk op te lossen. Belangrijker lijken mij het feit dat er gespeeld werd zonder intervals en dat regie-aanwijzingen in de originele teksten ontbreken. En wat met de groteske kostuums (o.m. de beruchte lederfalussen van de zgn. 'falloforen') en de al even groteske maskers die naast het gesproken woord uitsluitend de gestus (gebarenspel) als expressiemiddel toelieten, dus niet de vandaag gebruikelijke vultus (gelaatsuitdrukking)?

Een hedendaags regisseur mag zich ook verwachten aan een soms erg losse bouw van de stukken, aan verrassend-ongemotiveerde handelingen en illusie doorbrekende inlassingen (scènes als de 'parabasis' bv., een tussenspel dat geen deel uitmaakt van de handeling en waarin het koor zich rechtstreeks tot het publiek richt).

Buste in de Uffizi (1ste eeuw).

Hoe geef je gestalte aan het 24-koppig koor dat optrad als een personage en, althans in de Oude Komedie, een prominente functie had: de koorleden zongen en dansten, zoals de etymologie van 'choreuoo' = ‘(rei-)dansen’ en ‘choros’ = ‘dansgroep’ het leert, en hoe hanteer je die vreemde mengeling van realistische en fantaisistische elementen?

 

Ook inhoudelijk liggen de stukken van de Oude Komedie niet meer zo makkelijk. De schrijvers ervan beschouwden zichzelf als hoeders van de nomos (wet) en richtten hun satirische en parodiërende aanvallen tegen allerlei vormen van nieuwlichterij of wantoestanden op sociaal, politiek, artistiek en cultureel vlak, in een bonte mengelmoes van religiositeit en spot met de goden, van extreem realisme en sprookjesachtige verbeelding, van geestigheid en vaak obscene kolder. De actuele maatschappelijke vraagstukken, het welzijn van de hele polis staan op de voorgrond, het esthetische is secundair: een tijd- en plaatsgebonden karakter dat de hedendaagse appreciatie mogelijk ietwat bemoeilijkt.

 

Ten slotte vormt de levendige, gesproken volkstaal, doorspekt met dialectismen, woord- en zinspelingen, afleidingen en neologismen een niet onaanzienlijke hinderpaal voor de moderne vertaler.


Vruchtbaarheidsfeest in Tyrnavos (Gr.) Zie voetnoot.

Ploutos. De god van het geld, dat onlangs door Stefaan Couvreur werd vertaald, is de laatste van de elf bewaarde komedies van Aristophanes. Het dateert uit 388 en vertoont reeds een aantal kenmerken die de overgang naar de zgn. Midden-Komedie (vierde eeuw v. Chr.) aankondigen. Globaal gezien evolueert het blijspel in deze periode naar het intrigestuk waarin stereotiepe volksfiguren de plaats innemen van de vroegere politieke of culturele prominenten en waarin meer op het individu gerichte thema's zoals liefde en moraal behandeld worden; daarnaast komen nu ook parodieën van mythen en tragedies erg in trek; het obscene karakter verdwijnt stilaan en de bijdragen van het koor verschralen tot losse intermezzo's.

Die evolutie was het gevolg van het politiek-militair débâcle van Athene omstreeks het einde van de 5de eeuw en de socio-politieke ontnuchtering die daaruit voortvloeide: de belangstelling voor (inter)nationale hangijzers verflauwde en leidde tot scepticisme t.o.v. de polis.

 

Ploutos hekelt de materialistische tijdsgeest in het Athene rond de eeuwwende 5de-4de eeuw. In essentie kan je het zien als een sociale én ethische utopie: de rechtvaardigen en deugdzamen baden in overvloedige rijkdom terwijl de bandieten met armoede en uitstoting worden gestraft. Hoofdfiguur van het stuk is de oude, rechtschapen Chremylos. Vertwijfeld door de totale verloedering van het maatschappelijke ethos raadpleegt hij het orakel van Delphi met de vraag of het uiteindelijk niet beter zou zijn zich als een schurk te gedragen, zoals iedereen, om toch enigszins 'vooruit te komen' in het leven. Apollo (overigens de beschermer van de harmonische samenleving; Aristophanes was lid van de vredesbeweging ten tijde van de Peloponnesische oorlog en stond als conservatief erg sceptisch t.o.v. de aberraties van de Atheense democratie of nieuwkomers als Socrates, Euripides, de sofisten...) – Apollo dus antwoordt hem de eerste man te volgen die hij zal ontmoeten. En dat is niemand minder dan Ploutos, de haveloze god van het geld die door een jaloerse Zeus met blindheid geslagen werd.

Chremylos en zijn slaaf Karioon ontfermen zich over de goddelijke zielepoot en brengen hem naar het heiligdom van Asklepios (zoon van Apollo!) die hem inderdaad geneest. Voortaan kan Ploutos zijn gaven uitsluitend aan de rechtvaardigen toebedelen!

 

In het tweede bedrijf treden dan een aantal types of genrefiguren op die het effect van deze sociale omwenteling duidelijk maken. Chremylos is erg rijk geworden maar deelt zijn weelde gulhartig met vrienden en kennissen; een sycophant (beroepsverklikker) krijgt een flink pak rammel en wordt weggejaagd; een jonge dandy is door het optreden van Ploutos eindelijk verlost van zijn lelijke, oude en stinkende maîtresse die hem als gigolo onderhield; Hermes, die als voormalig god van de handelaars en dieven nu totaal aan de grond zit, komt om een baantje smeken bij Chremylos en wordt als knecht in diens huis opgenomen; een werkloze priester van Zeus gooit zijn kap over de ene haag en treedt in dienst van Ploutos.

Het stuk eindigt met een spetterende finale, de traditionele feestelijke stoet (koomos) waarin ook de vereniging der geslachten (gamos), nl. van de dandy en het oudje, in het vooruitzicht wordt gesteld.

Ploutos zelf wordt in triomf weggeleid naar de opisthodomos, de schatkamer van de tempel van Athena Parthenos om er voor eeuwig te resideren: de (utopische) welstand van de gehele Atheense staat is daarmee gerealiseerd.

 

Op de achterflap van de vertaling wordt dit blijspel (naar keuze) bestempeld als een 'marxistische parabel avant la lettre' óf als de 'aloude wensdroom van het kapitalisme: geld bij hopen hebben en daar niets voor hoeven te doen'. Nog afgezien van de vraag of die wensdroom een uitsluitend kapitalistisch verschijnsel zou zijn, lijken deze sociaal-economische concepten met ideologisch bijsmaakje me nét iets te scherp. Ze actualiseren het stuk radicaal maar versmallen m.i. de bredere humanistische toon ervan. De materiële welstand is bij Aristophanes immers niet het privilege van klassen maar van ethisch hoogstaande figuren van allerlei slag en uit alle lagen van de maatschappij (de meester, de slaaf, de boeren, de oude vrouw, de jonge man, de priester), wat het stuk meteen op een universeler niveau tilt.

Toegegeven, in de figuur van het koor wordt de armoede van de Atheense landlieden aan de kaak gesteld, maar Chremylos vraagt expliciet (en krijgt ook) rijkdom voor iedereen (vv. 339-346), voor de 'mensen van goede wil' (v. 387) of de rechtvaardigen (blz. 39-40), en uiteindelijk voor de hele staat: een klassenloze maatschappij op basis van morele integriteit.

 

Wat er ook van zij, Aristophanes blijkt een scherp en geamuseerd waarnemer van toestanden, van gebreken van mensen... én goden. Corrupte politici, het juridische systeem met zijn verklikkers en steekpenningen (v. 379), het egoïsme, de schraapzucht en de schijnheiligheid van de burgers, de winstgevende ‘liturgische' praktijken van de hogepriesters (vv. 675-683), de cumulatie van ambten door de goden (blz. 54) en hun onbetrouwbaarheid en onverschilligheid voor het menselijke leed (vooral Zeus moet het ontgelden, vv. 87-92, v. 1117): het wordt allemaal, om in de stijl te blijven: te kakken gezet in een sprankelende, flitsende, grappige komedie.

De komische kracht gaat uit van de rake tekening van volkstypes (de slaaf Karioon, eigenlijk de hoofdfiguur en rondborstig levensgenieter met grote bek, is gewoon grandioos; verder heb je de oude vrouw, de dandy, de vrouw van Chremylos, en de zielige Ploutos zelf die zich aanvankelijk als een bange wezel gedraagt maar uiteindelijk machtiger blijkt dan Zeus himself) – van grappige situaties of effecten (er vliegen nogal wat winden en vloeken rond; de hardhorigheid van het koor, de terzijdes tot het publiek, de schermutseling tussen Karioon en de sycophant, de belevenissen in de tempel van Asklepios) en ten slotte van de snedige, flitsende replieken die erg volks en direct, soms plat-brutaal klinken.

 

Daarmee is meteen gezegd dat Couvreur op meesterlijke wijze een ekwivalent gecreëerd heeft voor het Grieks van Aristophanes.

Ten eerste getuigen de erg geestige en spitsvondige dialogen van een ruime woordenschat en soepele registerbeheersing ('labbekak' v. 24, 'zelfs een blinde ziet dat in' v. 49, 'iets... kapitaler' v. 53, 'die man zijn woorden zijn goddelijk' v. 64, de rijmeffecten v. 111, 'het kapittel der kapitalisten' v. 226, de woordspeling 'varkenspaarvarken' v. 247, 'een urinoir van puur ivoire' v. 815, het protserige taaltje van de oude vrouw blz. 45 e.v.).

Ten tweede heeft Couvreur een aantal woorden of uitdrukkingen getransformeerd en geactualiseerd, wat verrassende, eigentijdse komische effecten oplevert én tevens de leesbaarheid bevordert. Een paar voorbeelden: het epitheton 'Loxias' uit de Griekse tekst (v. 8, lett. 'de raadselachtige') vertaalt Couvreur met 'Apollo, die met zijn gespleten tong'. Het oorspronkelijke 'bij Demeter' klinkt soms als 'verdju' (v. 64). De 'megas basileus' (v. 170, lett. de 'grote koning', die van Perzië) wordt 'de sjah'. De Griekse zegswijze 'scherper kijken dan Lynkeos' (v. 210) is veranderd in 'je ogen uit je kop kunnen kijken', 'Ares' van v. 328 heet voortaan 'Superman', en ik vermeld nog enkele woorden als 'workaholics, lefgozers, cholesterol' en 'after-shave'. Door deze werkwijze gaan uiteraard een aantal historische, mythologische, folkloristische e.a. referenties verloren, wat ik hoe dan ook jammer blijf vinden (zie bv. de ingreep in v. 396, waar de voetnoot me overigens echt niet gegrond lijkt). Wie de rijkelijk geannoteerde, tweetalige editie in de befaamde Budé-reeks grondig napluist, of grasduint in de inleiding en voetnoten bij de Aristophanes-uitgaven van Penguin Classics zal begrijpen wat ik bedoel.

Ik had trouwens graag meer aantekeningen gezien dan de acht die nu wat willekeurig verspreid liggen over de tekst. ‘De laurierkroon die onschendbaarheid verleent’ (v. 22), de omgekeerde rangorde van de goden (v. 80-81), de figuur van Patrocles (v. 85) en de namen v. 173 e.v., Ploutos' angst voor Zeus (v. 122), de hetaeren van Korinthe (v. 149), het restant van de offergaven dat verdeeld moet worden (v. 228), de parodie op het werk van Philoxenes, Euripides en Homeros (blz. 19): het lijkt me allemaal niet zo evident voor de onvoorbereide lezer die niet eens merkt welke cultuurhistorische rijkdom hier de nevelen der geschiedenis in gaat.

 

Maar goed. Couvreur heeft moeten schipperen tussen de Scylla van een rigide tekstgetrouwheid en de Charybdis van een totale actualisering. Resultaat: een heerlijk eigentijdse vertaling die in eerste instantie bedoeld is als een hanteerbare, leesbare en goedkope tekst voor een zo ruim mogelijk lezerspubliek. En dat wens ik dit hartverwarmende blijspel ronduit toe. Wie er niet minstens mee kan glimlachen verhef ik bij deze tot Ridder in de Orde van de stijve Hark, terwijl ik verder met ongeduld uitkijk naar de eerste opvoering van deze versie. Een opvoering met alle 'Griekse' attributen d'erop en d'eran, uiteraard. Of wat dacht u?

                            

Effe ernstig nu. De werkzaamheden rond het Lexicon van Westvlaamse schrijvers vorderen gestaag, want nu ligt ook netjes volgens schema het vierde deel van de geplande zes afleveringen ter tafel. Opnieuw een 600tal alfabetisch gerangschikte, beknopte maar degelijke bio-bibliografische signalementen van figuren die minstens één zelfstandige publikatie op hun naam hebben en op één of andere manier een binding hebben met West-Vlaanderen. Gezien de ruim gestelde vermeldingscriteria alweer een schatkamer aan informatie, maar dat schreef ik ook al in Diogenes jrg. 2 nr. 7-8 en in Diogenes jrg. 3 nr. 6.

Misschien was het beter geweest aanvullingen en eventuele correcties te reserveren voor een afzonderlijk deel, naast het ongetwijfeld te verwachten register bijvoorbeeld, om zo de raadpleging van de afzonderlijke delen te vereenvoudigen (als er bij Florizoone en Schepens bv. nóg iets belangrijks opduikt, nogmaals vermelden in deel 5?).


In mijn bespreking van Demedts' inleiding bij deel 3 van dit Lexicon, getiteld ‘Westvlaamse literaire tijdschriften 1805-1940’, drukte ik mijn spijt uit over het feit dat de moderne tijdschriften niet in het overzicht betrokken waren. Gezien de titel van Demedts' inleiding had ik natuurlijk beter moeten weten, en bovendien getuigt die uitlating, a posteriori, van iets te geëxalteerd ongeduld.

Want kijk: het vierde deel van het Lexicon opent met het opstel ‘Literaire en semi-literaire tijdschriften in West-Vlaanderen na 1940 (1)’, door niemand minder dan Diogenesredacteur Renaat Ramon. “Opgenomen werd een eerste overzicht van die tijdschriften die in de provincie West-Vlaanderen na de Tweede Wereldoorlog werden opgericht of er (tijdelijk) uitgegeven en waarvan de literaire component, kritisch of creatief, een belangrijk onderdeel vormt”, aldus de samensteller van dit overzicht (blz. 5-6). In chronologische volgorde van verschijnen schetst Ramon bondig de markantste fasen van de externe geschiedenis en de belangrijkste programmatische standpunten van zestien periodieken (Basia tot Handen).

Links en rechts flakkeren in deze luchtige en persoonlijke karakteristieken wel eens typische ramonironistische vonkjes op. Of iedereen de wenkjes zal begrijpen?

De Nijmeegse literatuur-historicus Siem Bakker houdt zich reeds geruime tijd bezig met het onderzoek van literaire tijdschriften. Op 17 oktober 1986 promoveerde hij tot Doctor in de Letteren met de dissertatie Het literaire tijdschrift Het Woord (handelseditie De Bezige Bij, 1987) waarvan het methodische model als motor heeft gewerkt voor zijn boek Literaire tijdschriften van 1885 tot heden (Arbeiderspers, 1985 zie ook Diogenes jrg. 3 nr. 6).



 In de door Bakker opgezette en geredigeerde reeks Monografieën van literaire tijdschriften (MLT) verschenen reeds drie delen, resp. over Forum, Tirade en Barbarber. Op 17 september 1987 wordt te Amsterdam de aflevering over Chrysallis gepresenteerd.

Een pluspunt van deze publicaties lijkt me de telkens consequent aangehouden rubricering: dezelfde onderzoeksthema's komen in elk boek in dezelfde volgorde terug ('geschiedenis' van de redacteurs en van het ontstaan, de externe historiek, 'theoretische aspecten' of poëticale fundamenten per genre, 'de praktijk' per genre en/of per redacteur besproken, 'de betekenis' of waardering en invloed; ter afronding volgen bibliografische gegevens, noten en bronnen, literatuuropgave en registers).

Die werkwijze verhoogt bruikbaarheid en herkenbaarheid maar kan moeilijkheden opleveren bij iets weerbarstiger of nonconformistische periodieken (dat is, wat de registers betreft, al duidelijk in het deel over Barbarber).

 

Deze monografieën zijn nogal ambitieus van opzet: ze pogen binnen het bestek van een flinke honderd pagina's tijdschriften te beschrijven in hun totaliteit, op basis van alle aspecten. Ze moeten dan ook worden beschouwd als eerste overzicht, als synthese of inventaris, wat trouwens duidelijk gesteld wordt in de Barbarber-monografie (blz. VII). Ik zal de laatste zijn om de waarde en het belang van zo’n procedure, voor verder onderzoek bv., te onderschatten. Bezuiden de Grote Rivieren zou men er toch goed aan doen de eventuele commentaren bij Vlaamse aanwezigheid in bepaalde periodieken (Forum) of de afzonderlijke delen over Vlaamse tijdschriften (althans ééntje gepland over Tijd en Mens) met een erg kritische bril te bekijken.


Uit het deel over Forum volgende constatering over het Vlaamse aandeel: 'Uiteenlopende auteurs, ook kwalitatief, krijgen de gelegenheid om hun werk te publiceren. Vooral Elsschot, die voordien niet zo'n succes had, is door zijn publicaties in Forum in de belangstelling gekomen' (blz. 13). Ik huiver bij de polyinterpretabiliteitspossibiliteiten van zo'n citaat. Als je bovendien bedenkt dat bepaalde laatstejaarsstudenten (!) uit Nijmegen niet eens op de hoogte zijn van het bestaan van het AMVC, dan hou ik mijn sneller kloppend hart vast en ga naar een opvoering van Aristophanes. Er zijn “heel wat gedachten gewisseld en discussies gevoerd” vóór het tot stand komen van het boek over Forum, schrijft de auteur ervan (blz. VI). Zeker universiteitsstudenten zouden er beter aan doen minder te lullen en meer in bibliotheken te snuffelen, om zo de evolutie van het Nederlands-onderwijs tot praaten encountergroep voorlopig wat af te remmen.

Tot slot deze pareltjes uit de Barbarber-monografie (beide blz. VII): “Voor zover dat mogelijk was, is in ieder geval geprobeerd om de feiten juist weer te geven” klinkt als een veelbelovende en ontwapenende intentieverklaring; en “... heb ik me op verschillende soorten bronnen kunnen verlaten” getuigt van gepaste reverentie ten aanzien van het materiaal, hoewel ik meen dat bronnen niet dienen om er zich op te verlaten maar om ze kritisch te toetsen, vooral wanneer het gaat om gesprekken en persoonlijke contacten. 

Luc PAY


 📢    In verband met de Oude Griekse komedie. Ik heb me moe gezocht

        op het net naar een afbeelding van een hedendaagse of moderne opvoering 

        met die fameuze falloforoi, maar heb er geen enkele gevonden. Wel 

        voldoende foto's van antieke beelden, hermae of schilderingen met fallussen, 

        maar dus geen acteurs – hoewel ik zelf ooit een opvoering met zulke 

        grapjassen heb kunnen meemaken. Sommige festivals in het Hellas van 

        vandaag komen dan toch gelukkig serieus in de buurt, zoals blijkt uit de foto

        (mei 2026).



📌  Aristophanes, Ploutos. De god van het geld. [vert. Stefaan Couvreur]. 

       Acco, Leuven/Amersfoort, 1986, [Syrinx-vertalingen 9], 57 blz.

 

📌 Bonneure, Fernand [e.a. red.], Lexicon van Westvlaamse schrijvers. Deel 4. 

     Ingeleid door Renaat Ramon. Vereniging van Westvlaamse schrijvers

     [VWS], Torhout, 1987, 115 blz.

 

📌 Fleuren-Van Hal, Dorine, Forum 1931-1935. Martinus Nijhoff, Leiden, 1986,

      [Monografieën van literaire tijdschriften], VII + 107 blz.

 

📌 Velthuysen, Ton, Tirade 1957-1985. Martinus Nijhoff, Leiden, 1986,

     [Monografieën van literaire tijdschriften], VII + 136 blz.

 

📌 Renders, Hans, Barbarber 1958-1971. Martinus Nijhoff, Leiden, 1986, 

     [Monografieën van literaire tijdschriften], VII + 138 blz.

 

 

[In: Diogenes, jrg.4 nr. 3, 1987, p. 253-259]