Ansichten über Ansichten.
Het ironische universum van Renaat Ramon
L'ironie ne serait-elle qu'un des visages de la sagesse?
(Vladimir Jankélévitch)
Een goed verstaander heeft maar één woord nodig.
(anon.)
Ik kan me niet precies herinneren van wanneer mijn kennismaking met Renaat Ramon – de man achter het werk – dateert, maar, wat mij betreft, blijven sinds die dag onze contacten helaas veel te schaars. Hoe kleiner het land, hoe groter de afstanden, blijkbaar. Renaat Ramon maakte bij die zeldzame ontmoetingen op mij steeds dezelfde indruk: voorkomend, vriendelijk, schuw en zelfs een beetje schichtig, soms onderhuids en haast onmerkbaar nerveus-trillend, soms dromerig en melancholisch maar steeds beheerst glimlachend. L'homme intelligent se contente de sourire. De stille, dromerige, kwetsbare, broze natuur, auteur van tere, kristallijnen versjes, dacht ik zo.
Vandaag, na een grondige lectuur van zijn tweede dichtbundel Ansichten (1) moet ik mijn mening herzien. Dit inzicht doet overigens niets af aan mijn oorspronkelijke sympathie voor en waardering van deze man, wel integendeel. Want achter het socratische masker van de onschuld gaat een luciede, scherp registrerende, alerte geest schuil aan wie het groteske spel van het socio-politieke systeem niet onopgemerkt voorbijgaat. Het lawaai van het steeds meer oprukkende pathos en een ongebreidelde sloganistiek beangstigt deze intelligente en sceptische geest. Hij schuwt elke emotionele retoriek, omdat de groteske leugen ervan hem al te evident voorkomt. Ramons wapen wordt de poëzie, medium van de indirecte en daarom veelzeggender ‘mededeling’, medium van de verhullende en daarom sublieme ontsluiering. Poëzie wordt bij Ramon een negatie, een litotes, kortom, subtiele ironie waarvan enkel het aandachtig mutisme en de emotionele ascese de voedingsbodem kunnen zijn. Deze tweespalt tussen innerlijkheid en uiterlijkheid van Ramons persoonlijkheid is op zichzelf al ironisch, en lijkt me precies het fundament te zijn van het dichtwerk, de bron van de "ware razernij" [41] waarmee de dichter leeft. En deze razernij is m.i. niets anders dan het uitspelen van deze ironie zelf.
Ironie, zegt Jankélévitch (2), is bewustwording, kennis, doorzicht. Elk waar bewustzijn is ipso facto ironisch, want het is het besef van de tegenstrijdigheid en de relativiteit der dingen. Ironie is het badinerend uitspelen van extremen, een subtiele ondermijning van de geïnstitutionaliseerde Ernst door een bewustzijn dat zich fundamenteel wantrouwig opstelt tegenover de repressieve en misleidende geslotenheid, éénduidigheid en verstolling van Woord en Werkelijkheid. De ironicus is "l'homme détaché", de luciede afstandelijke die zich niet langer appelen (van welk merk ook: politiek, sociaal, metafysich...) voor citroenen laat verkopen, en die van de lezer dezelfde luciditeit eist bij het ontwarren van de ironische toespeling, dubbelzinnigheid of negatie. De ironicus richt zich dan ook in de eerste plaats tot het intellect, hij wantrouwt immers emoties en instincten. Hij hanteert, zoals Ramon, de ellips van de allusio – waarbij de twee extremen steeds herkenbaar blijven – omdat zijn scepticisme hem elke directe en éénduidige zegging verhindert.
Tegenover de pompeuze woordkramerij der machtigen zet de stille ironicus, zoals Ramon, de korte maar krachtige zegging, het laconieke antwoord, de brachylogie. Deze hele theorie vat Ramon samen in twee verzen van het prachtige gedicht ‘Breendonk’:
"wij, die te lankmoedig zijn / en lichtjes paranoïsch ook" [25].
Het spel met extremen, tegenstellingen, dubbelzinnigheden of allusies begint al bij de titel Ansichten zelf, zoals Jan van der Hoeven in zijn inleiding vaststelde (1): het woord verwijst naar "zichtkaarten" (zo is er inderdaad een zichtkaart afgedrukt op de achterflap van de bundel, terwijl de illustraties ook als prentkaarten opgevat werden) en "meningen, opvattingen", die inderdaad vrij duidelijk uit deze bundel spreken. Het motto van Poe vernoemt expliciet de ironie als literaire kwaliteit en dat van Bertrand, wiens lyrisch proza wel als voorbeeld wordt beschouwd van Baudelaires Petit poèmes en prose, stelt dat de bloemen der poëzie welriekend zijn, maar dat haar vruchten bitter smaken. Op de prentkaart op de achterflap geeft Ramon aan zijn bundel de ondertitel “dialektische gedichten” mee (een ondertitel op de achterflap ?!), wat eveneens opnieuw refereert aan begrippen als "redetwisten, twistredenaar, naar twee kanten praten, discussie door vraag en antwoord" etc. Elders heeft Ramon het over de slogans die twist zaaien in zijn zinnen [63] en over de "Widerspruch" tussen deze slogans en de werkelijkheid. Kortom, het moge duidelijk zijn dat Ramons poëzie, op het vlak van het grondgevoel waaruit het procedeert, wel degelijk raakpunten vertoont met dat van bv. Elsschot, Burssens, Minne, Claus, Gils of Spillemaeckers.
Ramon schrijft vrij eenvoudige gedichten – althans op het eerste gezicht direct puttend uit de werkelijkheid en met een veelal dagdagelijkse en onopgesmukte stemvoering: een parlandisme dat hem overigens dicht in de buurt brengt van het betere werk der nieuw-realisten, wier naïef optimisme en al te rechtstreeks engagement hij nochtans niet deelt. Opvallend in deze gedichten – die alle gecentreerd zijn rond een stad of land (streek), wat hen het karakter geeft van ansichtkaarten – is vooreerst de veelal grijze, mistige, onbestemde atmosfeer die hangt over plaatsen of steden, en die de scherpe hoekjes van de ironie schijnt af te ronden, te corrigeren met een patine van zachte en milde weemoed. Zo vernauwt de ruimte zich "tot een bewasemde stolp" [9], heeft enkel de regenboog nog kleur [11], zijn de kleurlingen grauw en gesloten [11], is er in Torhout niets dan mist [33] en lopen de mensen onder een aanhoudende regen [37]. In Leningrad ziet Ramon "fade façades" en "nevelen over de neva", en ook het woord der tolken klinkt er "troebel" [53]. Uit deze atmosferische gesteldheid weerklinkt uiteraard ook het besef van de uniformiteit der Waarheid, van de opaciteit der Werkelijkheid, waartegen de ironie en de dialectiek moeten rebelleren.
"L'ironie, c'est la gaieté un peu mélancolique que nous inspire la découverte d'une pluralité" (Jank. 37). Personen of instellingen die dit meerdimensionale perspectief doelbewust uitschakelen of inkrimpen worden het mikpunt van de ironische spot. Zo de k/Kerk bv.: als gebouw: "waarin / het verleden leeft / (quoique très cancreuse)" en waarin zich mensen bevinden "op hun bidvlak, wellicht / denkend aan het viernamaals - in wie de toekomst sterft" [13]; of als instelling: "zij die wijwater en / bloed deden vloeien zegenenen / zegenen ..." [25]. De vervorming der woorden (bidvlak/zitvlak) als ironisch procédé komt veelvuldig voor in deze bundel. De ironische herhaling (zegenen zegenen ...) wordt ook gebruikt waar Ramon het groteske massatoerisme ridiculiseert ("levende raccourcis in rolstoelen ... en de begeleiders / de begeleiders lachen, / lachen ([15] ), of waar hij het gedwongen immobilisme van de mens in het Oostblok aan de kaak stelt ("wachten zij ? / zij wachten."; herhaling van vragen [39] ; opsomming van de antwoorden der boekhandelaars in Praag [37] ).
Tweede grote mikpunt, en wellicht het belangrijkste in de bundel, vormen de totalitaire, fascistoïde en repressieve regimes, in welk kleurtje zij zich ook gestoken hebben. Zo ziet Ramon in Vichy (de ‘Etat français’ van Pétain) de "ouderlingen / krap bij krachten, / doch financieel / kennelijk nog kras / kurend" dromen "ja van welk régime?" [19]. In Praag voelt hij zeer scherp de tweespalt aan tussen hoop op bevrijding en vrees voor de tanks [37-41], in Leningrad, waar nu de bojaren dansen in Astoria, treft hem de hypocrisie van het Sovjet-régime [51-53].
Het fascisme als zodanig wordt echter het felst geïroniseerd. Het aangrijpende gedicht ‘Breendonk’ is in dit opzicht exemplarisch. Niet alleen schokken hier de schijnheiligheid en de lafheid van hen die Toen niets deden en Nu redevoeringen houden, maar hier voelt de dichter het sterkst zijn eigen onmacht en verantwoordelijkheid aan: "er is veel ijdelheid nodig / om, dit ziende, toch nog / woorden in 't gelid te zetten", vermits "het bloed, hoewel gestold, / nog tegen ons getuigt" [25]. Het huidige Duitsland wordt dan ook niet gespaard. Wanneer de dichter in de Kölner zoo de vretende dames aan de terrasjes aanschouwt, vraagt hij zich af: "zullen zij stijgen / of / zullen zij zijgen / of / zullen zij gewoon / tot de hoofdmaaltijd overgaan" [43]. Even terzijde: dat deze dames Rombouts (koffie) slurpen is in deze ironische bundel wel niet toevallig: het is een verborgen eresaluutje, een knipoogje naar de uitgever. Verder leven de dames van hun "lijkrente" (lijk/lijf) in het "rijk van délial" (of is het Belial ?), waar de resten van het Reich "gebruind" (!) worden [44-45]. In Baden-Baden is de wereld nog volledig "nach ihrem Wille und ihrer Vorstellung" (Schopenhauer), in hetzelfde gedicht zijn de "Monumentalmänner" "bruin (!) geërgerd", er is sprake van een bruin orkest en men ziet er slepende benen [55]. Zelfs hier blijft Ramon echter vrij mild, vergeleken bij Mulisch in De Toekomst van Gisteren: "Het aantal benen was op geen stukken na het dubbele van het aantal aanwezigen" (nl. in het Festspielhaus te Bayreuth).
De gedichten ‘Republiken I, II en III’ [59-63] ironiseren alweer Duitsland, maar dan wel de rechterhelft (die, zoals wij weten, eigenlijk de linkervleugel vormt), hoewel de verandering van regime weinig aarde aan de dijk heeft gebracht: alles is hier nog steeds "Macht und Hegel" (vgl. Nacht und Nebel) [59]; de rook heeft er nog altijd de kleur van as (de kampen) [59]; de slogans zijn er, zoals altijd en overal, met de werkelijkheid "in volkommenem, ja lächerlichem Widerspruch" [63].
Ook sociale anomalieën worden aan de orde gesteld, zij het minder frequent. In ‘Sainte Marie-aux-mines’ treft ons de onverschilligheid van de gids die tijdens een rondleiding gruwelijkheden opdist over de slavenarbeid in de mijnen, en de wandeling zonder verder commentaar besluit met: "n'oubliez pas le guide, merci [21]. Na een bezoek aan het Verre Oosten constateert Ramon: "de riksja rent de doden naar hun kuil / hun laatste en hun / eerste weelde" [23], terwijl in de buurt van Amsterdam op een paaszondag druk auto's worden gewassen: "gewoon Putz und Einfühlung" [29], besluit de dichter (wellicht verwijzend naar Worringers Abstraktion und Einfühlung).
Rest natuurlijk Vlaanderen nog, het vertrekpunt voor en de aankomst of thuishaven na al deze uitstappen, reizen en impressies. Hier heerst echter de leegte, de grenzeloze apathie: in Torhout valt er de hele week niks te beleven, behalve dan de markt [33] . Het slotgedicht van de bundel, ‘Dans les steppes de la Flandre occidentale’ [65], rondt de hele bundel logisch af: "hier word ik geacht thuis te zijn". Merk de nuance, die er duidelijk op wijst dat de dichter zich hier niet zo erg thuis voelt! Hij rekent dan ook duchtig af met de valse romantiek van deze "wakke vlakten", met de huiselijkheid de gezelligheid, de bekrompenheid. In Vlaanderen, stelt Ramon, leiden "late jonkers / hun illegale levens van legaten" (politici?) en zullen tot in lengte van dagen blijven rondzwerven "de grijze gezellen van den zwigenden ede / die op prebenden teren" (de clerus?) en de "nazaten van zwarte zoeaven" (priesters?), zingend en bier zuipend.
Onze rondleiding langs deze literaire ansichtkaarten moge hiermee ten einde zijn. Dank voor de aandacht, en gelieve vooral uw gids niet te vergeten, die ditmaal dezelfde wandeling morgen niet mechanisch zal herhalen, maar die met deze gedichten nog lang in de maag zal blijven zitten. Dit wou ik toch nog even kwijt: ik ben Ramon dankbaar voor deze bundel van de pijnlijke en helende luciditeit, van de elliptische bewustwording. Ramon heeft veel begrepen. Hij weigert tussen paradoxen en tegenstellingen een definitieve keuze te maken, en verkiest het onthullend eufemisme boven de pathetische lokroep. Daardoor schaart hij zich aan de kant der rechtvaardigen. Hij is één van de weinigen, dezer dagen. En één van de laatsten, vrees ik een beetje.
Luc PAY (juni 1980)
📢 (2) Vladimir Jankélévitch, L'ironie. Flammarion 1964 (Collection Champs).
📌 Renaat Ramon, Ansichten. Antwerpen, Contramine, 1980.
[In: Trap Editie, 5 (1980) 3, z.p.]



