Pink Poets and Pink Poetry visited (1977)

Mais plus tard, mais aujourd'hui, les individualités disparaissent, ou elles agissent avec toute leur vérité dans le drame de l'histoire. C'est là qu'on va les chercher. Le mouvement des choses est si rapide, ce drame de l'histoire appelle tant de personnages sur la scène, la critique exerce sur toutes ces figures du temps une si scrupuleuse sagacité, que le prestige de l'imagination est bientôt détruit, et qu'il ne reste aux grands hommes que le prestige de leur puissance ou de leur génie; celui de la poésie ne leur appartient plus.

 A. de Lamartine, Jocelyn.

 


H.C. Pernath, Eerste Gouverneur van Pink, 

in eerbiedige herinnering opgedragen.

 


Patrick Conrad & Jane Gershenson
Om twee redenen is het zeer moeilijk een definitie te geven van wat we voorlopig nog globaal ‘Pink’ willen noemen. Ten eerste bestaan er haast geen schriftelijke documenten die dit verschijnsel belichten, ten tweede willen de Pinks zelf, waar die schaarse geschriften dan toch bestaan (1), blijkbaar angstvallig een duidelijke definitie van hun groepsverband ontwijken, ja zelfs een eventuele omschrijving op een spottend-ironische toon beletten. ‘Pink’ werd in het leven geroepen op 22 november 1972 (te 16 u. precies) door twee van zijn nu meest illustere figuren, Patrick Conrad en Nic van Bruggen, bij het degusteren van roze roomijs in Patisserie Thijs aan de De Keyserlei te Antwerpen. Niets meer, niets minder. Sindsdien is Pink uitgegroeid tot een eerbiedwaardig, zeventien leden tellend genootschap waarvan de namenlijst achteraan wordt gegeven. Wie de moeite doet eerst even dit lijstje door te nemen, zal merken dat het 'stuk voor stuk' gaat om heren die op een vrij hoog intellektueel-kritisch of artistiek niveau werkzaam zijn. Opvallend is echter wel dat Pink niet uitsluitend een literaire ‘beweging’ is, en dat ook niet wil zijn. Het is veeleer een groep mensen die min of meer dezelfde intenties koesteren of een gelijkaardige levensmentaliteit kultiveren.

In de volksmond (d.i. bij minder geïnformeerde of belezen krantenrecensenten of bepaalde nog steeds onvolwassen tijdschriftenredakteurs) wordt deze filosofie gelijkgeschakeld met het snobistisch vertoon van een materieel-elitaire status: dure wagens, extravagante kleding, niet-alledaagse restaurants, dandyisme, maniërisme – kortom, allerlei epitheta die erop gericht zijn de groep zo onsympathiek en wereldvreemd mogelijk voor te stellen. Gedeeltelijk als gevolg van deze veelvuldige aanvallen besloten Conrad en van Bruggen in 1972 tot de oprichting van Pink, met de bedoeling dan wel (o.a.) het op hen beiden reeds eerder gekleefde etiket om te zetten tot een realiteit in groepsverband.

 

Het is een feit dat elk Pink-lid zich op zijn minst sterk bewust is van zijn eigen, onvervangbare identiteit. Zij doen, althans ten opzichte van de buitenwereld, aan een ‘culte du moi’ die schril afsteekt bij de vervlakking, massifikatie en afstomping die de moderne kultuur met zich schijnt te brengen. Nic van Bruggen spreekt trouwens over de dandy als een "intellektueel anarchist in de bourgeois-maarschappij". Jespers bestemptelt de dandyeske houding als "subversief" (2). Het valt erg te betreuren dat een hele reeks literatuur-meteorologen enkel het aspect van de uiterlijke extravagantie beschouwen en de hele groep op basis hiervan als een sectarisch genootschap van curiosa catalogeren. Overigens berust deze eenzijdige zienswijze veelal op fabels of hooguit enkele losse feiten, die op een uiterst naïeve manier veralgemeend worden. Op de één of andere manier schijnen de Pinks echter wel op te vallen in hun uitwendige zijn en handelen, wat slechts toegejuicht kan worden als een merkwaardige ‘confirmation de présence’ in een tijd waarin de meesten hun eigen gezicht dreigen te verliezen onder druk van een massale en ideologisch bepaalde nivellering. En als er dan toch zaken of uitspraken van Pinkwege zijn die minder sympathiek overkomen (3), dan zou ik ze veeleer beschouwen als een vorm van romantische ironie, waardoor Pink enerzijds zichzelf zeer sterk (voor sommigen misschien wel negatief) affirmeert, maar die anderzijds een even sterk gevoel van kwetsbaarheid en zelfrelativering niet volledig kan verbergen.

 

Pink is een gesloten groep met een eigen hiërarchie, eigen normen, een eigen code van inwendige orde. Een elite die enkel op basis van kwalitatief hoogstaande prestaties (en dus meteen een vrij strenge selektie) nieuwe leden tot zich trekt, wat overigens haar goed recht is. Je komt er niet in voor je serieus werk hebt geleverd, zodat over dat werk zelf ook niet meer hoeft gezeuld te worden binnen de eigen kring: het is immers al genoeg bekend en heeft zijn verdiensten getoond. Vandaar ook dat binnen Pink waarschijnlijk veel minder aan zelfverheerlijking en bewieroking van de medebroeders wordt gedaan dan de meeste oppervlakkige toeschouwers wel durven vermoeden. Overigens vergeet men zeer dikwijls gewoon de vriendschappelijke banden die er tussen de Pink-leden bestaan. Hier merken we wellicht ook de ware betekenisinhoud die aan het woord 'elite' gegeven moet  worden: een kleine groep mensen met zekere affiniteiten die een aantal waarden zoals eruditie, beschaving, intellektuele of artistieke vorming en/of prestatie, kritische zin en authenticiteit, hulpvaardigheid en begrip voor de leden, in ere wil houden. Wie inderdaad van de noodzaak van deze waarden overtuigd is en reëel zijn bijdrage levert tot de ontwikkeling ervan, wordt in het Pink-entourage beslist niet geweigerd, en merkt algauw dat het kontakt met de groep boeiend, stimulerend en verheffend kan werken. Een open elite dus, die echter haar normen vrij hoog heeft gesteld. Gelukkig maar. 
Wat houdt nu echter konkreet de Pinks samen? 


Zijzelf schijnen, zoals gezegd, niet erg te houden van een vastomlijnde begripsbepaling, noch van een neergeschreven en dus onveranderlijk, bindend credo dat ze samen zouden onderschrijven. Zij beroepen zich veeleer op een 'mentaliteit', op tradities die voorlopig enkel mondeling geëxpliciteerd en vooral vrij vaag gehouden worden, zodat de mystifikatie van Pink en het onbegrip van het publiek nog toenemen. Zij waarschuwen de lezer geen gemene deler te willen zoeken voor figuren die zich te autonoom, te eigengereid, te vrijheidslievend opstellen.


Pinks (vlnr.): Albert Szukalski, Michel Bartosik, Robert Lowet, Hughes C. Pernath,
Henri-Floris. Jespers, Georges Adé, Paul de Vree, Patrick Conrad, Nic van Bruggen, Werner Spillemaeckers
(uit: N. van Bruggen, Dagboek van een Pink Poet, 1975)
 
Vermoedelijk is precies de afwezigheid van een neergeschreven stellingname de garantie voor de duurzaamheid van de groep. De beroepen of bezigheden binnen Pink zijn nogal uiteenlopend, vier verschillende politieke partijen zijn er vertegenwoordigd, de meeste Pinks zijn vrijzinnig maar ook het christelijke element is aanwezig. Te heterogeen misschien om op basis hiervan een gesloten, op lange termijn goed-functionerende groep te funderen. Wat de Pinks echter wel gemeen hebben zijn de zin voor savoir-faire, de intellektuele bagage, een voortdurende aandacht voor en waakzaamheid ten opzichte van de socio-politieke kontekst en een diepwortelende bekommernis voor de positie van het kunstgebeuren in het huidige maatschappijbeeld, zonder daarom in een schreeuwerig mode-engagement te vervallen.

 

Zij zijn de typische vertegenwoordigers van een aristokratische en verfijnde stadskultuur,

In de VECU. In de achtergrond is kelner
'mijnheer Maurice' al druk in de weer. (foto GvA)
kosmopolitisch en vrijheidslievend (= Antwerps), heftig gekant tegen elke vorm van platvloers provincialisme, vulgariteit, bevooroordeeld onbegrip en kultuurtoerisme. Soms, wanneer ze naar buiten treden bij lezingen, congressen of debatten, herinnert hun (meestal) beheerste gebaar en de koele zelfzekerheid, het bijna manieroso van hun hele houding, de scherpe blik, het kalme maar snedige wederwoord – getuigend van een enorme belezenheid –  aan de serene waardigheid en de beheerste plechtigheid van de ideale, verfijnde Renaissance-aristokraat, zoals die in Castiglione's Il Cortegiano wordt getekend. Soms herinneren ze eerder aan de romantische of decadente 19de-eeuwse intelligentsia, wanneer men, vooral in hun werk dan, aandacht schenkt aan de overheersende melancholische toonaard, het fatalisme en het fatale, het spel van verscheurdheid en paradoxen en het waas van monomanie en ongenaakbaarheid (dat ze zowel in hun werk inbouwen als rond zichzelf weven). Een literair profiel geven van de hele groep is nochtans onmogelijk : niet alle Pink Poets zijn dichters, en de poëten onder hen zijn te verschillend om ze over dezelfde kam te scheren. Wel kan gezegd worden dat de groep zich afzet tegen de richting van het nieuw-realisme, en een poëzie voorstaat die hermetisch is, gericht op zichzelf en vooral de taal, en die nog steeds als een sacraal gebeuren wordt ervaren.

Een mooi voorbeeld van deze pinke poëzie is Patrick Conrads laatste bundel Continental Hotel (CH), die een aantal van de reeds eerder bij deze dichter aangekondigde decadent-esthetische thema's herhaalt, zij het dan op een nieuwe en wellicht gerijpte wijze.


(1975)

Zoals steeds is ook deze bundel “een kronijk van [Conrads] levenservaring, die echter vermomd, gemaskerd wordt” (4), de gedichten zijn “gelogen afleveringen van een gedroomde autobiografie” (4). Jan de Roek reeds had geschreven dat deze dichter “zijn eigen hagiograaf” (5) is, en zijn poëzie “empirisch en situationeel” (6). Het autobiografische element is in CH nochtans veel sterker aanwezig, minder gemaskerd dan in vorige bundels. Het gevolg hiervan is dat de gemaniëreerde complexiteit, de patine van geposeerde oppervlakkigheid, de distantiëring en de speelsheid, zo kenmerkend voor het vroege werk van Conrad, nu verdrongen worden door een drang naar persoonlijke betrokkenheid, doorleefde agressiviteit tegen en afrekening met het omringende gebeuren. CH wint hierdoor aan authenticiteit en innigheid, en benadert de belijdenislyriek. Conrad schijnt een nieuwe stap gedaan te hebben in zijn evolutie, waarschijnlijk omdat hij nu de dertig overschreden heeft en er bij hem “duidelijk enige geïrriteerdheid waar te nemen [is] over het image dat hij weliswaar zelf heeft opgebouwd, maar dat hem ook van langsom meer werd opgedrongen” (7). De dichter, zo lang “gevangen in zijn huid” (8), wil ontsnappen en rusten. Aanleiding voor deze gewijzigde poëtische koers vormen de scheiding tussen de dichter en zijn vrouw, de geboorte van zijn zoon, en de dood van H.C. Pernath.

 

Nog steeds is de overheersende toon die van droefheid en leegte, van het tekort, maar Conrad verzoent zich ermee, tracht voorlopig te berusten in zijn pijn: “ik die me voorgoed neerleg bij het groeien van mijn letsels” [43]. Hij maakt in alle stilte de balans op van zijn leven “temidden mijn rokende ruïnen” [38], op een moment dat “de hevigste rampen omwille van de tijd onduidelijker/ en minder pijnlijk lijken” [40]. Destructie en strijd hebben hun stigma's geslagen, de dichter poogt te redden wat rest: “Nu alles voorbij is en de zachtste stemmen vergeten... Geluidloos verzamel de wrakken van voorbije stormen” [26].

 

Zo blijft hij achter in het hotel, doorgangsplaats bij uitstek en artificiële thuis, als “de verbijsterde voorbijganger die verdriet verspreidt” [47] met zijn fundamentele eenzelvigheid en eenzaamheid: “De ingewortelde eenzaamheid, niet te verwoorden” [28]. Als wapen tegen een problematische kommunikatie met de medemens fungeerde vroeger het masker. “Het dandyisme is een levenshouding. Het betekent voortdurend maskers opzetten, je steeds vermommen, je nooit laten zien zoals je werkelijk bent. Het is de leugen als systeem toepassen. Steeds is er de ambivalentie van je relaties tot de anderen. Ik [= Conrad] denk trouwens dat het onmogelijk is contacten te hebben met andere mensen, tenzij op een elementair niveau en dan nog op een geveinsde manier. Tevens is er het bewustzijn van het clowneske karakter van je eigen personage. Je speelt een spel waarin je zelf niet gelooft” (9). In CH is Conrad zich echter bewust geworden van het feit dat maskers voor de drager ervan gevaarlijk kunnen zijn, en ze worden dan ook stilaan afgeworpen: “Ik geef me/bloot nu en tel af” [19]. Uiteraard wordt de dichter hierdoor erg kwetsbaar, maar tegelijk oprechter en humaner. De enige kostumering die nog aanvaard wordt is die van het Verdriet, “de lauwe maskaratranen van de maskerade” [39] of “verkleed ik mij in traan” [29]. Conrad, “geduldig meeijverend aan de Algemene Afbraak” [42], is immers geboren “op de rimmelstranden van haar tranenzee” [39].

 

Van rancune of bitterheid door de geleden pijn is echter geen sprake. Uit CH spreekt een mildheid die voor Conrad eerder ongewoon is: “Zo zal ik vrezen wie mij schaduwt, wie mij schuwt./ En tellend treden uit deze toorn, gelaten de gelaten/ van dit verhaal vergetend, vergevend/ wie getuigde, wie oordeelde en zag” [67]. Angst en kwetsbaarheid hebben de plaats ingenomen van woede en aanval, die toch slechts leiden tot moeheid en het smeken om geborgenheid en vriendschap. De dichter zoekt nu de warme, veilige kring van de vertrouwden: “Praten doe ik met niemand meer, de anderen horen mij evenmin. Tenzij:/ met de enkelen die mij trachten te troosten en enkel met hen” [59]. Een gedwongen terugtocht dus, waarbij de anderen nog slechts “vaag in de verte leven” [59], en de kontaktstoornis aanvaard wordt als een voldongen feit: “Want wat wij verkondigen weten slechts weinigen” [56].

 

Wat de liefde betreft is Conrad veel scherper, bijna cynisch zelfs. Hij rekent definitief af met een periode in zijn leven, die blijkbaar erg pijnlijk is geweest: “Adieu Overtollige Vrouw! Uw plaats is tussen de ezels!” [15]. De vrouw heeft “kwabben” [14], wordt een “zoogdier, zuigdier, buidel vol Vlaamse spijzen en wijnen” [14], haar geslacht is “het droge ding” [68] of een “voze schacht” [69]. Elders verwijt hij haar hem niet begrepen te hebben in zijn sensibiliteit: “jij die je cijfers,/ je meubels en je trots,/ maar niet de niet/te leren taal der tederheid kent” [28].

Continental Hotel (p. 45)
Bovendien wordt zij geassocieerd met de dood, waardoor Conrad zich bewust inschakelt in de prerafaëlitische en decadente tradities. Hier werd de vrouw immers op een paradoxale manier aanbeden als een onontwijkbare aantrekkingspool en tegelijk als de oorzaak van dood en verderf. Het motto van deel III van CH is trouwens ontleend aan het beroemde gedicht van Shelley over de Medusa, waarin de fatale en giftige schoonheid van deze mytische figuur bezongen wordt. Zo spreekt ook Conrad over “het geurende graf van haar mond” [38], noemt zichzelf “vrouwelijk als de dood” [65], blikt terug op de liefde “met haar reeuwse geur van rouw en overgave,/ wraak” [17], en is “Sprakeloos... na de liefde als na de dood” [59]. Toch wordt de dichter plotseling agressief en zoekt een nieuwe kans: “Weg met de vervėlende kruimels der voorbije, gelogen liefdes!/ Weg met het berouw, het gemelk der moeders,/  de schaamte, het geween der welpen!” [30]. Dit is de tabula rasa, en de belofte van een nieuwe en wellicht krachtiger liefde: “De stille stappen op de drempel... zijn... van de verblinde, verlossende minnaar” [13], en: “Straks... lik ik, met onder de ogen/ de blauwe balken der Erkentelijkheid, je Aziatisch aarsje schoon” [30].

 

Toch blijven steeds het besef van het falen: “verleerde waarlijk het gebruik van mijn warmste wapens” [26] en het vluchtige, momentane aspect van de liefde: “En wat zou ik nog van de liefde verwachten, klein wentelteefje,/  tenzij dat ze duurt de tijdspanne van een tekst,/ de duur van een dans?” [41]. Van het gebroken samenzijn met de eerste vrouw blijft als een pijnlijk, levend teken, de zoon, Matthias Conrad, aan wie de bundel werd opgedragen. Het kind, dat door de moeder gedragen is “als een vracht” [16], komt niet onbesmet als een fris en ontluikend leven met een hoopvolle toekomst op de wereld. De vader immers, “verbannen/ in gewaden van schande. Besmeurd en besmet achter de snavel” [66], vraagt zich af: “Zal ook ik de bleke zonen van mijn zonen besmetten” [43], omdat de schuld en de pijn onuitwisbaar en wellicht erfelijk zijn. Dit staat overigens het kind te wachten: “na het water de tangen de kreet de koek,/ begint het leven met het leven:/ De onschuld de schuld, de trouw de ontrouw,/ de verveling, de vertwijfeling, de cocktails, de waanzin./ En stroomopwaarts: de dood” [16].

 

Zoals in de vorige bundels blijft het leven een zinloze aangelegenheid vol paradoxen en banaliteiten, die haar culminatiepunt bereikt in de dood. De houding van de vader tot het kind is dan ook ambivalent: enerzijds is er de vaderlijke trots en liefde voor de zoon, anderzijds herinnert het kind de dichter blijvend aan een pijnlijke levensepisode en gaat het waarschijnlijk dezelfe teleurstellingen tegemoet als zijn vader: “in het bed van haar buik/ was paars en wenend voor de wereld ontwaakt/ wat ik liefheb en betreur” [66). In de zoon projecteert Conrad bovendien een ander thema dat hem reeds zo lang bezighoudt: de schoonheid. Hij noemt het kind een “posthume telg van serene tijden” [5] – opnieuw is er de merkwaardige verbinding van twee tegenpolen, hier dood en geboorte – die “fier de schande van [zijn] schoonheid [draagt]” [5]. De schoonheid is schandelijk omdat zij niet van deze wereld is en onbereikbaar, ook omdat in haar aanschijn het besef van lelijkheid en vulgariteit rondom ons des te sterker wordt. Zoals bij de decadente schrijvers en schilders wordt schoonheid onmiddellijk gekoppeld aan dood, melancholie, fataliteit en schande, en verkrijgt ze alzo de sfinx-allures uit de laat-19de-eeuwse esthetiek van morbiede schoonheid en dubbelzinnige erotiek. Overigens is ook dit laatste element aanwezig in CH, zij het dan in een zeer vage en bedekte vorm. “O verdoemd en behaagziek koppel/ dat bemint tot bloedens toe,/ aan niets het leven schenkt en vlucht/ voor 't verraad van vrienden en vrouwen» [50] lijkt me te wijzen in de richting van homosexualiteit, maar ik meen dat dit aspect in CH veel minder relevant is dan in vroegere bundels. Als belangrijke constante blijft echter de doodsproblematiek, wat reeds moge blijken uit wat hoger werd gezegd in verband met de vrouw en het kind. Het besef van de naderende dood is steeds pijnlijk aanwezig, omdat het leven uiteindelijk niets anders is dan roeien op de stroom van de tijd naar het einde toe, naar het verval, naar de zo gevreesde en tevens begeerde voltooiing. “het was het geluk gewoon,/ dat de dingen troebel maakte./ (Of de steeds aanwezige, hoestende en proestende dood.)” [40]. Vandaar ook de vaak voorkomende motieven van herfst [26-28-29], verrotting [27-42-48-66], van avond, nacht en duisternis [15-20-25-27-28-37-41-68].


'De verbijsterde voorbijganger die verdriet verspreidt' (?)
(Continental Hotel, deel IV)

In deel V van de bundel, “Requiem”, vertaalt Conrad in poëtische termen het afsterven van zijn wellicht meest intieme vriend, de dichter H.C. Pernath, met wie hij zich trouwens identificeert: “wij...:/ de doven die als dichters de dood aanhoorden,/ de kalme dragers der eeuwig koude maskers» [56]. Andermaal een paradox, 'de dove die hoort', zoals Tiresias ondanks of juist dankzij zijn blindheid ziener was. Herhaaldelijk worden de nauwe banden benadrukt die er tussen de twee dichters bestonden  “de stad waarin wij... zoekend en falend/ vrienden en vrouwen deelden>> [56] of “gemeen hadden we, buiten de geknakte rede,/ onmacht en overgave en het bedrog van hun beloften” [59]. Zij leden beiden dezelfde pijnen van eenzaamheid, leugens, moeilijk kontakt met de medemens, liefde. Zo wordt Conrad de erfgenaam van deze dichter die het leven als één lange, moeizame weg naar de dood, ja als de dood zelf beschouwde: “bevend betreed ik de treden van de pijn:/ Erven wat verging is sterven op wat puin” [57]. Maar juist op het moment dat het einde zo helder zichtbaar wordt, dat één der extremen van het menselijke leven is bereikt, precies dan kantelt de poëzie van Conrad weer over naar de tegengestelde pool. “Zijn gedichten zijn afwisselend het relaas van zijn nederlaag en van een nieuwe poging om aan te knopen” (10), ze bewegen zich in het energieveld van de kortsluiting der universele tegenstellingen. Inderdaad, ondanks “de grote moeheid” [57] of “de Grote Droogte” [30] die in de dichter heersen wil hij opnieuw leven: “En weer zwelt...in mij/ de duistere drang iets te strelen (een boek, een dier, een plooi, een gladde, glanzende vrucht)” [57], en zoekt hij een balsem voor de hypergevoeligheid die hem zo kwetsbaar maakt: “Wellicht smeek ik slechts om tederheid» [26].

Plotseling wordt ook de vriendschap zinvol en noodzakelijk: “Wij [= de overlevenden na Pernaths dood] kusten elkaar als mannen” [57] of “de overlevenden... verrassen de vreemden met hun vraag naar vriendschap» [58]. Zelfs een programma klinkt op uit de vier ‘Requiem’-gedichten: “Tot ook ik tenslotte – tot ook zij na dit slenteren –/ na de wanhoop, na de waanzin deze zaal zal verlaten,/wil ik de duidelijkheid verduisteren, de eenvoud vertrappelen» [59]. De dandy immers “wordt niet alleen aangetrokken door het bizarre, het hyper verfijnde, het ziekelijk mooie, hij heeft ook een hekel aan de eenvoud. Hoe ingewikkelder de menselijke betrekkingen zijn, hoe interessanter ze worden. Vele mensen houden van de eenvoud, maar dat is dan beatitude, een vorm van mediocriteit, van gemakzucht” (11).

 

In een tijd van puur utilitaire eenduidigheid en formalisme worden begrippen als complexiteit, polyvalentie, dubbelzinnigheid, de laatste springplank naar menswaardigheid, creativiteit, kritisch en prospectief denken. Zo beleeft ook Conrad de meerduidigheid van de taal, de zinvolle nutteloosheid van de poëzie: «en weer zwelt, ondanks de grote moeheid, in mij/ de duistere drang... tevergeefs de tamme tekens van mijn taal te ordenen,/ mijn haat en mijn leed in een laatste extase te verwoorden.” [57]  

Wij hopen niet de laatste. Deze verrukking is immers te droevig, deze pijn te mooi.

 

Luc PAY

 

📌  Patrick Conrad pp, Continental Hotel of De duisternis der dingen loert. 1974-1975.

       Antwerpen, Pink Editions & Productions, 1975. 73 p.

 

📢 De ( ) verwijzen naar de voetnoten, de [ ] naar bladzijden in de bundel.


    📎  Geraadpleegde literatuur

 

1. Avenue redactie, ‘Pink Poets: geboren uit een coupe framboise’. In: Avenue, oktober 1975,
    pp. 1B-9B.

2. Michel Bartosik, Michel, Patrick Conrad: 11 Sad Songs for Edward Kienholz 1970-1971. 

     In: Impuls 1972, jg. 4, nr 1 p. 47-50.

3. Hugo Brems, ‘Twee dichters’. In: Dietsche Warande en Belfort 1972, p. 701-703.

4. J.F. Buyck, 'Schönheit und Grauen – tekeningen van Patrick Conrad’. In: Catalogus bij de tentoonstelling 'P. Conrad Tekeningen'. Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, 1976 (z.p.).

5. Jan de Roek, ‘Patrick Conrad – “Sterven is zijn eigen ogen zien”. In: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1969, p. 190-219.

6. Henri-Floris Jespers, ‘Maniërisme en moderne sensibiliteit’. In: Patrick Conrad, Mercantile Marine Engineering. Brugge/Antwerpen, de galge, 1967, p. 133-147.

7. Willem M. Roggeman, ‘Gesprek met Patrick Conrad’. In: De Vlaamse Gids, 1972 nr 11, p. 34-37.

8. Nic van Bruggen, Uit het dagboek van een Pink Poet. Met een voorwoord van Henri-Floris Jespers. Antwerpen, Walter Soethoudt, 1975.

9. Laurent Veydt en P. Conrad, ‘De Arkprijs 1969’. In: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1969, 
     p. 483-487.

 

    📎 Noten

 

(1)  zie bibliografie nrs 1 en 8
(2)  beiden in Avenue 1975 p. 3B
(3)  zie bv. Avenue 1975 p. 5B
(4)  twee uitspraken van Conrad in Roggeman 1972 p. 35
(5)  De Roek 1969 p. 203
(6)  De Roek 1969 p. 193
(7)  Buyck 1976 p. 2 van zijn tekst
(8)  De Roek 1969 p. 203
(9)  Conrad in Roggeman 1972 p. 35
(10) De Roek 1969 p. 204

(11) Conrad in Roggeman 1972 p. 35.


    📎  De leden van het Pink-genootschap

 

H.C. Pernath †, eerste gouverneur (dichter)

Georges Adé (letterkundige, romancier)

Michel Bartosik (dichter en letterkundige)

Walter Beckers (uitgever)

Patrick Conrad (dichter, tekenaar, filmregisseur)

André Delvaux (filmregisseur)

Paul de Vree (romancier, dichter, letterkundige)

Marnix Gijsen (romancier, dichter)

Gustav René Hocke (kunsthistoricus)

Henri-Floris Jespers (dichter, letterkundige) gouverneur Karel Jonckheere (romancier, dichter, letterkundige) Robert Lowet de Wotrenge (uitgever)

Michel Oukhow (historicus, literatuursocioloog)

Paul Snoek (dichter)

Werner Spillemaeckers (dichter)

Albert Szukalski (plastisch kunstenaar)

Guy Vaes (letterkundige, criticus, fotograaf)

Nic van Bruggen (dichter, grafisch kunstenaar)



[In: De Vlaamse Gids, jrg. 61 (sept.-okt. 1977) nr. 5, p.  33-41]



16 juli 2024, met zo'n heerlijke caipirinha.
Saúd! (foto Jane Gershenson)