Mousaios: van twee (verliefde) Griekse kinderen (2016)

                                                    [He] swam for Love, as I for Glory; 'Twere hard to say who                                                                            fared the best; [...] He lost his labour, I my jest                                                                                                                                   (Lord Byron)

                                                                   Want zwemmen is een beetje bijna heilig zijn

                                                                                                                      (Paul Snoek)



"Godin, vertel mij, hoe een lamp getuige werd/ van heimelijke liefde, hoe een zwemmer 's nachts/ de zee, om overzee te trouwen, overzwom." Zo begint de schitterende vertaling door Berenice Verhelst (°1987) van die heerlijke Oudgriekse parel Hero & Leander, geschreven door Mousaios Grammatikos in de late 5de eeuw. Hellas is al even aan zijn Byzantijnse periode begonnen; het Romeinse imperium is ingestort; Constantinopel wordt het nieuwe centrum van de beschaafde wereld ten nadele van Rome, Athene of Alexandrië... en Mousaios wordt, samen met nog slechts een enkele zeldzame vermeldenswaardige collega, beschouwd als één van de allerlaatste hoogtepunten van de Oudgriekse literatuur. Het verhaal van de tragische geliefden Hero & Leander is wellicht ook bekend onder niet-classici, althans bij diegenen die vertrouwd zijn met onze middeleeuwse volksballade ('romance'?) Het waren twee koningskinderen (eind 15de eeuw?).

Hero - aan wie Mousaios goddelijke afkomst toeschrijft als "telg van Zeus, met godenbloed" (p. 7) is een wondermooi priesteresje in dienst van de godin Afrodite (alias Kypris of Kythereia) en verblijft, door haar ouders gedwongen (waarom?) in de eenzaamheid van een toren op de Europese oever van de Hellespont. Tijdens "het grote festival van Kypris en Adonis" (p. 7) ontmoet zij toevallig Leander, een jongen uit het tegenover Sestos in Azië gelegen Abydos; ze worden op slag hopeloos op elkaar verliefd, "onverhoeds door felle pijlen overweldigd" (p. 11). Na haar aanvankelijke gespeelde meisjesachtige weerstand overtuigt Leander haar hem als minnaar (en echtgenoot) te aanvaarden: het past een priesteresje van Kypris immers niet onwetend te blijven over de eigenlijke liefdesdienst, want "Afrodite heeft aan maagden geen plezier" (p. 15). Hero waarschuwt Leander nog wel dat hun liefde absoluut geheim moet blijven, want door de "hatelijke plannen van mijn ouders/ heb ik de zee als buur" en "te trouwen voor de goden laat men ons niet toe": "mijn ouders keuren dat soort plannen vast niet goed" (p. 17). Maar Leander ontvouwt een vermetel plan: hij zal de Hellespont bij nacht overzwemmen om bij haar te zijn, als ze maar "één enkele lamp" ontsteekt "daar boven op je toren" (p. 19). Het plan lijkt te lukken. Bij het eerste nachtelijke lichtsignaal rukt hij "zich prompt de kleren van het welgevormde lijf./ Hij bond ze op zijn hoofd" (p. 23) en duikt de zee in, waarna ze voor de eerste keer "de rituelen van de wijze Afrodite" (p. 25) kunnen beleven. Hun huwelijk wordt omringd door de allegorische figuren Stilte, Donker en Nacht, en ook Dageraad kan hen nooit betrappen – in tegenstelling tot Romeo en (vooral) Juliet, die koppig het alarm van de leeuwerik negeren ("It was the nightingale, and not the lark..."). Hoe ook, het plan werkt slechts zo lang de zomer duurt, want "toen brak het winterseizoen aan met gure vlagen" (p. 25). Hero lijkt zo door haar liefde verblind (altijd, tja, die 'debilitas muliebris') dat ze zelfs ondanks de weersomstandigheden haar lamp ontsteekt: "Haar passie en het noodlot dwongen haar ertoe" (p. 27). Het onvermijdelijke gebeurt: de storm boven de Hellespont is zo hevig dat zelfs Leanders krachten het uiteindelijk begeven en de lamp wordt uitgeblazen (ik kreeg overigens de stellige indruk dat Leander al dood is voor de lamp gedoofd wordt: "... tot een gulp water door zijn keel naar binnen stroomde./ Het ging vanzelf, hij dronk het op, te veel ineens,/ een weerzinwekkend drankje met een brakke smaak", p. 29). Als Hero de volgende morgen haar "dode echtgenoot, verbrijzeld op de klippen" opmerkt, "scheurde ze de fraaie mantel rond haar borsten/ en liet zich ruisend van haar hoge toren vallen." (p. 29) Vertrouwde conclusie: "Steeds bleven zij tezamen, zelfs tot in hun dood." (p. 29).


Over de auteur, Mousaios, is helaas niet veel bekend. Mogelijk leefde hij van 490 tot 530 in Alexandrië, waar hij in christelijk-neoplatoonse kringen vertoefd zou hebben, wat door een tamelijk recente allegorische interpretatie van zijn werk (T. Gelzer, 1975) plausibel gemaakt wordt. Maar naast de biografie vormen nog andere, soms vrij problematische aspecten van zijn werk stof tot boeiend onderzoek. Tot welke literaire richting behoorde Mousaios (school van Nonnos van Panopolis) en tot welk literair genre zijn Hero & Leander (het Hellenistische epyllion); bestaat er een oertekst of -bron (bij Ovidius vinden we alleszins de oudste uitvoerige behandeling van de verhaalstof); wie waren zijn mogelijke literaire inspiratiebronnen (Nonnos, Vergilius, Homeros...); wat te zeggen over structuur, stijl, intertekstuele allusies (Mousaios blijkt een poeta doctus geweest te zijn); welk Nachleben kende het verhaal zowel in de literatuur als in de kunst (onze Koningskinderen, Marlowe, Chapman, Byron, Grillparzer – over wie later meer, of Rubens en Teniers); hoe kan Mousaios' werk geïnterpreteerd worden (als aitiologische mythe, als neoplatoonse allegorie met eventueel christelijke invloeden)? Ik zal de mogelijke antwoorden op deze en nog meer fascinerende vragen hier niet parafraserend kopiëren; de geïnteresseerde lezer kan daarvoor terecht in de uitstekend gestructureerde én helder geschreven masterscriptie (een doorwrocht, erg genuanceerd filologisch onderzoek mét reeds een volledige vertaling van het epyllion) van classica Berenice Verhelst (1) of in haar nawoord bij diezelfde, nu onlangs door uitgeverij P prachtig gepubliceerde en licht herwerkte vertaling (p. 31-39).

 

Mousaios mag dan al behoren tot een veronachtzaamd of zelfs genegeerd segment van de Oudgriekse literatuur, zijn Hero & Leander is er niet minder fijnzinnig- of poëtisch-erotisch om –het gedicht is net iets subtieler dan b.v. Longus' Daphnis en Chloë (2), hoe charmant en idyllisch die antieke 'roman' uiteindelijk ook is. Lees er de beschrijving van Hero's schoonheid en de reacties van haar talloze aanbidders (vv. 55-83) maar op na, of laat je ontroeren door Mousaios' trefzekere psychologische inzicht in de ontluikende erotiek van adolescenten: de omzichtige maar besliste toenadering door Leander en de eerste, gespeelde verontwaardigde reacties van Hero (vv. 112-134). Die hoge poëtische aaibaarheidsfactor dankt de tekst echter ongetwijfeld in de eerste plaats aan de heerlijke vertaling van Verhelst, overigens de eerste 'echte' vertaling in het Nederlands sinds 1801 (Fokke Simonsz.) en één uit 1999 (Herman Polman), die echter nooit gepubliceerd werd en slechts in de Gulden Librije te Leuven beschikbaar is.

 

"Met de vertaling [...] heb ik een zo groot mogelijke equivalentie nagestreefd en dat op zoveel mogelijk niveaus", aldus Verhelst (in haar masterscriptie, p. 34). Let wel: "equivalentie" – dus geen letterlijke omzetting – en dat niet alleen qua vorm en inhoud maar ook qua stijl en register; Verhelst bewaarde zelfs de versstructuur, met name door het gebruik van jambische zesvoeters. "De algehele sfeer van tederheid [...] wordt steeds gerespecteerd", zo stelt de vertaalster in haar scriptie (p. 37), en daar is ze inderdaad met glans in geslaagd. Merk in de allereerste verzen van het epyllion, geciteerd aan het begin van deze bespreking, b.v. het perfecte maar onopvallende metrum, de enjambementen, de melodieuze ritmiek (o.m. door perfect ingelaste pauzen), de alliteraties en de herhalingen of echoënde variatie van klinkers. Of dit mooie beeld, wanneer Leander zijn geliefde voor de eerste keer te zien krijgt: "Het oog als pad, want langs de blikken van de ogen/ baant schoonheid zich bij elke man een weg naar binnen." Of, wanneer Hero de eerste keer haar lamplicht ontsteekt: "Toen het brandde,/ onbrandde Eros ongeduldig in Leander./ Tezamen brandden toen een jongen en een lamp." Of, in de tragische slotverzen, weer die niet-opdringerige, welluidende ritmiek en klankrijkdom: "Meteen, na alles wat Leander ondergaan had, werd met zijn leven ook zijn liefde uitgedoofd." Tot rillens toe ontroerend. En ga zo maar door. Ja, dit alles reikt veel dieper dan het niveau van een kwalitatief hoogstaand academisch bravourestukje (wat haar masterscriptie is, zowel het onderzoek als de vertaling zelf).


Het is Verhelst blijkbaar niet alleen te doen om de tragische verliefdheid van die twee iconische en zelfs archetypische helden, maar ook om "een heel andere verliefdheid, die ondergetekende niet hoopt te overleven maar wel mee te dragen in haar verder leven en nog vaak van te genieten. Deze liefde is de liefde voor de Oudheid en haar talen als classica, voor het Grieks als graeciste, voor de poëzie als lezer en soms ook als dichteres en nu ook voor de Griekse auteur Mousaios [...]" (Verhelst in het "Woord vooraf
" van haar masterscriptie, p. iv). Een thesis over antieke liefde, geschreven uit liefde... Ook uit de opdracht in haar scriptie ("In piam memoriam R.V.") blijkt een zeer sterke emotionele band met haar onderzoeks- en vertaalproject, die dus in de hele vertaling merkbaar meezindert.

 

Kort nog het volgende. Mijn eigen kleine, oppervlakkige research naar De twee koningskinderen leerde me dat er op het internet erg weinig ernstige wetenschappelijke wetenswaardigheden over deze Vlaamse ballade/romance te vinden zijn; en zelfs de reuzen van de Nederlandse literaire geschiedenis (Ten Brink, Kalff, Jonckbloet, Knuvelder...) stelden me uiteindelijk teleur. Bert Decorte nam de romance wel op in zijn bloemlezing Vlaamse balladen maar zonder enige verklaring of toelichting, wat hij in zijn inleiding als volgt motiveert: "Het is overbodig voor gedichten als 'Het lied van Heer Halewijn' geleerde verklaringen te zoeken." Met alle respect, maar is dat "overbodig"? Of nog: "Het is er duidelijk niet om te doen met deze publikatie op wetenschappelijk of zuiver literair-historisch gebied baanbrekend werk te verrichten. Daarvoor bestaan de meestal zware boekdelen van de specialisten, die buiten henzelf bijna niemand leest en waarin ze mekaar te lijf gaan." (3) Dit is aannemelijk want academische debatten, scripties of proefschriften zijn inderdaad niet direct bedoeld voor een ruim publiek. Maar wie (oude) teksten dan toch wereldkundig wil maken, kan met aangepaste toelichtingen de liefde voor de poëzie alleen maar vergroten, of, zoals het Decortes bedoeling was, "zin voor het lezen van poëzie aan te kweken" (3) – precies wat Verhelst wél voortreffelijk doet in de (beknopte en alweer heldere) commentaren bij haar gepubliceerde vertaling.

 

Nogmaals: "overbodig"? Men kan zich immers, ook bij De twee koningskinderen, allerlei evidente vragen gaan stellen, b.v. waarom "sconincs sone" (en dus ook Leander) in godsnaam toch geen bootje gebruikt om bij die toren te komen? Begrijpe wie kan. En vooral: wie is toch die verdomde "oude venijnde bes", dat "al soo vilijnich vel" dat "drie keersen van twaalf in 't pond" uitblaast (bij Musaios zijn de winden de schuldigen)? Professor Norbert de Paepe († 1996) biedt ons in zijn bloemlezing middeleeuwse balladen tenminste een aantrekkelijk spoor. Hij vermeldt, in een voetnoot, een "handschrift van rond 1530, waarin een korte prozatekst aan het lied van Twee koningskinderen voorafgaat en waarin o.m. wordt gezegd dat de jonkvrouw in een nonnenklooster verbleef en dat het een der nonnen was die het licht ging uitblazen om het klooster niet in opspraak te brengen" (4). Wat ons feilloos terugkoppelt naar Hero als priesteresje, als 'non' of dienstmaagd van de godin Afrodite, eenzaam in haar toren "met mijn dienares als enige gezelschap" (5)! Dat "vilijnich vel" zou dus best kunnen teruggaan op die dienares van Hero als bewaakster van de 'geheiligde maagdelijkheid', net zoals op die 'zuiverheid' streng werd toegekeken bij de Vestaalse maagden in Rome of bij de berinnetjes van Artemis in Griekenland.

 

Het gedicht van Mousaios-Verhelst herinnerde me ook onmiddellijk aan Gaston Burssens, die in 1917 als student aan "s Rijks Hoogeschool te Gent" enkele fragmenten vertaalde (en kort becommentarieerde) uit de dramatische Hero en Leander-bewerkingen van Franz Grillparzer (1829) én Louis Ratisbonne (1859). Het manuscript van deze paper van Burssens bevindt zich in het Letterenhuis te Antwerpen, maar is ook in gedrukte vorm raadpleegbaar (6).

 

De geografisch-'historische' locatie van Leanders (weliswaar fictieve) onderneming is ondubbelzinnig aanwijsbaar, vandaar trouwens het vermoeden dat we te maken hebben met een aitiologische mythe. Ik zag jaren geleden de 'Leandertoren' tegenover Istanbul, al was ik me er toen al van bewust dat dit eilandje aan de ingang van de Bosporus onmogelijk de plaats van Leanders tragische avontuur kon zijn (nog afgezien van het feit dat het bouwwerkje dateert uit de 18de eeuw) en dat de meer toepasselijke naam van die toren – 'Kiz Kulesi' of 'meisjestoren' – verwijst naar een Ottomaanse sage. Op mijn diverse busreizen van Istanbul naar Troje kwam ik echter altijd wél heel dicht bij de 'historische' locatie van het verhaal, met name het Turkse Eceabat waar het veer vertrekt naar het op de Aziatische oever gelegen Çannakale, en waar Byron in 1810 de Hellespont na één mislukte poging uiteindelijk bedwong – al ligt Eceabat dan toch nog steeds enkele kilometer ten zuiden van het antieke Sestos. De riskante overtocht wordt overigens nog geregeld overgedaan door moedige zwemmers uit alle hoeken van de wereld. Want ja, zwemmen is inderdaad "een beetje bijna heilig zijn". Sommigen van deze bijna-heiligen blijven écht literair onsterfelijk, zoals b.v. onze twee koningskinderen, en vooral zoals hun grote, oude voorbeelden Hero en Leander - wat de twee Griekse geliefden (en wij in de allereerste plaats) nu meer dan ooit te danken hebben aan de ontroerende, moderne Nederlandse vertaling van classica Berenice Verhelst.

 

Luc PAY

 

📌  MOUSAIOS, Hero & Leander. Vertaling Berenice Verhelst. Uitgeverij P, Leuven, 2016, 39 p.

 

(1)       Deze masterscriptie (RUGent, 2009) is downloadbaar van: https://libcatalog.ugent.be/. Berenice Verhelst promoveerde in september 2014 aan de RUGent op een proefschrift over Nonnos en wijdt zich nu aan een onderzoeksproject rond de antieke epyllia.

(2)       Zie mijn besprekingen van de Longus-vertalingen door Stefan van den Broeck en Marc Moonen in resp. Diogenes jrg. 7 nr. 4 (1991) en Diogenes jrg. 8 nr. 1 (1992).

(3)       Bert Decorte, Van heer Halewijn tot Vrouw Griese. Vlaamse balladen. Uitgeverij Heideland Hasselt, 1959 (de citaten op p. 7 en 13).

(4)       Norbert de Paepe, Het waren twee koningskinderen. Romances en balladen uit de middeleeuwen bijeengelezen en ingeleid door Norbert de Paepe. Davidsfonds Leuven, 1989, p. 20.

(5)       In de vertaling van B. Verhelst, p. 17.

(6)      In: Gaston Burssens, Verzameld Proza. Verzameld en bibliografisch begeleid door Luc Pay. Elsevier Manteau Antwerpen & Amsterdam, 1981 (Burssens' vertalingen met zijn commentaar op p. 481-502, mijn verantwoording van de tekst op p. 675).

 

[In: Mededelingen van het CDR, jrg. 13 nr. 271, 12 april 2016, p. 8-12]