Longus en de liefde (1991)

Longus en de liefde: (oude) triomf van Eros of  

De onvergelijkelijk moeilijke kunst om belegen modern te zijn

                                                           



       De Griekse roman

 

Niet zonder een beetje weemoed haal ik mijn oude schoolboeken Latijn en Grieks uit één of andere diep weggestoken kartonnen doos, waar ze zo'n twintig jaar geleden netjes en met gepaste eerbied werden opgeborgen. Tot de traditionele leerstof Griekse literatuur behoorden toen o.m. fragmenten uit de epische (Homerus), lyrische (Sappho, Theognis, Alcaeus, Alcman) en dramatische poëzie (Sofocles) en uit het historiografisch (Xenofon, Thucydides), retorisch (Demosthenes) en wijsgerig proza (Plato). Dat pakket bevatte alleszins geen 'scheppend proza' ('prose fiction') of Griekse 'romans' – al weze het meteen gezegd dat men in de antieke context toch voorzichtig dient om te springen met deze genre-aanduiding en men misschien beter over 'romancen' zou spreken.

Uit diverse commentaren blijkt dat dit verhalend proza vandaag niet erg populair is. Het wordt vaak omschreven als saaie, uitsluitend door filologen te smaken lectuur, en wel om twee redenen: ten eerste wordt de taal van deze romans 'decadent, artificieel en pasticherend' genoemd, de intriges zijn vergezocht en barsten van (valse) sentimentaliteit en sensatiezucht; ten tweede vertoont het genre –in tegenstelling tot de rest van de Griekse literaire produktie en zelfs van de hele cultuur – duidelijk externe, in casu Oosterse invloeden, zodat het in zekere mate een on-Grieks karakter vertoont (maar dit maakt de roman voor anderen dan weer juist boeiend en belangrijk).


Over de genealogie van de Griekse roman doen heel wat theorieën de ronde. Hij zou geboren zijn uit de versmelting van reis- en oorlogsverhalen (etnografische vertellingen) met hellenistische erotische verhalen, waarbij de vorm werd aangereikt door de canon van de Tweede sofistiek (Rohde); ofwel uit de esthetiserende hellenistische geschiedschrijving, die bij de lezer emoties als angst en medelijden wil opwekken (Schwartz), of uit lokale sagenstof (Lavagnini); weer anderen beklemtonen de invloed van de retorenscholen of de Nieuwe Komedie, de kruisbestuiving tussen de bestaande genres (vooral de bukolische en elegische poëzie en de erotisch getinte mythografie) of de impact van de Oosterse religieuze literatuur. In deze laatste optiek worden de romans, ook Longus' Daphnis en Chloë, dan gelezen als allegorische teksten die verband houden met inwijdingsrituelen van laat-antieke mysteriecultussen (Merkelbach.

 

Tot de vroegste vertegenwoordigers van de Griekse ‘prose fiction’ behoren drie 'historici' – strenge grenzen tussen objectieve geschiedschrijving en episch entertainment werden nog niet getrokken: Herodotus (5de eeuw v.C., b.v. met de verhalen over Atys en Adrastus of over Hippoclides en Agariste), Xenofon (5de-4de eeuw v.C., b.v. met de episode over Abradatas en Panthea uit de Cyropaedia) en Aristobulus van Cassandrea, een officier die Alexander vergezelde op zijn veroveringstochten (verhaal van Timocleia).

Aanvankelijk geeft men de voorkeur aan de korte 'novelle' of de anekdote i.p.v. aan langere romans: uit de 3de en 4de eeuw v.C. kennen we collecties humoristische (Aristodemus) en erotische vertellingen. Tot de eigenlijke novellen- of romanliteratuur behoren verhalenbundels als de Milesiaka van Aristides van Milete (begin 1ste eeuw v.C., later bewerkt door o.m. Apuleius, Petronius en Boccaccio), de anonieme Roman van Ninus (omstreeks het begin van onze jaartelling) of de Liefdesverhalen van Parthenius (1ste eeuw v.C.), mythologische vertellingen die, opnieuw, een sterke emotionele betrokkenheid bij de lezer beogen. Op deze plaats mogen wellicht ook de zgn. 'Alexanderromans' vermeld worden, vooral de (pseudo-) Callisthenes (tekst uit de 3de eeuw n.C.).

Tijdens het hellenisme gedijt dan het 'Volksbuch der Liebe', zoals de roman wordt genoemd: het oude polisideaal is teloor gegaan en de belangstelling wordt verlegd naar het 'Ik', het praktische, de religie en de liefde.


Het 'hoogtepunt' van het Griekse verhalend proza situeert men doorgaans in de vroege 2de tot de late 3de eeuw n.C. Zo schreef Lucianus van Samosata (2de eeuw n.C.) o.m. de Ware geschiedenis  (vroege voorzaat van Swifts Gulliver's Travels, de münchhausiaden of Vernes fantastische reizen) en de Philopseudes, waarin het bekende verhaal over de leerling-tovenaar. Merkwaardig is eveneens de anonieme Historia Apollonii (vermoedelijk 3de eeuw n.C.) dat ons slechts bekend is via een Latijnse en talloze middeleeuwse bewerkingen, en dat Shakespeare inspireerde tot zijn Pericles, Prince of Tyre (geannoteerde vertaling door G. Kortekaas, M. Nijhoff 1982, reeks 'Nieuwe Vormen' nr. 4). Andere auteurs uit deze periode: Chariton van Afrodisias, Xenofon van Efese, Jamblichus, Heliodorus (met zijn Aethiopica, dat wel eens de voorloper van Stevensons Treasure Island wordt genoemd), Achilles Tatius en Longus. Literatuurhistorici vermelden ten slotte nog een 'nabloei' van de Griekse roman bij Byzantijnse imitatoren in de 12de eeuw, maar vooral ook de grote belangstelling voor en het enorme succes van deze romans bij onze renaissance-auteurs (Shakespeare, Boccaccio e.v.a.).

 

Naar moderne smaak berusten deze romans te sterk op stereotiepe compositieprocédés: steeds een zeer complexe en vergezochte intrige, vermenging van erotiek en ongebreideld avontuur, en een onontbeerlijk happy end. 

De plot bestaat altijd uit een romantisch liefdesverhaal waarop een los samenhangende ketting van sentimentele en sensationele episodes wordt geënt.

Twee geliefden, al dan niet gehuwd, worden van elkaar gescheiden, ondervinden allerlei tegenslagen en tegenwerking, zien zelfs de dood voor ogen maar worden uiteindelijk herenigd. Het decor is onveranderlijk een vreemde, tijdloze (sprookjes)wereld waarin voor individuele karaktertekening weinig plaats is (wat de religieus-allegorische interpretatie lijkt te bevestigen: alle ingewijden moeten zich immers zonder moeite kunnen identificeren met de symbolische helden- of godenfiguren). In ieder geval kan dit schema gemakkelijk herkend worden in de hedendaagse populaire literatuur en film (spectaculaire familie-saga's, avonturen, fantasy, SF).

 

       Longus, de grote onbekende

 

Wie is de reeds hoger genoemde Longus, die, gezien het thema van zijn roman(ce) en zijn typische taal en stijl, soms 'de sofist' wordt genoemd? We weten niet veel meer over hem dan dat hij waarschijnlijk leefde in het begin van de 2de eeuw n.C. en zeker niet later dan het begin van de 3de (o.m. af te leiden uit de vermelding van de handelswaarde van slaven en het optreden van de pederast in zijn roman). Mogelijk was hij afkomstig van Lesbos: zijn roman Daphnis en Chloë is er gesitueerd en hij blijkt het eiland te kennen (zie de beschrijving van Mytilene, de vermelding van de typische vorm van de Lesbische wijnstokken of van de rivaliteit tussen de hoofdstad en de stad Methymna - maar zulke argumenten kunnen ook ontzenuwd worden).


Zijn naam zou bovendien teruggevonden zijn op een inscriptie in Thermi, een Lesbische kuststad, waaruit de ietwat voorbarige conclusie werd getrokken dat Longus hogepriester van Mytilene geweest zou zijn (de naam Longus was heel gewoon in het Aegeïsche gebied). Eén bron zegt dat hij de slaaf kan geweest zijn van een Romein die hem vrij liet en hem bovendien zijn Romeinse naam gaf. Andere onderzoekers echter leiden uit de eerste zin van de proloog van Daphnis en Chloë ("Toen ik eens op jacht was op Lesbos...") precies het tegenovergestelde af, dat hij dus niet van het eiland afkomstig zou zijn; hij vermeldt trouwens ook een foutieve afstand tussen Mytilene en Methymna. De 'Loeb Classical Library'-uitgave stelt uitdrukkelijk dat deze in het Grieks schrijvende auteur een Latijnse naam draagt, maar elders wordt de eigennaam dan weer geïnterpreteerd als een mogelijke kopiistenfout ('Longus' i.p.v. 'logos': verhaal, uiteenzetting).

 

       Love story (an ancient-)

 

Op een paradijselijk mooi en vruchtbaar landgoed van een rijke stedeling vinden de geitenhoeder Lamoon en de schaapherder Druas elk een baby-vondeling, resp. het jongetje Daphnis en het meisje Chloë, die door een geit resp. ooi gezoogd worden. Hun buitengewone schoonheid (slechts één van de elementen die hen associeert met de godenwereld) en de zgn. 'gnoorismata' (herkenningstekens zoals sieraden, kleding, een wapen) wijzen op een hoge afkomst. Via een droom geeft de god Eros aan beide pleegvaders de opdracht de kinderen, die na twee bladzijden al 15 en 13 jaar zijn geworden, als herders of hoeders op te voeden. En wat gebeuren moest gebeurt: door hun dagelijkse contact bij het weiden van de dieren, hun gezamenlijke spelletjes en hun beider eerbied voor de goden worden de kinderen onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken door de kracht van Eros, een god die ze niet kennen en die hen danig in verwarring brengt.


Allerlei gevaren bedreigen echter de rimpelloze ontwikkeling van deze idylle. Daphnis komt bijna om in een wolvekuil, wordt ontvoerd door zeerovers, blijkt te arm om Chloë als bruid te verdienen, wordt door een boosaardige koeherder bijna in diskrediet gebracht bij de meester, en tenslotte ei zo na verkracht door Gnathoon de parasiet-pederast, die allerlei listen bedenkt om Daphnis als lustslaafje mee naar de stad te kunnen voeren.

Ook Chloë's goddelijke schoonheid lokt kapers op de kust van hun liefde: Dorkoon de koeherder tracht haar te verkrachten, ze wordt ontvoerd door yuppies uit Methymna en later door de koeherder Lampis. Maar uiteindelijk komt alles goed omdat de liefde van de kinderen onder de auspiciën staat van Eros, Pan en de Nimfen. Ze worden dan ook door hun echte (en rijke) ouders geïdentificeerd en aan het einde van de roman door een feestvierende menigte triomfantelijk begeleid naar het bruidsvertrek, waar hun liefde definitief bezegeld zal worden.

 

       Een bouwwerk rond Psychè?

 

Waar ligt nu het belang of de aantrekkelijkheid van deze roman, ook voor ons zowat 20 eeuwen later? Ten eerste legt Longus, in tegenstelling tot zijn voorgangers en tijdgenoten, duidelijk de klemtoon op de interne ontwikkeling van de liefde bij de kinderen. De spectaculaire en wonderbaarlijke anekdotes, de odyssee van externe avonturen met rovers, verkrachters, rampspoed, ontvoerders enzovoort blijven bij hem tot een minimum beperkt en dienen slechts als een (vlugge) overgang naar een nieuwe fase in de liefdesontwikkeling. Op een uiterst vertederende, maar daarom niet minder overtuigende manier beschrijft Longus het ontluiken van de eros en zijn geleidelijke maar onafwendbare groei, de eroti- sche toenaderingspogingen van de kinderen, hun onwetendheid terzake en de verwarring, zoniet wanhoop, die de god Eros bij hen veroorzaakt. Lees in dit verband de beschrijving van de troeblerende schoonheid van de kinderen (passim), de passage waar Daphnis een verdwaalde krekel van tussen Chloë's borstjes haalt (p.23) (zie hier onder een houtsnede van Aristide Maillol), het bad (p.16 en 25-26) en hun eerste kussen (p.18-19), het naakt bij elkaar liggen (p.31-32) en Daphnis’ angst voor de eerste coïtus met de maagd Chloë (p.53-55).



In de 'Proloog' spreekt Longus de wens uit dat zijn boek "oude geliefden aan het verleden (zal] herinneren" (p.9); daarin slaagt het alleszins met een verbijsterende ontroeringskracht. Maar dit alles rechtvaardigt nog niet de bepaling 'psychologische roman’. Sommige classici hebben gewezen op het feit dat de kinderen "nur Instinkte zeigten" of spreken smalend over de "mangelnde Intelligenz des jugendlichen Paares". We sluiten ons echter wat graag aan bij de karakteristiek "idealer Primitivität der Kinder": bij Longus ligt de klemtoon blijkbaar niet zozeer op het doorgronden van het seksuele geheim, maar veeleer op de onschuld en de zuiverheid waarmee de pubers hun erotische queeste beleven. Ze zijn slechts instrumenten in de handen van de kosmische kracht die Eros wordt genoemd, mogelijk zelfs afspiegelingen van de god zelf. In die zin blijven Daphnis en Chloë ietwat schematisch getekend, statische karakters die slechts in de Liefde een bepaalde evolutie doormaken.

Als lievelingen van de goden behoren ze trouwens op geen enkel moment van de roman volledig tot de (reële) mensenwereld: het gaat om "die Wer- terhöhung der menschlichen Liebe durch Anspielungen auf das Göttliche" (Schönberger). Maar goed, voor sommigen betekent deze nogal eenzijdige klemtoon op de liefde de sterkte van de roman, voor anderen precies de zwakheid ervan.

Vertaler Stefan van den Broeck vertelt ons in zijn magere inleiding heel weinig over Longus en zijn boek, maar benadrukt wél het feit dat de personages "psychologisch volkomen juist getekend zijn" (p.6); precies dit aspect is helaas voor serieuze discussie vatbaar.

 

Het innerlijke liefdesavontuur als brandpunt verklaart ook de vrij strakke opbouw van het verhaal, dat in de context van de Griekse roman opvalt door zijn eenheid van plaats (Lesbos) en handeling (de kinderen blijven steeds centraal staan) en het parallellisme als structuurprincipe. Wat de compositie betreft wil ik tot slot nog wijzen op de korte verhaaltjes die de (schaarse) actie doorkruisen: de fabel van de woudduif (p.23), het verhaal van Philetas over Eros (p.28-30, een theorie van de Liefde), dat van Lamoon over de panfluit (p.42) en dat van Daphnis over Echo (p.55). Het zijn stuk voor stuk parelende parabeltjes, schitterende staaltjes van miniatuur-mythografie.

 

       Eerbied voor Eros (dringend gewenst)

 

Vervolgens is de gehele roman doordrongen van een evidente paradijselijke harmonie tussen mens, natuur en dier, tussen instinct en rede/moraal, tussen natuur en cultuur. De tijd, de ruimte én de acteurs worden onverbiddelijk beheerst door Eros, aan wie trouwens de hele roman als een offerande wordt opgedragen (p.9): "die Natur verkörpert Eros im Raum, die Handlung verkörpert Eros in der Zeit" (Schönberger). Het demonische, numineuze of mystieke karakter van natuur én mens (de kinderen, de hoeder Philetas) maakt het geregelde goddelijke ingrijpen dan ook perfect aanvaardbaar, b.v. het optreden van Pan zelf in de handeling, en de dromen via welke Eros, de nimfen en Pan bepaalde figuren leiden in de intrige. De wetten van goden, natuur en (goede) mensen zijn volledig congruent; men kan zulks uiteraard naïef noemen, maar misschien ook poëtisch? Niet verwonderlijk dat aan Longus' roman soms religieuze motieven werden toegeschreven, of dat men hem gelezen heeft als de allegorische voor- stelling van één of andere initiatieritus (Isis, Mythras, Dionysus) die slechts door ingewijden kon worden begrepen.


Verwijst Daphnis inderdaad, o.m. gezien zijn naam, zijn afstamming en bepaalde attributen naar Dionysus of Apollo; verwijst Chloë naar Demeter of Isis? De discussie hieromtrent lijkt nog open, maar in ieder geval: dieren verzorgen de baby-vondelingen en likken zelfs hun mondje schoon na het zogen; het spel van de kinderen is slechts imitatie van wat ze de lammeren zien doen; de kudde luistert naar (ook in de zin van 'gehoorzaamt') Daphnis' spel op de panfluit; de geile pederast wordt door Longus flink op de vingers getikt: alle strevingen en motiveringen komen, op een aantal valse noten of haperingen na, slechts voort uit de drang om vrede, harmonie, wederzijds genot te schenken, zich te laven aan de bronnen van de schoonheid en de liefde, en op het einde baadt alles en iedereen in de droom van de totale verzoening.

Ik schreef hier haast 'in de utopie'! Inderdaad, aan deze roman werden, zoals trouwens aan bepaalde representanten van de bukoliek, 'maatschappijkritische' intenties toegeschreven; alleen al de idealiserende schildering van het landleven kan getuigen van een stellingname, en in dit verband wordt ook de invloed van het cynische gedachtengoed genoemd. Al legt Longus niet echt negatieve accenten, toch is het duidelijk dat voor hem slechte invloeden beslist ook uit de stad komen, b.v. de pederast, de echtbreekster Lukainion en de yuppies uit Methymna. Ook dit aspect brengt vertaler Van den Broeck zonder enige zin voor nuance te berde: "Enige maatschappelijke relevantie moet je van dit boek dus niet verwachten" (p.7). Wie de fantasie mist om verder te kijken dan zijn eigen tijdsgewricht hoeft dat inderdaad niet te doen.

 

Enfin, lees in dit verband b.v. de lyrische natuurbeschrijvingen (p.21 en 62-63), en let vooral op het tijdsverloop: de bladzijden 11 tot 13 (het begin van het verhaal) overspannen een periode van ongeveer 15 jaar; daarna zijn de kinderen oud genoeg om aan hun erotische zoektocht te beginnen, en die verloopt precies binnen een tijdsbestek van 2 jaar: hun liefde groeit op het ritme van de zich afwisselende seizoenen (ontluiken in de lente, hevig passievuur in de zomer, noodzakelijke verwijdering in de winter etc.). In de 'Proloog’ vertelt de auteur hoe hij de inspiratie voor zijn roman heeft opgedaan, nl. (niet toevallig) tijdens een jachtpartij op het land, op Lesbos. Waarom, aldus een onderzoeker, zouden we dat niet als waarheid mogen opvatten, zoals trouwens ook de wandschildering in het nimfenwoud?

 

Longus' roman wordt de enige uitsluitend bukolische Griekse roman genoemd. Dat roept bij de moderne lezer wellicht gemakkelijk negatieve connotaties op van zeemzoeterige sentimentaliteit, liefelijke landschapjes met ronddartelend vee en stroperige dans-, fluit- en zangwedstrijden. Ondanks het feit dat ook Longus een sprookjesachtig stukje Lesbisch platteland te voorschijn tovert, toch blijft alles, nogmaals, aanvaardbaar door de harmonieuze verstrengeling van de diverse romanelementen: de motieven, het overkoepelende thema, de figuren, de tijdsstructuur, de 'psychologie' en vooral de schroomvallige religieus-mystieke voedingsbodem van het geheel. Onze tijd, zo overspoeld door de vulgariteit van steevast ontgoochelende porno, kan beslist nog wat leren van Longus' geraffineerd-subtiele én tegelijk kinderlijke Eros, die je rillingen bezorgt.

Overigens schuwt Longus ook realistische of zelfs ironische elementen beslist niet: ik verwijs b.v. naar zijn beschrijving van de wijnoogst en de winterse toe- standen, het soms ruwe gedrag van de landlieden en hun vulgaire toespelingen op de schoonheid van de kinderen, en de plezierige typering van een aantal nevenfiguren (de valse koeier Dorkoon, de Methymnische rijkeluiszoontjes, de wulpse Lukainion die Daphnis inwijdt in de geneugten des vlezes, de afgunstige Lampis en de ietwat dubbelzinnige pleegouders die zowel door liefde voor de kinderen als door hebzucht en ambitie gedreven worden.)

 

       De vertaling

 

Dit moet alleszins gezegd: Stefan van den Broeck bezorgde een erg vlotte, moderne, plezierige vertaling, die grondig verschilt van die van Dr. Fr. Cluytens (zie literatuur). Cluytens blijft dichter bij het Griekse origineel, wat zijn tekst soms stroef maakt door archaïsch of on-Nederlands aandoende zinswendingen (aanvoegende wijs, participiumconstructies e.d.). Van den Broecks vertaling komt dus op haar tijd, en we hopen van harte dat ze de weg naar een zeer breed heden- daags publiek zal vinden. Toch enkele bedenkingen.


1)  Een aantal onderzoekers beklemtoont dat de auteur van deze roman een Latijnse naam draagt. Toch vinden we 'Longus' hier gespeld als 'Longos', hoewel in het Nederlands de tendens bestaat zelfs voor Griekse namen de Latijnse uitgang te ge- bruiken. In 'Aanhangsel I' van Van Dale vinden we zo b.v. de lemma's 'Homerus', 'Pontus', 'Priamus' en 'Rhodus'. Mytilene, in het Grieks met ypsilon, wordt door Van den Broeck wel gemoderniseerd tot 'Mutilene' (hoewel we de Griekse woorden 'mustèrion' en 'muthologia' nog steeds schrijven als 'mysterie' en 'mythologie') maar 'Daphnis' wordt dan weer geen 'Dafnis'. De naam van de vrouwelijke protagonist vinden we op het kaft in Franse spelling (Chloé) en op het titelblad in Nederlandse (Chloë). Maar dit alles is tenslotte van ondergeschikt belang, en wijst slechts op inconsequentie. (Zelf verkies ik ook 'Homeros' boven 'Homerus', maar als men die weg inslaat komt men onherroepelijk in gordiaanse spellingknopen terecht.)

 

2)   Longus stelt zijn boek voor als "een bezit dat oude geliefden aan het verleden [zal] herinneren en groentjes in de liefde zal inwijden" (p.9). De zegswijze 'groentjes in de liefde inwijden' klinkt veel te modern, te ironisch en zelfs vulgair in de context van Longus' (religieuze?) bedoelingen zoals ze in de proloog worden omschreven. Vergelijk hiermee deze versies: "One that has loved, it [het boek] will remember of it; one that has not, it will instruct" (Loeb); of het boek moge "instruire celui qui [n'aura] encore point été [amoureux]" (Guillaume); of het boek zal "dem Liebeskundigen zur Erinnerung, dem Unkundigen als lehrende Vorbereitung dienen" (Jacobs). Deze voorbeelden bewaren veel beter de idee van een eerbiedwaardige ars amandi, en wekken niet de indruk van een sensationeel erotisch handleidingetje dat door jongeren stiekem gelezen dient te worden.

 

3)  "En toen ze zijn rug waste gaf het zachte vlees mee" (p.16), vertaalt Van den Broeck. 'Meegeven' betekent volgens Van Dale 'veerkrachtig en soepel zijn', zo'n beetje als een matras, of zoals een hindernis waar je met enige inspanning doorheen tracht te komen. Opnieuw lijkt die vertaling mij te platjes, te direct en zelfs brutaal, alsof het hier de keuring van slachtvee geldt. Vergelijk: "And when she washed his back and shoulders the flesh yielded so softly and gently to her hand" (Loeb, waarbij 'softly', 'gently' en 'to her hand' het 'to yield' corrigeren); of: "en le lavant, sa peau lui sembla si fine et si douce" (Guillaume). Ten slotte: "bemerkte sie das weiche Fleisch" (Jacobs); het lijkt er dus sterk op dat tederheid in de Germaanse talen nog steeds serieuze problemen oplevert.

 

4)  Op p. 20 heeft de vertaler het over een "herderlijke list". Dit adjectief kan best in de betekenis van 'betreffende of van een herder', maar roept toch snel de gedachte op aan een 'geestelijk herder, die zorg draagt voor andermans zieleheil'. Waarom niet gewoon 'herderslist'?

 

5)  "Jong en boers als hij was, wist hij niets van de diefstallen die Liefde soms pleegt" lezen we op p.26. 'Boers' betekent inderdaad 'landelijk, in de trant van de boeren', maar roept al te snel een pejoratieve connotatie op, nl. 'grof, ongemanierd, smakeloos'. Die negatieve betekenis heeft het Griekse woord 'agroikos' ook, maar kan door Longus onmogelijk zo scherp bedoeld zijn, zeker niet in Daphnis' geval. Ik verkies dus een andere oplossing, zoals "being a young rustic and yet unskilled in love" (Loe; er staat dus niet 'peasant' of 'boor'), of: "jeune garçon nourri aux champs, qui ne savait encore [...]" (Guillaume), of: "jung, wie er war, und unwissend" (Jacobs; al is in deze laatste vertaling het aspect van de 'buitenman' volledig verdwenen).

 

6)   Datzelfde adjectief 'agroikos' duikt ook later op: tijdens de huwelijksfeesten "verliep alles nogal boers en landelijk" (p. 79). Ook hier kan ik, gezien de tonaliteit van de hele roman, moeilijk een pejoratieve bijklank bij Longus aanvaarden, en verkies ik voor het Griekse 'panta geoorgika kai agroika' één van de volgende vertalingen: "nothing but georgics, nothing but what was rustical was there" (Loeb); "tout s'y disait et faisait à la villageoise" (Guillaume) of "hier war alles dörflich und landgemäß" (Jacobs). Of waarom niet de versie van Dr. Cluytens: "Zoals de gasten waren, zo was het feest: een boerenfeest, een feest van te lande".

 

7)   Op p. 47 heeft de vertaler het over 'Siberische sneeuwbuien'. Het Griekse 'Skutikè chioon' wordt door Loeb vertaald als 'Scythian snows', door Guillaume als 'la neige de la Scythie' en door Jacobs als 'skythischen Schnee'. Hedendaagse Vlaamse vertalers gaan er blijkbaar van uit dat Vlamingen nog slechts het VTM-jargon beheersen, en kiezen voor een gemakkelijkheidsoplossing die bijaandachtige, met de Griekse cultuur toch enigszins vertrouwde lezers ronduit belachelijk moet klinken. Waarom in godsnaam niet gewoon 'Skytische sneeuw? Omdat slechts weinigen weten waar Skythië ligt, en dus moet de 'general public' de naam opzoeken, wat blijkbaar te veel gevraagd is (sorry, ik wist het ook niet, maar is dat nu zo erg?). Of, ten tweede, omdat zo'n in paniek brengende antieke plaatsnaam uiteraard om een voetnoot schreeuwt, wat tegenwoordig ook al niet meer mag in Vlaamsche boeken: ofwel onelegant indien onderaan de bladzijde, ofwel tijd- en energieverlies voor de gehaaste lezer die beters te doen heeft dan heen en weer te bladeren, indien achterin het boek. Dus wat lezen wij nu? 'Siberisch', jawel, al vrees ik dat door de glasnost over tien jaar ook niemand meer zal weten waar Siberië ligt.

 

8)   "Maar Daphnis zat nog op de ringlaan te wenen” (p. 75). Van Dale verklaart 'ringlaan' als 'laan om een grote stad heen', niks anders. Dat kan onmogelijk de betekenis zijn van het Grieks 'en too perikèpoo': een 'kèpos' is een ommuurde, omheinde boomgaard of tuin. Loeb komt er dus veel dichter bij met "Daphnis weeping and waiting in the walks", al is hier dan weer het voorzetsel 'peri-' verloren gegaan.

 

9)   In de proloog schrijft Longus het Griekse woord 'Eroota' met een hoofdletter, waarom dan 'liefde' zonder (p. 9, r. 21)? Te moeilijk, gezien de allusie? Pure muggezifterij, zegt u? Natuurlijk, uiteindelijk komt 'Eroota' met of zonder hoofdletter op hetzelfde neer, zoals tegenwoordig àlles àltijd op hetzelfde neerkomt.

 

       Longus als hamburger

 

Ik wil graag uitdrukkelijk stellen dat deze kritische be- denkingen slechts een beperkt aantal details betreffen en wellicht het gevolg zijn van al te persoonlijke gevoeligheden. Ze doen dan ook niet in het minst afbreuk aan de onbetwistbare kwaliteit van deze vertaling die we, nogmaals, aanbevelen. Alleen maken die 'Siberische' sneeuwbuien mij kwaad, zoals trouwens ook het weglaten van de paragraafnummering (ik spreek zelfs niet van regelnummering) die nochtans gebruikelijk is in zo goed als alle tekstuitgaven.

 

Ook de totale, maar dan ook totale afwezigheid van enige kleine voetnoot, van wat commentaar of opheldering bij mythologische of andere namen, bij allusies of cultuurhistorische facta, én het ontbreken van zelfs een bescheiden literatuuropgave, ook dat maakt me nijdig. Nochtans is er voor die aantekeningen stof genoeg. "Aangezien de schaarse mythologische allusies weinig tot niets bijdragen tot een beter begrip van de plot heb ik het onnodig geacht ze te verklaren. De geïnteresseerde lezer wordt aangeraden zo nodig een mythologisch woordenboek te raadplegen." Dat staat koudweg op p. 7-8. Ik vraag mij af, ten eerste, in welke courante mythologische lexica je alles zal vinden, en ten tweede of alle bedekte toespelingen voor een argeloze lezer überhaupt zichtbaar zijn in de tekst. Bovendien is die bewering flagrant onjuist: de opheldering van mythologische en andere namen of allusies verrijkt en verdiept precies de interpretatie. Van waar komen die gestrande dolfijn (p.58), de naam Philetas (p.28), de eenzame appel in de top van de boom (p.60), figuren als Daphnis en Chloë zelf? Welke zijn de raaklijnen met de Nieuwe Komedie, wie zijn die Turische zeerovers' en wat zijn 'Karische boten', wie is Itus, houdt de naam Lukainion misschien verband met de wolf die je dan weer in verband kan brengen met Apollo en dus met Daphnis, en wie wordt bedoeld met 'de god' (p.9 regel 23)?

 

Ach, gewoon omdat ik al zo lang zo veel van dit boek hou (ik kreeg de Franse Guillaume-vertaling 20 jaar geleden cadeau van mijn vader), heb ik geprobeerd de lezer iets van zijn rijkdom te doen aanvoelen. Spijtig genoeg behoort zulks niet langer tot de taak van tekstbezorgers, die alleen nog hapklare, liefst half-verteerde fast-food dienen af te leveren. Van waar toch die verdomde mentaliteit om een zo belangrijk, merkwaardig en ontroerend mooi stukje antieke literatuur te recuperen als of te degraderen tot een louter ontspannend consumptie-artikel, "een heerlijk verhaaltje zonder andere pretentie dan te amuseren" (p.7)? (Tussen haakjes, sinds wanneer staat enige background-kennis het genieten van literatuur in de weg? Waarom zou een stilistisch moderne en plezierige vertaling onverenigbaar zijn met enig commentaar, met een degelijke inleiding? Ik begin zo stilaan te vermoeden dat de vertaler verbonden is aan één of andere universitaire lerarenopleiding.)

Waarom dit boekje verlagen tot – aldus de vertaler in zijn ocharme drie bladzijden lange inleiding: "de eerste stationsroman in de westerse literatuur" (p.7), die toch de indruk kan wekken, stel je voor; "dat je je doorheen een klassieker worstelt" (p.7). Let op 'worstelen': het is meer dan symptomatisch, net zoals het begrip 'stationsroman'. (Tussen haakjes: het literatuur- wetenschappelijk vakjargon van de jaren zeventig is zo stilaan ook passé, dacht ik.) De vertaler vergeet (of doet alsof, ça fait chic), dat Daphnis en Chloë veel meer is dan zo maar een 'sta- tionsromannetje', en dat b.v. de psychologische, ethische, religieus-cultische, cultuurhistorische en literaire aspecten van het boek beslist aandacht verdienen. Bovendien heb je geen voetnoot nodig om te beseffen dat de Grieken geen stations kenden, net zo min als Siberische sneeuw, en dus meteen dat de literair-sociologische implicaties van het begrip 'stationsroman' niet zonder meer transponeerbaar zijn op de antieke Griekse context.

 

O sancta simplicitas! Over Daphnis en Chloë getuigde Jacob Burckhardt: "Diese reizend erzählten Schicksale von Daphnis und Chloe würden das Urteil über dasjenige Jahrhundert wesentlich mitbestimmen, welchem der Verfasser angehört." En Schönberger zegt, Longus situerend in de context van de bukolische traditie: "Die wunderbar poetische Verschmelzung des Ganzen, die Zusammenfassung zu der neuen Weise des bukolischen Romans bleibt das nicht geringe Eigentum des Longus." Eckermann vermeldt een gesprek in Goethes kring over de door allen bewonderde Longus en noteert daarbij: "Unser Jahrhundert wird immer prosaischer werden, und es wird, mit der Abnahme des Verkehrs und Glaubens an das Uebersinnliche, alle Poesie auch immer mehr verschwinden", helaas een profetische uitspraak. Goethe zelf oordeelde: "Man müsste ein ganzes Buch schreiben, um alle grossen Verdienste dieses Gedichtes nach Würden zu schätzen". En een jonge Vlaamse classicus orakelt: 'een stationsromannetje! Het is duidelijk dat, in tegenstelling tot wat Longus te beurt viel, Eros de vertaler met waanzin geslagen heeft "bij het [beoordelen] van andermans liefdesavonturen" (zie p.9).

 

       Belegen moderniteit

 

Kortom, ik krijg de zenuwen van de nonchalance, slordigheid, onverschilligheid waarmee dit juweeltje de lezers wordt toegeworpen. Die nonchalance getuigt hetzij van onderschatting van de auteur (in dat geval moet de vertaler zich dringend gaan documenteren), hetzij van onvoorstelbare pretentie en misprijzen tegenover de hedendaagse lezer, zo van "ze begrijpen het toch allemaal niet meer, dus krijgen ze niks geen informatie, en de rari nantes die ze toch willen, zoeken het zelf maar uit".

 

Ik weet wel dat professor Van Gorp (zie literatuur) onlangs gepleit heeft voor een aanpassing, heroriëntering, modernisering van het curriculum Klassieke Studies, en mogelijk zijn die wenselijk of zelfs noodzakelijk om de klassieke filologie in deze tijd enige 'functionaliteit' te garanderen (altijd dat nuttigheidsbegrip; ik zou daar graag eens een definitie van zien). Of het amputeren of verdonkeremanen van alle niet-eigentijdse aspecten in een klassiek boek daartoe het geschikte middel vormt, blijft zeer de vraag. Trouwens, indien die antieke literatuur dan toch zo nodig radicaal geactualiseerd moet worden, gezuiverd van haar meest eigen – en dus voor ons vreemde – elementen en implicaties, zodat er van het origineel weinig over blijft, waarom er dan toch nog zijn Latijn in steken? Mij interesseert alleen een Longus van 2000 jaar geleden, met alle risico's en verrassingen vandien – niet een Longus die zodanig verkleed wordt in een modern maatpakje dat hij volledig vervaagt in de monotone vulgariteit en banaliteit van dit uitstervend millenium.

En ik zie, nogmaals, niet in waarom die oude Longus niet met een moderne stem zou kunnen spreken zonder de 'bagage' die hij van zo ver heeft meegebracht weg te gooien. Misschien is de combinatie 'belegen modern' iets makkelijker dan 'eigentijds klassiek' (zie literatuur: Van Gorp)?

 

       Cultus antiquus fuit

 

Eén van de mooiste zinnen van het hele boek staat in de proloog: "Niemand is ooit aan de liefde ontsnapt of zal er ooit aan ontsnappen, zolang er schoonheid bestaat en ogen kunnen zien" (p.9). Voor Longus is het een programma, een zekerheid, een wens ook, een gebed.

Ook de kostbare antieke schoonheid zal blijven bestaan in haar oogverblindende naaktheid, in haar tedere of gewelddadige, maar altijd ontoerende schittering, mits men bereid is ze zonder al te vervormende moderne zonnebrillen te aanschouwen.

 

Luc PAY

 

📌 Longus, Daphnis en Chloë, vertaald door Stefan van den Broeck, Antwerpen-Baarn,                Houtekiet, 1990, 80 p.


Literatuur

Geïnteresseerde Diogenes-lezers (een pleonasme, of course) verwijzen we graag naar:

 

(a)    de uitgave van de Loeb Classical Library nr. 69 (Cambridge/ London, Harvard U.P./Heinemann, 1978, met de bekende vertaling van G. Thornley uit 1657);

(b)    de eveneens tweetalige uitgave door Otto Schönberger (Darmstadt, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 19732, waarin illustraties, register, typisch allergründlichste inleiding en bibliografie, én een schat aan ophelderingen per regel);

(c)   de vertaling en inleiding van Dr. Fr. Cluytens (Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel, 1958, Klassieke Galerij nr. 129);

(d)    de belangrijke én leesbare bijdrage van A. Wouters over Longus in Kleio 13(1983)4, p. 165-198: een knappe synthese én status quaestionis tegelijk;

(e)    Vertalingen die we zelf bij deze recensie gebruikten: * Daphnis und Chloe. Ein Hirtenroman von Longos (Zürich/München, Artemis, 1983, in feite een heruitgave van de klassieke Duitse vertaling van Friedrich Jacobs, Hofrath zu Gotha, uit 1832) en * Daphnis et Chloé (Paris, Librairie Flammarion, 1892, 'Collection Guillaume', waarin geen vertaler wordt vermeld maar die de mooie akwarellen van Rossi en Conconi bevat). 

         Beslist verwerpelijk is de uitgave Eros op sandalen. Lucianus-Longus (A'dam, Meulenhoff, 1965) met een vertaling door B.C. Kuitert die zonder enige waarschuwing de proloog gewoon schrapt en een slot naar eigen fantasie in elkaar knutselt;

(f)    H. Van Gorp, 'De Artes vroeger en nu: of de onvergelijkelijk moeilijke kunst 'eigentijds klassiek' te zijn. In: Kleio, 19(juli-sept. 1990)4, p.214- 219.

 

[In: Diogenes, jrg. 7 nr. 4, februari-maart 1991, pp. 51-57]