In een fabel betrapt (1992)

JEAN DE LA FONTAINE werd geboren op 8 juli 1621 te Château-Thierry (Champagne, een 50-tal kilometer ten zuidwesten van Reims, aan de Marne) in een burgerlijk-provinciaal milieu. Sommige bronnen zeggen dat hij reeds gedurende zijn schooljaren erg beslagen was in het Latijn, andere stellen dat hij 'un peu de Latin' leerde. In ieder geval bracht hij zijn jeugd door temidden de natuur in een landelijke omgeving van velden en uitgestrekte bossen. De liefde voor de stille rust van de natuur zou nooit meer verflauwen, en heeft te maken met zijn aangeboren neiging tot introspectie en meditatie: 'le goût de la retraite, un penchant naturel à la méditation, à l'examen intérieur'. (1)
Op 20-jarige leeftijd denkt hij erover geestelijke te worden. Hij schrijft zich in aan het Oratoire de Paris (27 april 1641) waar hij gedurende 18 maanden het noviciaat volgt. Maar plots breekt hij die studies af, en wordt uiteindelijk 'avocat au Parlement'. 

Tijdens een toevallige ontmoeting (1643) hoort hij een ode van Malherbe voordragen die in hem een laaiende bezieling voor de letteren wekt. Hij werpt zich op de lectuur van de Ouden: Horatius, Ovidius, Vergilius, Terentius, wier elegante en edele 'eenvoud' een diepe indruk op hem maakt. Daarnaast: Rabelais, Marot, Boccaccio en Ariosto (hun invloed vinden we terug in de Contes), d'Urfé (roman précieux), Plutarchus en Plato (via Latijnse vertalingen; bij deze laatsten bewondert hij de moralisatie en de edele schoonheid: het Horatiaanse 'utile dulci' dat men in de Fables letterlijk zal zien opduiken). In 1652 koopt hij een titel van 'Maître des eaux et forêts et capitaine des chasses' die hij later aangevuld ziet met gelijkaardige titels, geërfd van zijn vader. Nodier (2) beweert dat hij deze functie slechts 'avec indifférence' zou hebben uitgevoerd; Clarac daarentegen stelt duidelijk: "Retenons que, pendant vingt ans, ses tournées à travers les bois qui environnaient alors sa ville natale l'ont mêlé à la vie des 'pauvres bûcherons' et lui ont permis d'observer les arbres et les bêtes dans la diversité des heures et des saisons." (3) 

In 1647 huwt hij Marie Héricart, 'précieuse de province' en 'femme impérieuse et fâcheuse', overigens een verre verwante van Racine, bij wie hij één zoon zal hebben. Het huwelijk werd echter een mislukking doordat La Fontaine eigenlijk alleen nog leefde voor de letteren en zich van zijn gezin weinig aantrok. "Il y avoit déjà plusieurs années que La Fontaine avoit perdu de vue [son fils], lorsqu'on les fit rencontrer dans une maison où l'on vouloit jouir du plaisir de la surprise du père. La Fontaine, en effet, ne se douta point que ce fût son fils. Il l'entendit parler, et témoigna à la compagnie qu'il lui trouvoit de l'esprit et de très bonnes dispositions. L'on saisit ce moment pour lui dire que c'étoit son fils; mais sans en être plus ému: 'Ah!' répondit-il, 'j'en suis bien aise." (4) 

Een hartelijke vriendschap met de grote Fouquet, 'surintendant des finances' en beschermheer van o.m. Corneille, ontstaat in 1657. Door toedoen van Colbert valt Fouquet echter in ongenade (1661) bij de jonge koning Louis XIV, en La Fontaine aarzelt niet om zijn genereuze weldoener in geschrifte te verdedigen en zijn trouw te betuigen (Elégie aux Nymphes de Vaux, 1661 en Ode au Roi pour M. Fouquet, 1663). Te Château-Thierry geniet hij ook de gunst van de hertogin van Bouillon, die hem aanspoort de 'style libre' te beoefenen, wat uiteindelijk zal resulteren in zijn bundels Contes et Nouvelles (1664, 1665 en 1666). De breuk met zijn vrouw wordt definitief wanneer hij verhuist naar Parijs (1658). 

Vanaf 1664 vinden we hem als 'gentilhomme servant' bij Henriette van Engeland, dochter van Charles I van Engeland en zus van de Engelse koning Charles II; ze verlooft zich in 1660 met Philippe d'Orléans, duc d'Anjou et d'Orléans, broer van Louis XIV; of was La Fontaine kamerheer bij Marguerite de Lorraine, duchesse douairière d'Orléans en schoonzus van Louis XIII? Of bij beiden? In ieder geval gaan de salons van de beau monde voor hem open: hij is een graag geziene gast bijo.m. Mme de la Fayette, Mme de Sévigné en Mme de la Sablière. Louis XIV blijft onverschillig tegenover La Fontaine. Een uitgesproken vijandigheid bij de koning veronderstellen zou echter overdreven zijn, want La Fontaine wordt te Versailles ontvangen n.a.v. de publikatie van zijn Amours de Psyché et Cupidon (1669). Madame de La Sablière ontpopt zich tot zijn muze en beschermvrouw vanaf 1673. In haar salon ontmoet La Fontaine wiskundigen, astronomen, fysici, geneesheren, filosofen en wereldreizigers - contacten die b.v. in het tweede deel van de Fables (1678) sporen zullen nalaten. Hij leest Epicurus en Descartes, is overal te vinden in het gezelschap van de groten van zijn tijd; hij kent Molière, Boileau (hoewel enigszins op een afstand) en is goed bevriend met Racine. Op 2 mei 1684 neemt de Académie française La Fontaine op in haar rangen. Louis XIV had zijn aanvaarding lange tijd uitgesteld, omdat hij vond dat La Fontaine maar eerst wat meer lofzangen aan zijn adres moest schrijven, en bovendien van de auteur de belofte eiste geen 'contes' meer te zullen publiceren. "Le choix qu'on a fait de M. Despréaux m'est très agréable, et sera généralement approuvé. Vous pouvez [aldus de koning] recevoir incessament La Fontaine; il a promis d'être sage." (5) Bij zijn 'réception' wordt hij toegesproken door M. l'abbé de la Chambre, directeur: "L'académie reconnoît en vous, monsieur, un de ces excellents ouvriers, un de ces fameux artisans de la belle gloire, qui la va soulager dans les travaux qu'elle a entrepris pour l'ornement de la France, et pour perpétuer la mémoire d'un règne si fécond en merveilles." (6) 
La Fontaine houdt als inaugurale rede zijn beroemde 'Discours à Mme de La Sablière' waarin hij op schitterende wijze de cartesiaanse filosofie op de korrel neemt (zie de Fables, slot van Livre IX). 

De enige twee mensen met wie hij ooit openlijk in conflict kwam waren Furetière (waarbij hij in een vrij heftige en onverwachte woede ontsteekt) en Lully, die een hem aangeboden libretto van La Fontaine weigerde. In de fameuze 'Querelle des Anciens et des Modernes' kiest hij, ondanks zijn vriendschap met Perrault, partij voor de Ouden en de 'doctrine de l'imitation' (zie zijn befaamde 'Epître à Huet' uit 1687), al gebeurt dat op de hem typische, voorzichtige wijze die hem in staat stelt zowel Perrault als Boileau te sparen. 
Eind 1692 wordt hij ernstig ziek; onder invloed van devote vrienden komt hij in 1693 tot 'inkeer en dis- tantieert zich publiekelijk van het libertinisme en hedonisme van zijn Contes en verbrandt een komedie die hij net heeft afgewerkt. Tussen 1693 en 1695 vertaalt hij hymnen en psalmen. La Fontaine overlijdt op 13 april 1695; op zijn sterfbed zou hij zelfs een boetekleed gedragen hebben. 

KARAKTER     La Fontaine wordt doorgaans gekarakteriseerd als een goedhartig, oprecht en zachtaardig man, neigend naar argeloosheid en naïveteit en zelfs lethargie, alleszins eenvoudig en vaak in zichzelf gekeerd. Hij was "rêveur, distrait, bon-vivant, amateur d'aventures galantes". Zijn verstrooidheid, die sommigen tot spot verleidde, werd legendarisch. Tijdens een diner bij Molière was hij blijkbaar zo afwezig, dat Despréaux en Racine ('qui étoit naturellement porté à la raillerie') hem begonnen te plagen met allerlei stoute en pikante opmerkingen: "Mais La Fontaine ne s'en déconcerta point. Ils avoient cependant poussé si loin la raillerie, que Molière, touché de la patience et de la douceur de La Fontaine, ne put s'empêcher d'en être piqué pour lui, et de dire à Descoteaux ("célèbre joueur de flûte"), en le tirant à part au sortir de la table: 'Nos beaux esprits ont beau se trémousser, ils n'effaceront pas le bonhomme.' " (7) 

Dat zijn verstrooidheid soms extreme vormen kon aannemen vertelt volgende anekdote: "Un jour madame de Bouillon, allant à Versailles, le rencontra le matin qui rêvoit seul sous un arbre du cours. Le soir, en revenant, elle le retrouva dans le même endroit et dans la même attitude, quoiqu'il fit très froid, et qu'il n'eut cessé de pleuvoir toute la journée." (8) Hij kon zelfs een hele maaltijd temidden een druk pratend gezelschap slapend doorbrengen. Madame de La Sablière was zo ingenomen met zijn uiterlijk en karakter dat ze op een dag, na haar voltallig personeel te hebben ontslagen, opmerkte: "Je n'ai gardé avec moi que mes trois animaux, mon chien, mon chat et mon La Fontaine." (9) 
Deze man bewoog zich tussen de grands seigneurs, de 'dames galantes' en de al dan niet ridicule 'précieuses', maar kende evenzeer de burgerij en zelfs de nederigste mensen voor wie hij steeds een oprechte sympathie bleef voelen. In 1824 sprak Goethe van 'la grandeur de son caractère', en in zijn Mémoires getuigt zijn vriend Maucroix dat hij bezat "l'âme la plus sincère, la plus candide que j'aie jamais connue: jamais de déguisement". 

Elke beoordeling hangt uiteraard af van het ingenomen standpunt. Sommigen noemen hem integendeel een luie slaapkop (die er dan toch in slaagde een enorme literaire produktie tot stand te brengen) of een labiele persoonlijkheid, een opportunist die zich aan niets of niemand kon of wilde binden (zie o.m. zijn huwelijk, de relatie met zijn zoon, of zijn noviciaatsavontuur). Men schrijft hem wel luciede en scherpe observatie toe, maar soms ook wreedheid (zie o.m. de Fables), uitgesproken behaagzucht en vooral een op vleierij gebaseerde handigheid in zijn relaties met de machthebbers. Uiteindelijk blijkt La Fontaine een vrij complex en zelfs contradictorisch karakter te hebben gehad, en was zijn vermeende – of zelfs bewust gespeelde? – argeloosheid wellicht niets anders dan een wapen om zijn vrijheid en onafhankelijkheid, een onvoorwaardelijke mentale 'disponibilité', te vrijwaren. Hij was alleszins, als mens én schrijver, een schitterend exponent van de Grand Siècle, al bezat hij dan zelf zo goed als niets, niet eens een eigen bureau noch bibliotheek. In één van zijn fabels zegt hij: "La Parque à filets d'or n'ourdira point ma vie,/ Je ne dormirai point sous de riches lambris [...]/ Quand le moment viendra d'aller trouver les morts,/ J'aurai vécu sans soins, et mourrai sans remords" (Livre XI, 4). Ondanks het feit dat hij ongetwijfeld wél de 'filets d'or en de 'riches lambris' gekend heeft, mag men deze verzen gerust als een soort credo beschouwen; zijn levensvisie herinnert aan het epicurisme, in zekere zin aan het ovidiaanse "bene vixit qui latuit" en zelfs aan de filosofie van zijn tijdgenoot, de Spaanse jezuïet Baltasar Gracian. (10) 

DE AUTEUR     De naam La Fontaine roept voor ons haast uitsluitend de associatie met de fabels op, maar zijn oeuvre is zeer omvangrijk en uitermate verscheiden. Hij noemde zichzelf "le papillon du Parnasse et semblable aux abeilles", bekende "je suis volage en vers comme en amours" en schreef als wapenspreuk in zijn literair blazoen: "Diversité, c'est ma devise". Hij was zo produktief dat Mme de Bouillon deze 'fabuliste', naar analogie van 'pommier', een 'fablier' noemde; en Pierre Clarac noemt hem onomwonden: "Celui qu'on croit avoir défini en l'appelant 'le fabuliste' est le Protée de notre poésie." 
La Fontaine schreef balladen, rondelen, madrigalen, oden, satiren en elegieën; didactische, religieuze, galante, dramatische en epistolaire poëzie; toespraken en brieven; ja zelfs verhalen/novellen en fabels, die toentertijd als minderwaardig werden geschuwd aangezien ze door de classicistische canon niet 'gecodificeerd' waren. Zijn veelzijdigheid op het vlak van de gehanteerde registers, de voorbeelden, de genres (proza en poëzie door elkaar, of de talloze soorten dichtvormen), de thema's (libertijns, devoot, moraliserend) en de geestelijk-filosofische achtergronden (epicuristisch versus christelijk) werd echter al in zijn tijd niet door iedereen in dank afgenomen. In 1671 liet Mme de Sévigné zich ontvallen "[...] combien cela est misérable de forcer son esprit à sortir de son genre, et combien la folie de vouloir chanter sur tous les tons fait une mauvaise musique. Il ne faut point qu'il sorte du talent qu'il a de conter". Men verweet hem "d'invoquer des neuf Soeurs la troupe tout entière". Hoewel de meerderheid van zijn werken soms wordt gestigmatiseerd als 'koele compositie' en vaak zwak, vervelend en onleesbaar wordt genoemd, is het toch best mogelijk dat dit oeuvre in zijn totaliteit ten onrechte veronachtzaamd werd en wordt. Alle commentatoren lijken het er wel over eens dat het dramatisch werk ronduit ondermaats is. 

De bon-vivant die La Fontaine was, beschouwde naast de obligate classicistische ingrediënten als 'le beau, le vrai, la nature, la clarté, la raison' en de zedelijke strekking ook 'gaieté et grâce' als de fundamenten van zijn werk; als literair credo poneerde hij: "mon principal but est toujours de plaîre". In de belangrijke en boeiende 'Préface' bij de eerste bundel Fables schrijft hij: "On ne considère en France que ce qui plaît: c'est la grande règle, et, pour ainsi dire, la seule." 

DE FABELS     De Fables de La Fontaine verschenen in drie etappes, drie 'delen' of vier 'volumes': in 1668 verscheen deel 1, dat de 'livres' I tot en met VI bevatte; deel 2 of de 'livres' VII tot en met XI zag het licht in 1678-79 in twee volumes, en in 1694 - één jaar voor zijn dood dus - publiceerde La Fontaine deel 3 met als enige boek 'Livre XII. Ik vrees een beetje dat vooral (of uitsluitend?) deel 1 vandaag bekend is bij een ruimer publiek. Dat bevat immers de 'fabels' stricto sensu, o.m. het beroemde 'La cigale et la fourmi' dat velen onder ons nog hebben moeten memoriseren en reciteren. Deze fabels, bewerkingen van Aesopus" en Phaedrus, hebben de typische structuur van een kort 'verhaaltje' voorafgegaan of gevolgd door een moraal: "Le corps est la fable; l'âme la moralité" ('Préface' 1668). 

Bij La Fontaine zijn de fabels veeleer dramatisch dan episch van karakter, en ze blinken uit door een rake typering van de figuren en hun bondige verteltrant; heel wat zegswijzen, uitdrukkingen of verzen werden bovendien als 'gevleugelde woorden' opgenomen in de Franse taalschat. La Fontaine heeft zelf in eerste instantie de moraliserende intentie van zijn fabels in de verf gezet: "Mais ce n'est pas tant par la forme que j'ai donnée à cet ouvrage qu'on en doit mesurer le prix, que par son utilité et par sa matière"; of: "la Vérité a parlé aux hommes par paraboles; et la parabole est-elle autre chose que l'apo- logue, c'est-à-dire un exemple fabuleux" ('Préface' 1668). In de 'Epître dédicatoire à Monseigneur le Dauphin' lezen we dat de 'bonte stoet helden' over wie hij schrijft "contient des vérités qui servent de leçons" en dat "Je me sers d'animaux pour instruire les hommes". Hij vermeldt trouwens nog een tweede bedoeling van zijn fabels: "Elles ne sont pas seulement morales, elles donnent encore d'autres connoissances", met name zelfkennis via de dierenfiguren, aangezien de menselijke ziel een soort condensering ('un abrégé') is "de ce qu'il y a de bon et de mauvais dans les créatures irraisonables'"('Préface' 1668). Maar de 'Préface' opent alleszins met de mededeling dat de 'stof werd opgevrolijkt 'par un certain charme, un air agréable', en critici spreken in verband met de fabels over "un enchantement qui laisse au second plan la moralité". 
Hoe dan ook, de exacte stichtelijke inhoud lijkt me vaak moeilijk vast te stellen, zoals men zich ook terdege kan afvragen of de fabels oorspronkelijk (en nu) wel voor kinderen bestemd waren (en zijn). Lessing b.v. zou de pedagogische waarde ervan sterk in twijfel hebben getrokken, en in Emile II, 16 schreef Rousseau een schitterende (want vlijmscherpe, ironische!) 'Condamnation des fables de L.F.' omdat ze volgens hem onbegrijpelijk zijn voor kinderen en zelfs in omgekeerde zin geïnterpreteerd kunnen worden; Lamartine noemde de gedichten koudweg "leçons d'un cynique" en veroordeelde de "philosophie dure, froide et égoiste d'un vieillard". 

De fabels blijken in feite een mengelmoes van burgerlijke opvattingen en gedragsregels, waarin naast natuurwetten (zoals het recht van de sterkste) en het nut van list en vleierij toch ook de onrechtvaardige rechtspraak aan bod komt, en waarin fijngevoelige wijsheden over vriendschap of (naasten)liefde en medevoelen met verdrukten of onschuldige slachtoffers voorkomen – wat overigens zeldzaam was in de 17de eeuw. Ik heb in ieder geval zelf als kind nooit goed begrepen of de sluwheid – van de vos dan wel de onnozele naïveteit van de raaf werd gelaakt. De complexiteit van La Fontaines karakter weerspiegelt zich hier wellicht in de contradictorische opvattingen over het leven. De fabels moeten dan ook vooral gelezen worden als een pleidooi voor zelfkennis, en die moet leiden tot 'prudence' en 'méfiance', tot gematigdheid en bescheiden wijsheid in alle omstan- digheden: voorzichtigheid en bescheidenheid, nogmaals, als een middel tot zelfbehoud. 

In dezelfde zin zou het verkeerd zijn in de fabels een aanklacht te lezen tegen de monarchie als zodanig of tegen de corruptie en de intriges aan het hof. La Fontaine droeg immers reeds zijn eerste deel Fables (1668) uitdrukkelijk en tot tweemaal toe op aan Monseigneur le Dauphin, in de vorm van een 'épître' in proza en één in versvorm (waarin hij de Dauphin "Illustre rejeton d'un prince aimé des cieux" noemt). In de fabels 'Le soleil et les grenouilles' en 'La ligue des rats' (boek XII) wordt trouwens Holland ('la république aquatique'...) op de vingers getikt omdat het zich roert tegen de Zon(nekoning), en hetzelfde gebeurt met Engeland in 'Le lion' (boek XI: "Quoi que fît ce monde ennemi,/ Celui qu'ils craignoient fût le maître./ Proposez-vous d'avoir le Lion pour ami,/ Si vous voulez le laisser croître” (al blijft b.v. ook deze fabel voor mij erg dubbelzinnig). Men mag ook de conventies van het genre, die al eeuwen vastgelegd waren, niet over het hoofd zien: de leeuw is altijd een ietwat domme usurpator en de kat altijd corrupt; de ezel en het konijn zijn de eeuwige slachtoffers. Ook hertaler Jan van den Berg laat zich in zijn inleidend commentaar (p. 8) wat al te makkelijk tot een directe politiek-kritische interpretatie verleiden. 

De fabels in de 'Livres VII-XII' groeien uit tot langere vertellingen, complexer van thema en uitwerking: er treden meer menselijke personages op, types worden uitstekend geportretteerd, in de vorm van maatschappelijke satires worden politieke en sociale vraagstukken behandeld, de toon wordt persoonlijker en filosofischer; de fabel transformeert zich hier tot moreel-filosofisch mini-essay, of liever, tot een 'parabel' die herinnert aan of gebaseerd is op antieke mythologisch-pastorale thema's of Oosterse 'sprookjes'. In de 'Avertissement' waarmee de uitgave van 1678 opent vestigt La Fontaine zelf de aandacht op "la différence des sujets" t.o.v. van de vroegere fabels, die hem heeft verplicht te zoeken naar "d'autres enrichissements" en de "circonstances de ces récits" uit te breiden. Als voorbeeld-inspiratiebron noemt hij hier niet langer Aesopus of Phaedrus, maar 'Pilpay, sage Indien'. Deze fabels krijgen ook vaak het karakter van een ode aan of een apologie van de monarchie, en zijn zelfs bedoeld als ondersteuning van het regime. Uit de opdracht 'A Monseigneur le Duc de Bourgogne' bij boek XII: "Si vous vous connoissez maintenant en orateurs et poètes, vous vous connoîtrez encore mieux quelque jour en bons politiques et en bons généraux d'armée; et vous vous tromperez aussi peu au choix des personnes qu'au mérite des actions" (12); en in fabel I van datzelfde boek XII, 'Les compagnons d'Ulysse', eveneens opgedragen aan de Hertog van Bourgondië, worden de metgezellen van Ulysses ten tonele gevoerd als metaforen voor "Gens à qui j'impose pour peine/ Votre censure et votre haine." Pareltjes in de boeken VII tot en met XII zijn bijvoorbeeld 'Les animaux malades de la peste' (VII, 1) — 'L'ingratitude et l'injustice...' (XII, 14) – 'Discours à Mme de La Sablière (Livre IX)' – 'Le songe d'un habitant du Mogol (XI, 4) – het prachtige Daphnis et Alcimadure' (Livre XII) en vele andere. 

DE TEKSTUITGAVE EN HERTALING

1. In het persbericht bij Jan van den Bergs 'complete editie' van La Fontaines fabels lezen we: "In de Manteau-uitgave vindt de lezer niet alleen alle fabels (waaronder ook 'De vos en de eekhoorn', nu voor het eerst in het Nederlands!), maar ook de poëtische opdrachten en de vele inleidingen en teksten waarmee de schrijver zijn fabels vaak begon en afsloot.' 
Welnu, in de Manteau-uitgave ontbreken: 
a) de 'Epître dédicatoire à Monseigneur le Dauphin' van 1668, in proza 
b) de belangrijke 'Préface de La Fontaine' van 1668, eveneens in proza, die in de uitgave-Nodier van 1818 overigens nog gevolgd wordt door 'La vie d'Esope' (deze gefingeerde biografie ontbreekt ook in de Livre de Poche-uitgave van 1980, hoewel ze één geheel vormt met de 'Préface' 
c) de 'Avertissement' van 1678 waarmee boek VII opent, in proza (ook Nodier nam hem niet op) 
d) de proza-opdracht 'A Monseigneur le Duc de Bourgogne' bij het begin van boek XII, uit 1694 (die ook ontbreekt in de Livre de Poche-editie) 
e) en ten slotte een niet genummerde fabel, 'Le chat et la souris, ook weer opgedragen aan de Hertog van Bourgondië, die zich bevindt tussen de fabels 4 en 5 van boek XII (we vinden deze fabel wél terug bij Nodier en in de Livre de Poche). 

De aandachtige lezer heeft uiteraard gemerkt dat de ontbrekende stukken op één na alle in proza geschreven werden, terwijl Van den Berg zich waarschijnlijk beperkte tot de teksten in verzen. Akkoord. Maar het boek voorstellen als een 'complete editie' (zie kaft) terwijl zeer belangrijke programmatische inleidingen of opdrachten werden geweerd, lijkt me al te triomfalistisch. Anderzijds: die 'allerenigste' fabel die voor het eerst in het Nederlands verschijnt, 'De vos en de eekhoorn', heb ik vergeefs gezocht zowel bij Nodier als in de Livre de Poche, zodat ik me begin af te vragen waar die wel vandaan mag komen. Ik ben des te meer op m'n hoede, omdat Nodier in 1818 al waarschuwde voor ten onrechte aan La Fontaine toegeschreven fabels. Dit alles is trouwens een bezwaar dat bij de hele Nederlandse editie gemaakt kan worden: nergens vermeldt Van den Berg op welke Franse uitgave(n) de zijne gebaseerd is; ook naar de herkomst van de "vier fabels die afzonderlijk het licht zagen" hebben we het raden. Een definitieve controle wordt op die manier erg moeilijk, hoewel ik toch de indruk heb dat voor de rest de volgorde in orde is (alleen op het einde van boek XII klopt de nummering niet helemaal met die in Franse uitgaven – maar die zijn het blijkbaar onder elkaar ook niet eens wat de allerlaatste 'fabels' betreft). 

2. Een spijtige drukfout: van fabel 2 in boek VI krijgen we alleen de titel. Erger is het feit dat de titel 'Zevende boek' op blz. 145 prijkt, zodat de opdracht 'Aan Madame de Montespan' nu ten onrechte achteraan boek VI bungelt. 

3. "Ook de briljante 'Rede...' heb ik de lezer niet willen onthouden. Hetzelfde geldt voor de opdrachten aan...", aldus de hertaler (p. 7). Het klinkt alsof hier in een vlaag van generositeit teksten worden aangeboden die even goed geschrapt hadden kunnen worden. Maar dat laatste is precies niet het geval, vermits ze onlosmakelijk tot de verzameling fabels behoren. 

4. De korte uitweiding over de fabel als genre (p. 8) is op zijn minst onvolledig en verwarrend. Wie zijn de 'primitieve volkeren van de oudheid' - de prehistorische mensen? Of: "Zijn letterkundige vorm en moraliserend karakter kreeg de fabel pas in de klassieke oudheid." Is dat wel zo? Van wanneer krijgt (b.v. ook orale) tekstoverlevering een 'letterkundige vorm? Kunnen we de antieke, dus aesopische fabel wel vergelijken met vroegere stadia? En waarom in deze toch als genrestudie bedoelde alinea's niet meteen vermelden dat de fabel belangrijke wortels heeft in China en India? Tussen haakjes: een verhaal met episch karakter lijkt mij pure tautologie. Overigens wordt hier bijna één volle bladzijde besteed aan de aesopische 'oerfabel', terwijl een vrij belangrijk deel van de fontainiaanse fabels ор àndere voorbeelden teruggaat. 

5. In het 'Voorwoord' (p. 9) stelt Van den Berg dat La Fontaine zich in het Oratoire op het priesterschap voorbereidde o.m. door fabels te bestuderen, en hij voegt eraan toe: "Zo hertaalde hij de oude en schreef hij zijn eigen meesterlijke fabels." Het lijkt me een niet onbelangrijk element in de ontstaansgeschiedenis van de fabels, al heb ik deze bewering nergens gestaafd gezien. Wel blijkt het bekend dat La Fontaine zich in het Oratoire bezighield met het 'lire et relire' van de Astrée van d'Urfé. Trouwens, hij was op noviciaat in 1641; de eerste verzameling fabels verscheen in 1668, 27 jaar later. Zou onze papillon du Parnasse zo lang gewacht hebben met publikatie? 

6. De hertaler geeft op het einde van zijn boek een 'Alfabetisch register' van de fabeltitels, 'Toelichtingen' bij historische-mythologische realia, bij historische feiten en antieke uitdrukkingen, en ten slotte een 'Beknopte biografie'. Uitstekend idee, natuurlijk, en vooral de toelichtingen lijken me redelijk goed gestoffeerd. Toch even een kijkje nemen. 

°Biografie (p. 345): dat La Fontaine het klooster verlaten zou hebben om zich aan de dichtkunst te wijden is zéér twijfelachtig, zoniet zelfs onjuist; de kick van de literatuur kwam er blijkbaar pas in 1643. In 1652 erft hij niets, maar koopt hij een titel; de erfenis komt later. Een drukfoutje ten slotte, denk ik (p. 346): de overbrenging naar Père Lachaise vond, althans volgens mijn bronnen, niet plaats in 1871, wel in 1817 waarbij het niet onplezierig is te vernemen dat de stoffelijke resten die op Père Lachaise begraven werden beslist niet die van La Fontaine zijn. 
° Toelichtingen: de publikatiegeschiedenis (p. 325) is vrij verwarrend en, wat betreft de datum 1677, m.i. onjuist. (Wat stelt een moderne lezer zich voor bij 'twaalf boeken'? De eerste editie bestond uit één volume in-4° of 2 volumes in-12. Vermeldenswaard is tevens het feit dat tussen 1688 (?) en 1738 ook een aantal belangrijke edities in Antwerpen zijn verschenen.) 

7. Meer dan eens maakt Van den Berg de lezer attent op het feit dat hij niet vertaalde, maar hertaalde; en deze hertaling is 'speels berijmd en hier en daar wat bijgewerkt in de geest van onze tijd, zonder daarom te ver af te wijken van de oorspronkelijke tekst' ('Voorwoord' p. 7). Welnu, laat ik maar meteen stellen dat ik plezier heb beleefd aan het doorbladeren van deze verzameling hertaalde fabels. Het Nederlands benadert uiteraard niet de stilistische en poëtische virtuositeit, de gedragen, gracieuze elegantie van La Fontaine, maar dat kon ongetwijfeld ook niet de bedoeling zijn, anno 1991, én met een ruim publiek voor ogen. De hertaling klink wel heel vlot, verraadt een zeer ruime woordenschat en een soepele registerbeheersing, het rijm wordt op een inderdaad speelse manier aangewend en doet nergens stroef of opdringerig aan, en vooral bewaart de hertaler in grote mate de sprankelende ironie van het origineel. Hier en daar zijn er wel stukjes vertaling waar ik een vraagteken bij plaats. Zo begrijp ik niet goed waarom 'natuur' (le naturel' bij La Fontaine) omschreven wordt als 'kwelgeest' (p. 52); het begrip staat om te beginnen niet in het origineel, en 'natuur' wordt door La Fontaine ook volstrekt niet zo bedoeld. Zoals hierboven werd aangeduid i.v.m. de al te directe politieke interpretatie in het 'Voorwoord', dwingt ook de persoonlijke toevoeging 'Er zijn er velen aan uw hof (p. 284), in de fabel 'De metgezellen van Ulysses', de interpretatie alweer in een eenzijdige, erg éénduidige richting, die niet zo maar evident is. Een laatste voorbeeld komt uit de fabel 'Daphnis en Alcimadura' (boek XII, p. 312). Bij La Fontaine lezen we over Alcimadura: "N'ayant trait qui ne plût, pas même en ses rigueurs:/ Quelle l'eût-on trouvée au fort de ses faveurs!". Van den Berg geeft dit als volgt: "Wie zou, als hij zich vangen liet, haar gunsten nog wel willen? Zij was een feeks, wat hielp het dus dat zij de mooiste was", wat volstrekt niet klopt met de inhoud en de intentie van de oorspronkelijke tekst. 

De fabels werden op verscheidene plaatsen ook terecht geactualiseerd, wat, gezien de eigen aard van de fabel, na 300 jaar alleen maar positief kan uitvallen. Een (mooi) voorbeeld (boek I, 3): "Tout bourgeois veut bâtir comme les grands seigneurs,/ Tout petit prince a des ambassadeurs,/ Tout marquis veut avoir des pages" wordt: "De wereld barst van waan en nijd/ Om wie de snelste auto rijdt./ Het grootste huis. De verste reis./ Ach, is dat allemaal wel wijs?" (p. 15). Van den Berg aarzelt ook niet om op bepaalde plaatsen de tekst uit te breiden of erg persoonlijke gedachten aan het origineel toe te voegen; ik heb daar geen problemen mee, als men maar beseft dat het op die momenten niet meer La Fontaine is die spreekt. Nemen we b.v. de openingsverzen van fabel 19 (boek I): "Dans ce récit je prétends faire voir/ D'un certain sot la remonstrance vaine"; bij Van den Berg wordt dat: "Een schoolvos geeft in dit verhaal/ Een staal van zijn pedanterie. /  Het is een ergerlijke kwaal / En voor het kind soms zelfs fataal, / Al noemt men dat pedagogie" – erg plezierig uiteraard, en overigens volstrekt in de geest van het origineel. Maar aan het slot van 'De krekel en de mier' voegt de hertaler een distichon toe dat de moraal opnieuw stuurt in een richting die door La Fontaine misschien geïmpliceerd maar zeker niet als enige mogelijkheid werd geïntendeerd. 8. 

Conclusie: een zeer aangename, vlot leesbare, speelse verzameling fabels die we heel wat lezers toe- wensen; men dient er wel rekening mee te houden dat de hertaler op heel wat plaatsen eigen en eigentijdse accenten plaatst zodat het origineel toch wel een andere inkleuring krijgt. De toelichtingen zijn redelijk gestoffeerd, alleen vonden we de onnauwkeurigheden in de documentatie wat jammer.

Louter ter informatie vermelden we nog dat van de vertaling (beter: 'navolging') van J.J.L. Ten Kate (1868-1871) een prachtige reprint verscheen (Alphen aan den Rijn, ICOB, 1980) met die heerlijke 'platen en vignetten' van Gustave Doré – al zal het nogal hoogdravende Nederlands vandaag nog slechts de echte liefhebbers kunnen boeien. Jan van den Berg werkt op dit ogenblik aan de hertaling van La Fontaines Nouvelles et Contes en vers. We zijn benieuwd.

Luc PAY

📌 Jan van den Berg [Hertaling en toelichtingen], De fabels van La Fontaine.  Antwerpen/Amsterdam, Manteau, 1990, 356 p., 795 fr.

    __________

1   Pierre Clarac, L'Age Classique II 1660-1680. Paris, Arthaud, 1969 [Reeks 'Littérature française'], p. 187. 
2   Charles Nodier, 'Vie de La Fontaine', in: Fables de La Fontaine, avec un nouveau commentaire littéraire et grammatical, 
      dédié au Roi, par Ch. Nodier. Paris, Alexis Eymery, 1818 [twee delen], Tome 1, p. xxiv. 
3    P. Clarac, o.c., p. 187. 
4    Ch. Nodier, o.c., Tome 1, p. xliij. 
5    Ch. Nodier, o.c., Tome 1, p. lj. 
6    Ch. Nodier, o.c., Tome 1, p. lj. 
7    Ch. Nodier, o.c., Tome 1, p. xlj. 'Le bonhomme' is een vaak geciteerd 'koosnaampje' van La Fontaine; het heeft vrij 
      negatieve connotaties en betekent zo veel als 'le vieillard'. 
8    Ch. Nodier, o.c., Tome 1, p. xliij. 
9    Ch. Nodier, o.c., Tome 1, p. xlviij. 
10  Gracians Oraculo Manual (1647) is een soort handleiding voor de omgang met mensen. Het boekje verscheen onder de titel
        Handorakel en kunst van de voorzichtigheid in 1990 (Atheneum-Polak & Van Gennep) in een schitterende Nederlandse
        vertaling van Theo Kars, één van die typisch dwaze 'Ollanders' die het weer niet kan laten tot tweemaal toe letterlijk
        misplaatste hatelijkheden te spuien aan het adres van de Vlamingen (in dit geval het 'koeterwaals' van hun vertalingen).
        Hoe dan ook, men leze in dit Handorakel b.v. de nrs. 21, 49, 53, 162, 165, 171, 183, 192, 193, 194, 205, 217, of 220 om de
        verwantschap met La Fontaine te zien – al mist deze laatste Gracians rigorisme, cynisme, pessimistische grimmigheid en
        droog intellectualisme. Overigens doet La Fontaine mij soms onwillekeurig denken aan Gaston Burssens, die er ook niet
        voor terugschrok in volle gesprek zijn hoorapparaat af te zetten, of tijdens een maaltijd zijn gasten in de steek te laten en
        zich terug te trekken in zijn slaapkamer. 
11  Over Aesopus schreef La Fontaine het merkwaardige 'La vie d'Esope le Phrygien'; zie Nodier, o.c., Tome 1, p. lxxxiij - cxj. 
12  Ch. Nodier, o.c., Tome 2, p. 254-255.  




[In: Diogenes, jrg. 8, nr 1, lente 1992, p. 83 - 88. Houtsnede: Wannes Van de Velde]