Het masker van den dichter afgetrokken. Patrick Conrads beangstigend-mooie come-back (1983)
Voor zover ik oppervlakkig kon nagaan heeft het zowat zes jaar geduurd voor Patrick Conrad opnieuw van zich liet horen, althans op literair vlak. Tussen La mort s'appelle bonsoir (P.E.P., 1977) en de zopas verschenen bundel Rond hem huilt iedereen. Tien zangen (1983) was de dichter vooral met film bezig. In januari 1980 ging te Brussel zijn eerste langspeelfilm Slachtvee in première, waarvan nog in hetzelfde jaar een romanbewerking verscheen (Antwerpen, Soethoudt). Daarop volgde in 1981 bij P.E.P. Roxy's Roxane. Een korte vertelling uit het cinematografisch vertaald: scenario, iconografie en dossier van en rond een voorlopig (?) niet gerealiseerde speelfilm. Ten slotte werd door de BRT- t.v. in het voorjaar 1982 zijn schitterende lyrische filmdocumentaire rond Van Ostaijen, Ieder mens die sterft is een museum dat brandt, voor de eerste keer uitgezonden.
Reeds in de eerste verzen van Rond hem huilt iedereen duikt een hij-figuur op, die men aanvankelijk, Conrads vroegere werk indachtig, al te vlug associeert met één of andere figuur die in 's dichters biografie een rol heeft gespeeld of speelt. Bij nader toezien blijkt het echter te gaan om Conrad zelf, om zijn schrijverspersona die inderdaad lange tijd afwezig was, en die na jaren “onder een verscheurde hemel/ pralend en stralend weer thuiskwam” (zang IX). Hiermee heeft Conrad één van de krachtlijnen in zijn poëtische evolutie consequent doorgetrok- ken. Aanvankelijk was hij de vaak speelse observator van zijn wereld en zijn tijd, waarbij hij gaandeweg ook zichzelf als ik-figuur in het door hem geregisseerde, absurde wereldtheater introduceerde. Nu echter heeft hij het toppunt van de zogenaamde decadente onverschilligheid of cynische afstandelijkheid bereikt: de dichter objectiveert zichzelf; 'ik' is een 'hij', dus een vreemde geworden – laatste verdedigingsreflex van een door de wereld bedreigde hypersensibiliteit?
De bundel lijkt mij dus in eerste instantie het (nog steeds barokke, pathetische) relaas van/over een problematische iden- titeit en haar isolement temidden een desintegrerende, vijandige omgeving die de dichter tot een strategische terugtocht noopt. Overdag is het paradoxaal genoeg “donker” (II) en het licht wordt ervaren “verraderlijk als een streling” (II). De stad, nochtans Conrads biotoop bij uitstek, is “hem onbekend, zoniet vijandelijk” (II) geworden; zij sluit dan ook “Verblind... blind na blind/ haar electrische ogen' (V). De ruimere geografische context (het “vaderland”, Vlaanderen?) definieert de dichter als een “somber en doorweekt land,/ waarvan het volk zijn opera's niet kent!' (III), en de poëzie is o.a. het beschrijven van “de twijfels en nederlagen van dat zwijgzame volk/ dat zich.../ voedde met wolken en het wenen van de wind' (I).
Zelfs binnen de beschermende bakens van de bewust gekozen en voorheen feestelijk geprononceerde ousiderspositie voelt de dichter zich nu bedreigd. Vooral zangen VII en VIII vertolken de angst voor de koude en dodelijke brutaliteit van de wereld die baadt in één grote leegte, zowel die van de “vernielers” als die van de “vernielden” (VII). Men hoort van de aarde de “klacht en het kraken van haar korsten” (VII), en van de “Mensen” slechts een “kreet,/ dit rauw en zuur geschreeuw” (VIII) – alleszins verzen die Conrads scherpe bewustzijn van maatschappelijke processen en zijn stellingname daar tegenover verklanken. Meer concreet weerklinkt in de bundel zelfs de angst voor de toenemende militarisering, voor (ideologische) polarisering en onverdraagzaamheid: “Zullen ook zijn zonen, van schoonheid beschuldigd,/ veroordeeld worden en beschoten?' (VI); de executiepelotons van de Nieuwe Kruisridders staan als het ware klaar.
Temidden dit geschreeuw en geweld dwaalt een hij-figuur, die “voelt de wereld in zich deinen/ en wankelt” (V), die “huilend van vermoeidheid” (I) schrijft en die totaal geïsoleerd werd: “rond hem,/ in dit laat en landerig schilderij,/ vervagen de laatste gelaten gelaten” (V). De medemens verstolt tot een uniforme massa, verliest zijn aanspreekbare identiteit, zodat er niemand meer is die “luistert”, “denkt” of “kijkt” (II) – of “Tot- nogtoe hoort niemand toe” (VII).
Liefde en vriendschap verbleken tot een kleurloos en dor bedrog, een theater zonder communicatie, een machteloze pantomime: “Voor velen begint de zoveelste/ roerloze nacht in een bodemloos bed/ vol vluchtige aanwezigheden” (V) – en: “0 verre, vertikale nachten vol sprakeloze blikken/ achter flessen verscholen!' (III). Dit alles leidt dan ofwel tot de fatale vraag: “of er wel leven is,/ voor de dood” (V), ofwel tot de al even onafwendbare zekerheid “dat je het leven/ niet levend verlaat” (IV).
Eenzaamheid en een vorm van ontgoochelde onthechting zijn voortaan het lot van de dichter: “Een eiland./ Een eiland is hij. Een eiland op een meer op een eiland.” (VI), of: “Wakend over de nacht, ontruimt hij nu pleinen en paleizen,/ laat, laat en van alles ontdaan, op bevlekte tapijten/ bloedende vrouwen achter” (I).
Wat mij betreft vormt dit alles toch een nieuwe tonaliteit in het werk van Conrad die. zoals de Arbiter Elegantiae, zijn grote voorganger, het leven beleefde als een soms grimmige fête perpétuelle. Voortaan verkiest de hij-figuur “slechts de purperen stilte van zijn cel” (III) boven het gezang van “Carestini, Farinelli, Caffarelli en Giovanni Battista Velluti” (III), de beroemde 18de-eeuwse castraten of 'evirati'. Deze figuren, begiftigd met een dubbelzinnige erotische status en een aan het goddelijke grenzend, kunstmatig stemregister, zijn haast onvermijdelijk in Conrads sinds jaren zorgvuldig opgebouwd panopticum, maar het feit dat hun bekoorlijke ambivalentie moet wijken voor het bewuste isolement lijkt mij symptomatisch voor een mogelijk nieuwe koers in het dichtwerk.
De groteske maskerade die vroeger zo virtuoos en op soms choquante wijze de eigen gevoeligheid moest verbergen wordt nu op haar beurt problematisch. Er is een gevoel van schizofrenie, van distantiëring, van vermoeidheid. De hij-figuur heeft “bronzen handen in een dageraad van melk en marmer” (I), en bovendien vertonen deze versteende (schrijvers-!) handen “wonden en barsten” (I). Alsof hij met een flinke kater ontwaakt uit een droom, een roes, overschouwt Conrad het verleden, onzeker over de rol die hij er zelf in speelde: “Heeft hij dit beleefd, dit vrezen, dit afkerig beven?/ Dagen zonder daglicht, drinken zonder dorst,/ en, door de jaren heen, de woekerende verwarring/ tussen laken en papier?' (I). Zoals de dood, toevallig en absurd, kleur- en geurloos door de spiegel binnenkomt en naar buiten schuift (II), zo kwam “Hij” “mijn leven binnen, heerser tussen de heesters,/ en met hem de herfst. De heimwee droeg hij in zich mee' (III), en zal Hij steeds “de duisternis weer induiken” (III).
Ondanks alle wellicht strategische vervreemding van zichzelf blijft de pijnlijke identificatie:” zijn verlamming, zijn gruwel,/ zijn radeloosheid is de mijne' (III). Voelt de dichter zich bedreigd in een vijandige ruimte (land, stad, volk) dan bevindt hij zich ook in een desoriënterend temporeel vacuüm, zonder enig houvast: “Zo brak voor hem te vroeg de tijd/ van de laatste wandeling aan./ Door de herfst eerst en later, huiverend,/ zelfs de winter en zijn vrede voorbij' (IV).
Conrad spreekt in deze bundel dus niet langer over het mas- ker als tooisel of wapen, maar als symptoom. De volgende verzen klinken als een gedesinteresseerde contastering, als een diagnose bijna: “Bezoekers vonden hem terug, in vrouw verkleed,/ zijn dagen onder de meiden,/ zijn nachten onder de knechten slijtend' (IV) met daarin een evidente erotische ambivalentie, maar ook dubbelzinnigheid rond de woorden 'meid' en 'knecht'.
De hij-persona wordt door de dichter zelf geduid als een synthese van 'ik' en niet- ik (‘jij’), waarbij mogelijk de dichter- lijke subjectiviteit ook tot die van de lezer wordt verruimd, zodat wij deelachtig worden aan de versplintering: “Wie is hij die ik hij noem?/ Hij is jij, hij is ik,/ Rond hem huilt iedereen' (III), waarbij in het werkwoord 'huilen’ de dubbele betekenis opvalt van 'schreeuwen' en 'wenen'.
Dat het echter niet alleen gaat om een algemeen gevoelde identiteitscrisis (bv. als gevolg van onbegrijpelijk geworden maatschappelijke fenomenen of processen), maar meer bepaald ook om het contrast tussen Conrad als cineast en als dichter, blijkt het duidelijkst uit zangen II en IX. “Stilaan werd de cinematheek het geordend hiernamaals,/ waar hij, starend naar zijn schimmen op het linnen,/ de smart van het leven en haar leugens leerde dragen' (II): de film dus als tijdelijk schuiloord en therapie.
Maar de dichter in hem is nog lang niet dood: “Hij bewoont mij met zijn raadsels,/ letters die mijn vingers temmen/ en zinnen die eeuwen beschrijven.// Hij, die vervaagde als de muren na het drinken/ en aan wie ik dacht.../ alsof voorgoed het woord het woord niet meer had,// die mij met bezegelde lippen/ achterliet.../ mijn inkt bevroor, mijn handen het zwijgen oplegde/ en na jaren.../ pralend en stralend weer thuiskwam' (IX).
In de slotzang ten slotte roept Conrad de lezer (zichzelf?) op om de dichter trouw te blijven (“Blijf deze kamers bewonen met het leed van je ogen,/... Ik voel zijn val immers en val in hem, als opgeeist, als opgezogen') en formuleert hij het dilemma waarvoor hij zich geplaatst ziet: “Zal ik dan knielen op een eiland van dagelijksheid” (niet meer schrijven?) of “zal ik schuilen als een slak in het vocht van zijn handen” (wel schrijven?). De lokroep van de poëzie, haar noodzakelijkheid, is echter te sterk: “Tot aan de hersens in het slijk verzonken/ wordt in deze zompige zone hem/ het zwijgen te zwaar” (VIII), zodat de hij-persona (en niet 'ik'!) “heimelijk en woedend in een tekst van steen/ zijn wroeging, zijn vrees, zijn verlangen en zijn walg “bevriest” (I).
Naar wij hopen, en afgaande op enkele verzen uit de bundel, bestaat dus wel de kans dat Conrad zich opnieuw aan het schrijven zet. Maar het is zonder meer duidelijk dat, althans voorlopig, het “baldadige bal der verrukking” afgelopen is, en dat de “dodelijke dorst naar tederheid” is geluwd. Scherper dan ooit, maar steeds met de aan echte poëzie eigen implicietheid of indirectheid, verwoordt Conrad in deze vaak beklemmende verzen, in deze apocalyptische comeback, zijn (en onze) angst voor de val waarin dit alsmaar beangstigender tijdsgewricht ons gevangen houdt, en de psychische verwarring of verbazing die optreden wanneer zelfs het eigen theater begint te brokkelen, de eigen grime van het gelaat begint af te vloeien.
Nog niet zo lang geleden schreef Conrad: “Wij zitten in een tekening van Grosz, en buiten weerklinkt opnieuw de gekende kadans van laarzen”. Ik begin zo stilaan op huiveringwekkende wijze aan te voelen hoe Conrads angst en wanhoop met de dag winnen aan werkelijkheidswaarde, aan maatschappelijke relevantie. Het begint erop te lijken dat de waanzinnige realiteit de fantasie zal inhalen en voorbijsteken, dat de wereld werkelijk trekken gaat vertonen van een tekening van Grosz, helaas niet langer omgekeerd.
Op het nakende Narrenfeest, dat gevierd zal worden in het helse Licht der Paddestoelen, zal het lawaai zo oorverdovend zijn, dat zelfs het lawaai niet meer hoorbaar is. Wie dan nog rondom Hem, rondom ons kan huilen, zal pas beklagenswaardig zijn.
OUT.
Luc PAY
📌 Patrick CONRAD, Rond hem huilt iedereen, Contramine v.z.w., Antwerpen, 1983, [z.p.]
[In: Poeziekrant, jrg. 7 nr. 6, nov.-dec. 1983, p. 4]


