Het leven, ach, het leven – Die vrouwen, ach, die vrouwen. Knap prozadebuut van André Janssens (1985)

Onder de titel De blinde op de uitkijktoren bundelde André Janssens (geb. 1929 – hij is o.m. internationaal schaakmeester per briefwisseling) twaalf verhalen die, in hun totaliteit gezien, een zeer sterke indruk op mij hebben gemaakt. Qua lengte variëren ze van ultra-kort (2 blz.) tot een bredere epische uitwer- king (30 blz.) zodat men ze nog het best als short-stories kan karakteriseren. In alle verhalen staan één of meer mannelijke hoofdfiguren centraal die, zoals de flaptekst vermeldt, "steeds weer opnieuw op zoek gaan in mateloos verlangen naar het breken van hun eenzaamheid. Dit isolement van de protagonisten is het gevolg van de dood of van een communicatiestoornis met de omgeving. 

In zes van deze twaalf verhalen worden de hoofdpersonen geconfronteerd met het eigen nakend einde ('Een confrontatie', 'Het bezoek') of met de leegte na het overlijden van familieleden ('Brief van een dode', 'Het andere graf', 'Marie', 'Gesprek met moeder'). Janssens poogt niet zozeer de zin of de absurditeit van de dood en het lijden op zichzelf te omschrijven, dan wel te peilen naar de intense psychische en emotionele troebelen die erdoor veroorzaakt worden. In het vooruitzicht van hun meest radicale vorm van toekomst de dood proberen de personages klaarheid te brengen in hun eigen gevoelens en in hun relatie met de dierbaren, meestal in de vorm van ultieme dialogen waarin kleine, alledaagse maar gelukkige momenten in de herinnering opduiken en waarin uiteindelijk de zin van het hele leven overdacht wordt. 

Telkens weer blijkt dat geboorte en dood twee complementaire polen zijn van eenzelfde groot geheim dat voor de rest met verstomming slaat. Zo moet een trouwpaartje aan de kerk "wachten voor een lijkdienst die nog aan de gang was" (blz. 8); een verliefde jongen prevelt de naam van zijn beminde "moeizaam als bij een geboorte of bij de dood" (biz. 65). Soms klinkt het besef van deze onverbrekelijke band erg bitter – "In de geur van zijn zaad herkende hij reeds de dood" (blz. 67) – soms heel teder zoals hier: "Vijfentwintig jaar geleden was hij uit het lichaam gekomen dat hij zojuist begraven had en niets had hen dichter bij elkaar kunnen brengen dan dit" (biz. 81), teder ook in de volgende regels waarin eveneens een zoon zijn ditmaal stervende moeder toespreekt: "Graag had ik je op je laatste dag nog wat te drinken gegeven, uit dankbaarheid voor wat ik van jou mocht drinken die eerste dag" (biz. 119). 
Zoals geboorte en dood neigen ook verleden en toekomst naar elkaar toe, bijvoorbeeld in volgende prachtige uitspraak van de man die zijn stervende broer gaat bezoeken: "Ik mocht niet te veel over het verleden praten, want dan zou hij misschien vermoeden dat er voor hem geen toekomst meer was" (blz. 46). Het enig mogelijke, totaal irrationele antwoord op de ondoorgrondelijkheid van de meest fundamentele vraag is dan ook: "Het liefst zou ik... uitdagend leven maken op het ogenblik dat je doodgaat" (blz. 120). 

De complementaire polen waarover sprake zouden in Janssens' verhalen wel een zingeving kunnen ontlenen aan de tijdsspanne die ze samen omsluiten: het leven. Maar dat is dan weer bijzonder kort, in die mate zelfs dat de figuren niet goed weten welke richting ze uit moeten. Op het ultieme moment van de confrontatie met de dood komen ze telkens weer tot het inzicht dat ze hun leven onvoldoende of op de verkeerde manier hebben geleefd; hun eindbalans is steeds een optelsom van gemiste kansen. "Ik ga dood, zei hij, en er is zo veel dat ik anders had willen doen" (biz. 118). Paradoxaal genoeg zeggen de levenden dan weer: "Ik dank je voor dit leven, al weet ik niet wat ermee aan te vangen" (blz. 121). De personages zitten opgezadeld met een soort immobilisme, een onhandigheid tegenover het leven waarvan ze zich wel bewust zijn maar waarvan ze slechts op het moment van de waarheid spijt hebben. Het motto van Malraux, dat de bundel voorafgaat, vat dit alles voldoende samen: "La vie ne vaut rien, mais rien ne vaut la vie". Het leven is in se dus niet zinloos, maar wellicht te complex, te paradoxaal, te brutaal ook voor een gevoelig en onbeholpen mens. 

De eenzaamheid van de personages lijkt enigszins verzacht te worden door de ontroerende tederheid van hun intieme verhoudingen, of het nu gaat om een relatie tussen man en vrouw, moeder en zoon, of tussen twee broers. Maar die tederheid speelt Janssens ook parten, want ze komt dikwijls vervaarlijk dicht in de buurt van sentimentaliteit, die bovendien nog versterkt wordt door de dialoogvorm (het hoofdpersonage wendt zich rechtstreeks tot bijv. de overledene) met zijn pathetisch-dramatisch bijsmaakje. In het verhaal 'Marie' groeit de gevoelerigheid tot irriterende proporties, maar ze wordt gelukkig ook wel eens in evenwicht gehouden door een weldadige ironie. Na afloop van de lijkdienst mogen dezelfde trouwlustigen van daarstraks de kerk niet onmiddellijk binnen "want er moest wat aan het decor gerommeid worden" (blz. 8). Een man, overigens een door de dood gefascineerde, zoniet geobsedeerde, want "dat gaf wat kleur aan het leven" (biz. 78) herinnert zich zijn grootvader, die aan evenwichtsstoornissen leed: "De laatste keer dat hij van zijn stoel viel was hij dood, vandaar dat het de laatste keer was" (biz. 77). Diezelfde man zal later zijn overleden moeder uit haar lijkkist halen en in zijn tuin begraven, waarna hij de kist opvult met aarde: "Dan verdeelde hij de aarde zorgvuldig over de ganse bodem... want hij vreesde dat anders... de kist in de kerk zich plots als in een erectie zou oprichten (biz. 81). 

Janssens is echter op z'n best in de overige zes verhalen. Hier worden de mannelijke hoofdfiguren steeds opnieuw door het leven bedrogen doordat ze zich – met hun blind vertrouwen in de medemens en een naïef idealisme – te pletter lopen tegen de muur van het maatschappelijke onbegrip. De auteur trekt flink van leer tegen het materialisme, het egoïsme en aanverwante kwalen, maar vooral het huwelijk als sociale micro-ruimte krijgt het onder Janssens' scherp-ironische (zoniet sarcastische) pen erg hard te verduren. De vrouwelijke echtgenoten zijn ronduit allen kwaadaardig te noemen (frigide, onverschillig, bazig, spottend, vernederend, je zou er nog een heuse castratie-angst aan overhouden!), gedroomde minnaressen blijken door hun wispelturigheid niet eens in staat een ietwat duurzame verhouding op te bouwen. De schlemielen van mannen rest slechts een mager solaas in bijv. het kaartspel ('Nakaarten') of in de moord. (bijv. in het aangrijpende verhaal 'De winkelstraat met z'n knap en ontroerend slot, of in de vrij sarcastische thriller 'Opruiming', die in 1983 bekroond werd). Een «mannenboek» dus. 

Sleutelverhaal is 'De blinde op de uitkijktoren', omdat Janssens' filosofie hier vrij expliciet gestalte krijgt. Ook hier staat een brave sukkel centraal, eentje die altijd maar goede werken wil doen, zielsveel van "de mensen" houdt en zich zelfs afvraagt "wat voor zin heeft het gelukkig te zijn als anderen het niet kunnen zijn" (blz. 70). Uiteindelijk komt hij tot het inzicht, vreemd genoeg door een ditmaal begrijpende echtgenote, dat hij vergeefs vanop zijn "uitkijktoren" de wereld heeft afgetuurd op zoek naar menselijke warmte, terwijl hij precies daardoor "blind" bleef voor de emotionele noden binnen de eigen kleine kring. Ondanks de verbitterd-berustende toon in het merendeel van de short-stories blijkt het huwelijk hier uiteindelijk toch de enige ruimte waar een minimum aan liefde en vriendschap gevonden kan worden. Janssens pleit voor kleinschaligheid en zin voor realisme bij het investeren van emoties, en lijkt de mogelijkheid van een universele broederschap resoluut van de hand te wijzen. De cynische rationaliteit laat zich niet langer door een al te romantisch altruïsme in de luren leggen - wat wellicht symptomatisch is voor het levensgevoel van de huidige, vooral jon- gere generaties. Ondanks hun wrangheid en het pessimisme blijven ook de donkerste verha- len erg aantrekkelijk door de subtiele ironie. Heel wat fragmenten verraden de pen van een werkelijk fijnzinnig stilist en een flinke dosis 'esprit' of 'wit' – en vooral dat laatste is in ons literaire landschap eerder een zeldzaamheid. 

Ook op structureel gebied valt coherentie waar te nemen. Vaak zijn de verhalen opgevat als raamvertellingen: een auctoriële verteller (hij-vorm) schetst een situatie of sfeer ter introductie, waarna enkele ik-vertellers netjes op een rij hun relaas doen. Zowel de thematiek als bepaalde formele constanten maken van een aantal (zoniet alle) verhalen echte 'parabels', teksten die zich nadrukkelijk aandienen als illustraties van een diepere boodschap of algemeen-menselijke waarheid. Een didactisch-moraliserend aroma is hier onvermijdelijk te proeven, maar de ironie maakt heel wat goed. 

Kortom: een aanrader. Ik vernam zopas dat een tweede verhalenbundel van Janssens nog dit voorjaar op de markt komt. Mijn bestelbon is de deur al uit. 

Luc PAY

📌 André Janssens, De blinde op de uitkijktoren, Hadewijch, Schoten, 1984, 121 blz.

[In: Diogenes, jrg. 2 nr. 3, 15 maart 1985, p. 142-144]