Had u anders nog wat gehad willen hebben? (1985)

Maarten 't Hart (1979)
Tijdens een recent verblijf bij onze noorderburen (het kan nooit kwaad), en wel in een van principes doordrenkte, oud-gereformeerde regio (ook dat kan beslist deugd doen), las ik, eerst met enige nieuwsgierigheid en al vlug tot mijn verbijstering in het Algemeen Dagblad (20 juli 1985, p. 27) een interview met één "onzer volksschrijvers", de heer Maarten 't Hart.

De beklemmend openhartige babbel tussen Maarten en ene Marjan Berk (De feminist, 1984 en Een blonde rat, 1985) vindt plaats tijdens een copieuze maaltijd van vijftien gangen ter Schrijvers ere en handelt in hoofdzaak over diens culinaire en andere biologische behoeften en lusten. Een kleine bloemlezing uit 't Harts uitermate belangwekkende revelaties wil ik de lezer hier niet onthouden, ook al omdat wij als geborneerde Vlamingen nog steeds kunnen leren van deze fijngevoelig verwoorde openheid inzake biografisch-scatologische wetenswaardigheden.

 

Maarten opent al meteen met een eerste drol in de roos: hij vindt biest (eerste koemelk na het kalven) zo ontzettend lekker, en die is "ook verschrikkelijk laxerend, je kunt bij wijze van spreken wel blijven zitten". lets verder, losjes over één van de talloze smakelijke voorgerechten heen: "Ik heb een goeie eetlust en een enorme hoge verbranding... Ik moest wel zes keer per dag en dat is nog zo". Wie zou na zo'n opwarmertje niet willen aanschuiven aan Hollands rijke tafelen in het gezelschap van een succesauteur die zijn gastronomische ontwikkeling niet onder stoelen of banken steekt: "[Hij] spatelt een bordje eten in hoog tempo naar binnen” – “We zijn aan de vierde gang en zo te zien vindt hij het helemaal nog 'een lekker voorafje' ”  – "We zijn bij de toetjes aangeland. Maarten maakt nu kreunende geluiden. Ik haak af en schuif mijn gevulde borden naar hem toe. Een gevulde appel wordt, als ik even de andere kant opkijk, met schil en al verzwolgen."

De alerte interviewster registreert dit alles pijnlijk nauwgezet, en ik probeer het me pijnlijk levendig voor te stellen.

 

En dan die bekentenissen waar je gewoon plat van gaat (niet: "afgaat"): "Van grote eetsters houd ik niet, omdat ze niks voor mij over laten. Nee, ik ben zeker geen fijnproever." Zintuiglijke tafelgenoegens zoals likken, ruiken en proeven zijn voor 't Hart bijkomstig: "Dat speelt bij mij geen rol. Alles gaat - whamm!!! - naar binnen" – of: "Ik ben gauw tevreden. Als er goeie patat is, vind ik dat best. Als je iets wilt bereiken met lekker eten, dan toch niet bij mij!"

Een normale chef die z'n keuken respecteert trapt zo'n sufferd er gewoon uit, maar Maarten is gereformeerd Neerlands Hoop op Winderige dagen, zodat hij ongestoord verder diepzinnigheden debiteert ("Die slechte mannelijke reuk is er ook de aanleiding voor dat de meeste vrijgezellen stinken" – of: "Zo weet ik bijvoorbeeld dat ik een zeer intense gasvorming heb; hygiëne is daarom vereist'') en z'n vrouwelijke gesprekspartner stiekem doorheen stront en stank zelfs complimentjes maakt: "Jij ruikt wel lekker. Als jij geen vijf kinderen had gehad, zou je nu een schoonheid zijn."

 

Tijdens lectuur van dit interview dacht ik de hele tijd: deze man is calvinistisch opgegroeid, die heeft heel wat weg te duwen en ook heel wat weer in te halen. Bij controle bleek dit nog te kloppen ook. 't Hart heeft ooit gezegd: "Ik schrijf omdat ik van obsessies af wil". Het is nu duidelijk dat hij vreet omdat hij van obstructies af wil. We nemen het hem zelfs niet kwalijk, want eeuwen geleden zat ook Vlaanderen met die knellende broeksriemen opgescheept.

 

We staan, gezien de reukhinder weliswaar op enige afstand, als één man achter Maarten die we verder de pot op sturen tot stichting van de voltallig poepende Verenigde Provinciën.


Blijven drukken jóh, je houdt er gelijk een boel drukwerk an over!


Luc PAY


[In: Diogenes, jrg. 2 nr. 7-8, 1985, p. 381]