Groteske begrafenisperikelen (1991)

Van Ostaijen, vermoedelijk 1927.
Op 5 juni 1991 verscheen in Knack een artikel van Marc Reynebeau over het voormalige sanatorium Villa Le Vallon, waar Paul van Ostaijen in 1928 overleed, onder de titel ‘Witte hoeven achter de zoom’. Nog afgezien van het feit dat door de geplande verkoop van de villa de toekomst van dit literair-historisch monument onzeker wordt, zijn de foto's bij dit artikel erg ontroerend, vooral wanneer men ze vergelijkt met de bekende, koele en harde zwart-wit foto's die b.v. in Borgers' Kroniek van Paul van Ostaijen (1) zijn verschenen. In het Knack-artikel staan wel enkele onnauwkeurigheden en vreemde beweringen, die men een journalist gezien zijn specifieke werkwijze uiteraard niet kwalijk kan of mag nemen.

1. "Bezoek had hij zelden of nooit," lezen we over Van Ostaijen op blz. 45 van het Knack-artikel. Op 16/10/1927 was du Perron bij hem, op 30/10/1927 Burssens, op 19/02/1928 kwamen Burssens en Jan Melis op bezoek, en de laatse bezoekers waren Oscar en Mia Jespers op 11/03/1928. Vier bezoeken op een periode van zes maanden (06/09/1927 - 18/03/1928) is inderdaad niet bijster veel, maar men moet bedenken dat in 1928, zowel door de geringe mobiliteit van particulieren als door het wellicht niet zo sterk uitgebouwde noch snelle openbaar vervoer, Miavoye heel ver van Antwerpen verwijderd lag. Van Ostaijen waarschuwde Burssens, in een brief van 29/10/27 zélf voor de problemen die aan de reis verbonden waren: “Je schrijft: ‘Ik kan rond de middag te Anthée zijn’; ben je daar wel zeker van? Ik bedoel, van Dinant tot Anthée gaat het per buurtspoorweg; heb je deze korrespondentie goed nagezien? In elk geval: pedibus cum jambis is Miavoye een half uurtje van Anthée. Zoniet heb je de weg per spoor: Mechelen-Brussel-Namen- Dinant-Hastières, en van Hastières tot Miavoye per auto (er is een autoverhuurder te Hastières). Er is een trein die ongeveer kwart vóór twaalf binnenloopt; op die wijze ben je rond twaalf te Miavoye. (...) Terug kan je om zes langs Hastières, 9 uur Brussel. (...) Ik bewonder je moed, want, let er op, het is een hele reis, op één dag heen en terug. Het gaat best natuurlik, maar het is toch lang genoeg.” (2)

 

Overigens valt ook op te merken dat het hier

Le Vallon omstreeks 1971. Eerste verdieping 
rechts V.O.'s kamer.

alleen bezoeken betreft waarvan later

schriftelijke sporen teruggevonden werden; er kunnen er dus best meer geweest zijn. Daarnaast hield Van Ostaijen een zeer intense correspondentie met Eddy du Perron (o.m. de vrij moeizame onderhandelingen rond het tijdschrift Avontuur), Gaston Burssens, Tine Ceulemans, Oscar en Floris Jespers (deze laatste briefwisseling ging weliswaar verloren), zijn vader en broer, René en Frieda Victor, Jozef Muls en dokter Peetermans, naast incidentele briefwisseling met b.v. Hendrik Marsman. In totaal bleven 134 brieven uit deze periode bewaard, "waarvan de helft door Van Ostaijen zelf is geschreven" (3). Zeker voor een longtuberculose-patiënt lijkt zulke omvang van de cor- respondentie mij niet onaanzienlijk. Dat Van Ostaijen in Miavoye fysiek langzaam wegkwijnde staat vast, maar dat gebeurde beslist niet in een sfeer van volstrekte eenzaamheid, door iedereen vergeten.

 

2. Knack meldt verder nog: "Toen hij op 20 maart in Anthée begraven werd, was Burssens prezent, misschien, maar wellicht niemand van de familie of vrienden, enkel mensen uit Miavoye." Dat lijkt een gedeelte- lijke echo van Adriaan de Roover, die over de begrafenis weet te vertellen: "Uit Antwerpen was Gaston Burssens gekomen. Familie was er niet." (4)

Vreemde beweringen zijn dat toch allemaal wel, want reeds in 1928 berichtte Burssens: "Zoo hebben wij hem Dinsdag in het verre Miavoye-Anthée ten grave geleid. Wij, dat zijn: een paar bloedverwanten en trouwe vrienden” (5), wat hij overigens vaak schriftelijk heeft herhaald: in 1929 in Den Gulden Winckel, in 1933 in zijn monografie Paul van Ostaijen zoals hij was en is (maar hier spreekt hij niet langer over de 'bloedverwanten', alleen over "een trouwe vriend en ik"!), in 1956 in zijn monografie Paul van Ostaijen de dichter, waar hij nog slechts laconiek over zichzelf meedeelt: "Mijn derde bezoek was voor de begrafenis." (6) Merkwaardig genoeg arriveerde vader Van Ostaijen te Miavoye op de dag zelf dat zijn zoon net overleden was (zondag 18 maart 1928), maar of hij bij de begrafenis was is onzeker: "Op dinsdag 20 maart, 's middags om drie uur, vond de begrafenis plaats (...) Er waren 'een paar bloedverwanten en twee trouwe vrienden' bij aanwezig. Burssens herinnerde zich later niet meer wie die bloedverwanten waren en wist ook niet meer zeker of vader Van Ostaijen erbij was. De genoemde vrienden waren hijzelf en Jan Melis." (7)


Le Vallon, zicht vanuit V.O.'s kamer

3. Tot slot: merkwaardig is ook altijd dat houten kruis op Van Ostaijens graf, dat op aanwijzing van Burssens de geschilderde tekst bevatte: "Hier rust de dichter van het Eerste boek van Schmoll", maar waarover Burssens zelf in 1936 meedeelde dat het "door Floris Jespers op het graf te Anthée werd geplant" (8). Was Flor Jespers dan toch ook aanwezig bij de begrafenis, of plantte hij dat kruis bij een later bezoek op het graf?

 

Waarom ik deze gegevens nu allemaal bij elkaar sprokkel en noteer? Het Knack-artikel verdient aandacht omdat het de alarmbel luidt i.v.m. het Waalse sanatorium en omdat het ietwat vertekende beeld over de sfeer van Van Ostaijens overlijden bijgesteld kan worden; anderzijds echter behoort de hele geschiedenis uiteindelijk slechts tot de 'petite histoire' die niets toevoegt of afdoet aan de grootheid van Van Ostaijens letterkundige betekenis.

 

Maar er is iets anders dat mij verplicht naar de elektronische pen te grijpen. De inkt van Knack is nog niet goed droog, of ik word nog diezelfde woensdag 5 juni opgebeld door Karel Jonckheere, die het bewuste artikel reeds gelezen heeft en mij in verband met de affaire een belangrijk verhaal wil toevertrouwen. Ik ben uiteraard gaan luisteren, het gaat als volgt (9).


Tweede herbegrafenis, Erepark Schoonselhof 1952.

 Jonckheere was in 1955 voor een herstelvakantie te gast bij dokter Rigaud (een voormalige scheepsarts die hij tijdens één van zijn vele reizen had ontmoet) te Bois-de-Viliers, in de buurt van Miavoye. Bij het einde van zijn verblijf haalde Burssens hem daar op, en op de terugweg naar Antwerpen vertelde Burssens, ongetwijfeld door de herinnering aan het naburige Miavoye, aan zijn passagier dat hijzelf wel degelijk bij de begrafenis te Miavoye aanwezig was (1928) en er het hierboven genoemde beschilderde kruis had geplant / laten planten(?). In 1932, aldus nog steeds Burssens in de auto, gingen Flor Jespers en hijzelf het lijk te Miavoye ophalen voor de herbegraving te Antwerpen; toen ze er op het dorpskerkhof aankwamen was het kruis verdwenen, en bleek het lijk reeds ontgraven. En Burssens fluisterde Jonckheere bovendien zachtjes "iets" toe "wat ik nog nooit aan iemand anders heb durven vertellen: het is best mogelijk dat de verkeerde stoffelijke resten in 1932 naar Antwerpen werden gebracht." Tot daar Jonckheeres verhaal. Het is niet niks natuurlijk, maar ik ga er ook niet direct van onderuit. Het doet immers onmiddellijk een belletje rinkelen dat mij via enig zoekwerk terugleidt naar deze passage in Burssens' Verzameld Proza (p. 224-225), handelend over de (eerste) herbegraving van Van Ostaijen te Antwerpen in 1932: "Na de plechtigheid, toen Floris Jespers de tragiek van het geval trachtte te verhogen door met een treurig gezicht mij in het oor te fluisteren, dat men te Anthée zich bij de ontgraving misschien van lijk kon hebben vergist, leek mij het hele gedoe een deels akelige, deels kostelijke grap (...)”.

 

Wat van dit alles te denken? Burssens heeft het over een 'practical joke' van Floris Jespers, Jonkheere spreekt over door Burssens schroomvallig gedane confidenties (alsof hij er dus meer van afwist!). Onvermijdelijk duiken vragen op als: wie haalde in 1932 eigenlijk het lijk op, hoe zijn de ontgraving en het transport in zijn werk gegaan? De traditie wil inderdaad dat Burssens en Jespers samen het lijk ophaalden in Miavoye en dat het reeds klaar stond voor transport toen ze er beiden aankwamen. Kon in Wallonië een vergissing gebeurd zijn? De directeur van het Antwerpse Schoonselhof, die ik hierover ondervroeg, is niet 100% zeker. Dat Van Ostaijens kist na vier jaar nog intact geweest zou zijn kan sterk betwijfeld worden, hoewel het gebruikte materiaal toen van een betere kwaliteit was. In ieder geval gebeurt de identificatie van een stoffelijk overschot nu aan de hand van een metalen plaatje met persoonlijke gegevens, dat steeds mee begraven wordt, maar of dat toen ook al gebeurde is opnieuw onzeker. Normaal dient ook steeds een politie-officier bij een ontgraving aanwezig te zijn om een proces-verbaal op te stellen, maar nogmaals: was zulks in 1932 ook het geval? Waren Jespers en Burssens aanwezig bij de ontgraving? Of hebben ze ter plaatse slechts kennis kunnen nemen van het proces-verbaal? Had de Antwerpse begrafenisondernemer de ook toen reeds voor het transport wettelijk verplichte zinken kist bij zich, of was daar al voor gezorgd in Anthée? Moeilijke vragen alleszins, vooral wanneer men bij Burssens leest: "Ik herinner mij dat Floris Jespers mij op een morgen telefoneerde om met hem en de begrafenisondernemer het ontgraven lijk te Miavoye te gaan afhalen. Maar het bleek al spoedig dat de zeer ondernemende begrafenisondernemer reeds op eigen houtje had gehandeld, want hij deelde ons heel flegmatisch mede dat hij de vorige dag reeds het lijk in ontvangst was gaan nemen per autowagen en dat het de nacht in zijn garage had doorgebracht. Hij zou het nu maar verder naar het dodehuis van het kerkhof voeren.” (10)

Met andere woorden, Van Ostaijens stoffelijk overschot bevond zich, buiten medeweten van de vrienden (en officiële  instanties?) om, reeds een nacht in Antwerpen!

De directeur van de Antwerpse begraafplaats Schoonselhof acht een vergissing te Miavoye niet onmogelijk, maar onwaarschijnlijk. En hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik ook neig tot de laatste hypothese. Jonkheere, die mij het verhaal zo ernstig als wat opdiste, lijkt me in dit verband merkwaardig genoeg weinig rekening te (willen?) houden met het feit dat Burssens én Jespers nooit om een zelfs zeer macabere practical joke verlegen zaten. Maar de twijfel is gezaaid (door de begrafenisondernemer, door Jespers, door Burssens, of door... Jonckheere, wie zal het zeggen?), en er rest een fractie van onbehaag- lijke onzekerheid dat op het Antwerpse Erepark uiteindelijk iemand anders begraven ligt.

 

Een mooiere wraak dan deze lugubere en pathetische groteske zouden zowel Van Ostaijen als Burssens zich moeilijk hebben kunnen dromen. In 1933 bekent deze laatste: "Sommige vrienden en bekenden oor- deelden het nodig het lijk te laten ontgraven en het naar Antwerpen over te brengen. Ook ik – mea culpa – oordeelde aldus, al heb ik er later mij een verwijt van gemaakt de rollende steen niet meer te hebben kunnen tegenhouden, toen ik mij bewust werd dat men de plechtigheid een officieel karakter ging geven en hem, de argonaut, als een academicien, onder een monument ging herbegraven." (11)

 

Wat er ook van zij: bij deze mogen Floris Jespers, Gaston Burssens en Karel Jonckheere officieel in een nieuwe onserieuze escouade verenigd worden: “Zo zijn ze gezellen naar zee”, die zoeken “naar de omgekeerde sterren/ tweemaal blauw/ en tweemaal bodemloos”.

Want ook daarover schreef Paul van Ostaijen gedichten.

 

Luc PAY

 

Noten

 

1. Gerrit BORGERS (samenst.), Kroniek van Paul van Ostaijen 1896-1928. Brugge/Den Haag, Orion/Scheltens & Giltay, 1975, p. 124- 126.

2. Gerrit BORGERS, Paul van Ostaijen. Een documentatie 2, Den Haag, Bert Bakker, 1971, p. 881-882.

3. Gerrit BORGERS, P.v.O. documentatie 2, o.c.. p. 842.

4. Adriaan DE ROOVER, Paul van Ostaijen (3de druk), (s.l.), Desclée de Brouwer, (1968), p. 27 (reeks 'Ontmoetingen’).

5. ‘Bij Paul van Ostaijens uitvaart’ (1928), in: Verzameld Proza. Verzameld en bibliografisch begeleid door Luc Pay. Antwerpen/Amsterdam, Elsevier/Manteau, 1981, p. 355.

6. Men vindt deze passages zonder problemen onder de respectieve titels in Burssens' Verzameld proza, o.c.

7. BORGERS, P.v.O. documentatie 2, o.c., p. 1039.

8. In de monografie Paul van Ostaijen de dichter (1956), zie Verzameld Proza, o.c., p. 337.

9. Jonckheeres 'onthullingen' worden hier gepubliceerd met zijn toestemming.

10. In Paul van Ostaijen zoals hij was en is (1933), zie Verzameld proza, o.c., p. 224.

11. In Paul van Ostaijen zoals hij was en is (1933), zie Verzameld proza, o.c., p. 224.


 

[In: Diogenes, jg. 7, nr. 6, juli-augustus 1991, p.76-78  

en in: gierik/NVT 49/50, jrg. 13 nr.4 / jrg. 14 nr. 1, p. 214-217]