Grote boeken over kleine gedichtjes (1986?)
Bart Mesotten, Haikoe-boek & Willy Vande Walle, Basho. Dichter zonder dak
Bart Mesotten o.praem. (°1923) is, zeker in het milieu van japanofielen en -logen, reeds lange tijd een bekende en terecht gewaardeerde figuur. Daar hebben uiteraard zijn eigen bundels haikoe-gedichten toe bijgedragen, maar ook zijn talrijke causerieën en bijdragen in tijdschriften of weekbladen over de Japanse 'Dreizeiler'. Bovendien was hij medestichter van het Haikoe-centrum te Overijse (1976) en is hij hoofdredacteur voor Vlaanderen van het driemaandelijkse tijdschrift Vuursteen (1980), dat uitslui- tend aan haikoe en senrioe is gewijd.
Nu ligt zijn magnum opus, Haikoe-boek, ter tafel: een voorlopige synthese van Mesottens creatieve én beschouwende bijdragen op het niveau van haikoe en senrioe, tevens een vorstelijk uitgegeven 'kanjer'.
Mesottens boek bestaat uit twee grote delen. In het tweede deel, dat iets meer dan de helft van het totaal aantal bladzijden omvat, brengt hij eigen werk: haikoe, senrioe en een aantal aan beide verwante gedichten (zoniet naar de 'voorgeschreven inhoud', dan toch naar de vorm, b.v. op aforistiek lijkende of lyrisch getinte drieregels). Ongeveer vijftig procent daarvan is nieuw werk; de andere vijftig procent werd gebloemleesd uit vroegere publikaties maar is meteen ook meestal grondig bijgeschaafd. Er zitten heel wat echte pareltjes tussen, maar ik laat het aan de lezer over om zelf te gaan grasduinen.
Het eerste deel van Haikoe-boek kan je het theoretische gedeelte, beter nog de 'beschouwende' afdeling noemen. Ze bevat opstellen die eerder in tijdschriften of gelegenheidspublikaties verschenen, naast teksten van spreekbeurten of nieuw geschreven essays. Hfdst. 1 geeft 'vingerwijzingen' bij het schrijven en lezen van haikoe, en vormt slechts een voorzichtige aanzet voor een eventuele 'theorie'. Het gaat hier om Mesottens erg persoonlijke reflecties rond de twee basispolen van het haikoe-gebeuren: het haikoe-moment (of de haikoe-ervaring, waarvan het opflitsend bewustzijn, de plotse verwondering het fundament blijkt te zijn) en de verwoording of de taalvorm. Ondanks de schijnbare fysieke onbenulligheid van het drieregeltje, zijn beknoptheid en zijn leesbaarheid voor een groot publiek, wordt aan die taalgestalte veel aandacht besteed. Zij moet de lezer immers aansporen tot het eigen zoeken en vinden (blz. 58), “de woorden zelf zijn het eerste doel” voor de haikoe-dichter (blz. 31). Anders geformu- leerd: “De taak van de haikoe-dichter is niet: een waarheid meedelen, maar schoonheid aanreiken” (blz. 55), of: “Niet de dichter of zijn ervaring is van belang, wel zijn dichtwerk en de vonk die door de lezing ervan op de gevoelige lezer overspringt” (blz. 36).
Aan de hand van talrijke voorbeelden demonstreert Mesotten dan ook de functie van de volgens hem noodzakelijke klankmiddelen en effecten, stijl of 'verhogingsmiddelen' van de taal (homoniemen, syllepsis, leestekens, klemtonen, tegenstellingen, herhalingen, opeenstapelingen etc.), van de semantische gelaagdheid van de haikoe ('dubbele bodems' op basis van associaties en connotaties, b.v. door de “kennis van de algemene culturele achtergronden”), en vooral de absoluut vereiste “preciesheid” van de woorden die voortdurend “geproefd” en “beproefd” moeten worden. Uit Mesottens overvloedige praktijkvoorbeelden blijkt dat het overdachte woordgebruik steunt op twee pijlers: voortdurende studie, en de in het Westen welhaast vergeten deugd: geduld. In het eerste hfdst. wordt haikoe nog afgebakend tegenover enerzijds de senrioe, anderzijds het aforisme en de lyriek.
Dat haikoe ook als gelegenheidspoëzie van recht van bestaan heeft blijkt uit hfdst. 2. In hfdst. 3 onderzoekt Mesotten het haikoe-gehalte bij Gezelle, Van Ostaijen en Timmermans (wat vergezocht eigenlijk, je kan dan beter bij Veldeke beginnen) en wordt de haikoe 'intertekstueel' benaderd (ontleningen, navolgingen e.d.m.).
De senrioe komt even apart aan bod in hfdst. 4, waarna het beschouwende gedeelte afgerond wordt met een uitgebreid en erg boeiend verslag van een Japan-reis: “op haikoe-safari in Japan” (ondanks Mesottens etymologische verantwoording lijkt het woord 'safari' mij hier danig ongelukkig gekozen, precies wegens bepaalde connotaties!).
Dit eerste deel van het boek vormt al bij al geen alles omvattende, logisch gestructureerde 'haikoe-leer'. De lezer zoeke hier niet naar een systematische poëtica, niet naar een historisch overzicht van de haikoe in Japan en/of het Westen, niet naar een overzicht van de Japanse poëzie-vormen en de plaats van haikoe daarin. De meestal korte kapitteltjes vormen een losse ketting van erg persoonlijke beschouwingen waarin herhalingen voorkomen of bepaalde thema's over verscheidene hoofdstukjes verspreid liggen. Ook de titels en tussentitels laten de lezer vaak in het ongewisse over de exacte inhoud van de hoofdstukjes, een handicap die wordt opgevangen door een handig register. Men kan natuurlijk ook de tekst gewoon continu doorlezen; Mesottens vlotte, soms ironische stijl zonder zwaar technisch jargon of moeilijke Japanse begrippen nodigt daar overigens zonder meer toe uit.
Men mag het boek ook naar believen doorbladeren en er rustig in grasduinen, zoals het citaat van vadertje Cats ons meedeelt (blz. 16). Deze overigens sympathieke structurele rommeligheid lijkt me een aanwijzing voor Mesottens fundamentele benaderingswijze: géén moraliserende of didactische bedoelingen (en dat blijkt ook uit de haikoe-praktijk; de drieregel registreert nu eenmaal meer dan hij beleert), geen sluitende theorie of systeem, geen afgeronde poëtica of vastgelegde codex; wel suggesties, aanwijzingen, “vingerwijzingen”.
Voortdurend blijkt bij Mesotten dat een 'goede' haikoe aan heel wat voorwaarden moet voldoen, maar dat het ook allemaal weer niet per se hoeft, en afwijkingen zijn ook toegestaan. Een paar voorbeelden. Wat de taal- en stijlmiddelen betreft: “Men moet zich op zo'n dingen niet blind staren; men mag er evenmin blind voor blijven” (blz. 57); de haikoe-dichter hanteert enerzijds een “zindelijk en onmiddellijk helder begrijpbaar schrift” (blz. 61), maar anderzijds moet de haikoe voldoende gestileerd en bewerkt zijn om associaties, connotaties e.d. mogelijk te maken; en wat betreft het voorgeschreven metrische schema: “Men moet een geijkte vorm niet lichtzinnig loslaten. Van de andere kant moet men een element dat uiteindelijk bijkomstig is niet te hoog aanslaan” (blz. 99).
Deze enerzijds/anderzijds-benadering kan soms paradoxaal en verwarrend klinken, maar zij laat tevens, althans binnen bepaalde grenzen, voldoende ruimte vrij om het genre voor steriliteit te behoeden. Overigens bestond en bestaat in Japan geen consensus over het haikoe-fenomeen, en begint het genre zich pas nu in het Westen goed te ontwikkelen en te transformeren. Veel wordt dus overgelaten aan het intuïtieve gevoel voor dosering van de (goede) haikoe-dichter en -lezer.
Bovendien kan je uit Mesottens werkwijze afleiden dat het niet zijn bedoeling was aan de hand van een theorie enkele 'staaltjes' toe te lichten, maar dat hij de omgekeerde procedure volgt. Aan de hand van talloze analyses van voorbeelden uit de eigen praxis toont Mesotten stap voor stap de vaak moeizame wordingsgeschiedenis van haikoe. Hij gunt ons dus een blik op zijn werktafel, toont ons de haikoe-ingrediënten en de samenstelling van zijn recepten. Zowel uit deze analyses als de afgewerkte gedichten komt een erg fijngevoelige man te voor- schijn die op een kinderlijke wijze van het leven, de mensen, de natuur houdt, die met ontzettend geduld en eerbied zijn taalmateriaal benadert, en die op de koop toe overtuigd is van het steeds voorlopige karakter van de afgewerkte poëzie.
Zeker de beide laatste eigenschappen zouden velen in letterland hem mogen benijden, in de eerste plaats die uit de haikoe-provincie, waar nogal wat beunhazen danig actief zijn die de haikoe ondertussen een kwalijk geurtje hebben bezorgd.
❦
Het boek van japanoloog Willy Vande Walle (°1949), Bashō. Dichter zonder dak, is helemaal niet badinerend van toon en heeft duidelijk wetenschappelijke aspiraties. Vande Walle brengt in dit boek een – terecht – overvloedig geannoteerde, eerste Nederlandse vertaling uit het Japans van vijf reis- verhalen en één dagboek van Matsoeo Kinsaku, genaamd Basho (1644-1694), grootmeester van de haikoe en lichtend voorbeeld van alle haikoe-adepten waar ook ter wereld.
De vertaling wordt voorafgegaan door een inleiding en drie hoofdstukken waarin behandeld worden: de vertaal- en transliteratieproblemen; Basho's biografie en zijn poëtische evolutie; de kenmerken en de functie van de Japanse haikoe vanaf zijn ontstaan en zijn relatie tot andere dichtvormen; ten slotte de socio-culturele achtergronden van de haikoe en van Basho's werk in het bijzonder.
Vande Walles grondige analyses, het gebruik van Japanse namen en begrippen en het omvangrijke notenapparaat wijzen hier op een radicaal andere i.c. wetenschappelijke benadering dan bij Bart Mesotten. Ondanks Vande Walles voortreffelijke Nederlands vereist dit boek heel wat concentratie en een meer studiegerichte ingesteldheid, zeker van de minder met Japan en zijn cultuur vertrouwde lezer. Helaas is de uitvoering van het boek weinig aantrekkelijk, vooral wat de bladschikking betreft, maar ik vermoed dat de prijsbepaling daar alles mee te maken heeft gehad. En vandaar wellicht ook de zwart-wit illustraties (kalligrafie en schilderijen) en de vrij primitieve, niet erg duidelijke kaarten.
In elk geval bewijzen beide boeken, elk op zijn manier, dat je een zo fascinerende maar tevens zo totaal anders geaarde cultuur als de Japanse niet zo maar lichtzinnig binnenstapt en naar je toehaalt. “Met lede ogen stelden we vast dat vele Vlamingen wel haikoes willen schrijven en publiceren, maar dat ze het vertikken om enig studiewerk te verrichten”, aldus dr. Karel Hellemans, secretaris van het Haikoe-centrum, in zijn toespraak bij de presentatie van Mesottens Haikoe-boek. Mesotten en Vande Walle geven overigens beiden een literatuurlijst waarmee de Vlaamse lezer verder op weg kan gaan om, zoals Basjo, het eigen dak vaarwel te zeggen en een – ook poëtische – identiteit zoekend te verwerven.
Luc PAY
📌 Bart MESOTTEN, Haikoe-boek, Kapellen, De Nederlandse Boekhandel/ Pelckmans,
1986, 496 blz.
📌 Willy VANDE WALLE, Bashō. Dichter zonder dak. Haiku en poëtische reisverhalen,
Leuven, Peeters, 1985, 221 blz.
[In: Diogenes. Letterkundig tijdschrift. Jrg. 4 nr. 4, (1986?), p. 359-362]
![]() |
Matsuo Basho door schilder en haikoe-dichter Matsumura Gekkei (1752–1811) bron: www.gov-online.go.jp |


