Een Vlaamse pater in het hol van een Mongoolse leeuw (1985)

Huiveringwekkende schoonheid van de Mongoolse steppen. Zo heeft
Willem van Rubroek ze ongetwijfeld ook gezien. (Foto IPS Journal)

Wie zich, al was het maar louter encyclopedisch, documenteert over 'reisliteratuur’ komt al snel tot een dubbele conclusie: primo dat reisverhalen zo oud zijn als dé literatuur zelf, secundo dat deze erg ruime genre-aanduiding een aantal subgenres omvat, die echter niet altijd even scherp van elkaar te onderscheiden zijn.

Zo heb je bijv. het journaal, het dagboek (van reizen, historische gebeurtenissen) of scheepsjournaal dat zin voor avontuurlijkheid koppelt aan nuchtere registratie (o.m. Gerrit de Veer en Bontekoe, eind 16de resp. begin 17de eeuw).

Met de zogenaamde reisbeschrijving wordt het al iets moeilijker. Ook hier gaat het om het relaas van een reis met aandacht voor de eigen wederwaardigheden en de bijzonderheden van een land, maar het literaire aspect gaat vaak een zo belangrijke rol spelen dat de grens tussen esthetische creatie en zakelijk verslag stilaan gaat vervagen. Van de Oudheid (Pausanias, Herodotus, Strabo...) over de middeleeuwse ooggetuigenverslagen van kruistochten (Joinville) en ontdekkingsreizen (Marco Polo, 1298) of Columbus, wiens relaas uit 1493 later in het Latijn werd vertaald met het oog op een betere verspreiding in de beschaafde wereld) belanden we, tijdens de renaissance, bij de  reisbeschrijving die bewust cultureel-educatieve facetten integreert, waardoor meteen de 'grand tour’-formule vorm krijgt en de eerste serieuze reisgidsen ontstaan.

 

Vanaf de 18de eeuw worden deze 'logboeken' zowel persoonlijker als wetenschappelijker (o.m. Linnaeus over Lapland, 1732) terwijl in de romantische periode het literair-esthetische aspect duidelijk gaat overheersen (Victor Hugo, Wolff en Deken, Couperus...); ook de idee van de 'picturesque tour' wordt dan gelanceerd, waarbij de idyllische sfeer en emotionele resonanties van de reis centraal staan (Byron, Heine). In dit verband vermeld ik graag Jan Engelmans verrukkelijke boekje Twee maal Apollo. Brieven uit Griekenland (1955), alsook de Egyptische brieven (1949) van Bertus Aafjes, die nota bene ooit een hertaling bezorgde van De reis van Sinte Brandaen. (1949).

 

Vrij makkelijk herkenbaar is het hodoeporicon, het in het Latijn geschreven reisgedicht of de poëtische reisbeschrijving, een genre dat vooral in de sfeer van het humanisme blijkt te hebben gebloeid maar nog in de 20ste eeuw een werk als Aafjes' Een voetreis naar Rome (1946) oplevert, al is het dan geschreven in de 'volkstaal'.

 

In wat gerubriceerd staat als reisliteratuur gaat het niet meer om de beschrijving van een werkelijk ondernomen tocht, maar veeleer om een gefingeerde reis als motief, symbool, structuurprincipe of decor. Hier wordt het genre tegelijk wat onoverzichtelijk én boeiend omdat je vertrekkend van de Odyssea en de Divina Commedia via de Brits-Keltische queesten terecht komt bij de fantastiek en de utopie (Morus, Cyrano de Bergerac bijv., met de evidente link naar de science-fiction en zijn intergalactische reizen tegen 'hyperspace' snelheden), de satires (Swift), de sentimental journeys, de picareske romans, de zeeromans, detectives (Death on the Nile), de jeugdliteratuur' (Verne, May), en de koloniale literaturen. Dat het genre lang niet dood is, weliswaar na transformatie tot een makkelijker consumeerbaar medium, bewijzen de verfilmingen van bijv. A passage to India, Under the Volcano, en de nog meer populaire The Pearl to the Crown, Shogun, de Star Trek- en Star Wars-cycli of het Dune-epos, om van de Western nog te zwijgen.

 

Maar terug naar de 'echte' reizen, meer bepaald naar de itineraria, waarmee de in het Latijn gestelde reisgidsen en reisbeschrijvingen bedoeld worden. Ging het in de Oudheid nog om echte (wegen-) kaarten met objectieve, praktische inlichtingen (bijv. de 'periploi' of kustbeschrijvingen voor zeevaarders), dan groeien ze heel snel uit tot christelijk georiënteerde gidsen ten behoeve van de Palestina-pelgrims, later tot reisverslagen van diplomaten, geleerden of handelaars (Janus Secundus en Busbequius bijv., beiden 16de eeuw).

 

Precies in dit laatste genre kunnen we een merkwaardig boek situeren, het Itinerarium Willelmi de Rubruc (1255) van de Vlaamse franciscaan Willem van Rubroek (geb. te Rubroek bij Kassel 1215 - † 1270?), een in het Kerklatijn geschreven relaas over een tweejarige reis (1253-1255) dwars door de Middenaziatische steppen naar het hart van het toenmalige Mongoolse imperium: de 'hoofdstad' Karakoroem.

Pater Ubertinus Devolder o.f.m., Ronny Ostyn en Paul Vandepitte zorgden met de hulp van nog vele anderen voor een vlotte, overvloedig maar discreet geannoteerde Nederlandse vertaling van dit uitermate boeiend werk, en voor een voortreffelijk inleidend dossier waarin de historische achtergronden, Willems biografie, het belang van het reisverhaal, de filiatie van de handschriften e.d.m. grondig maar bevattelijk uit de doeken worden gedaan.


De zilveren drankenspuitende boom van meester
Willem Boucher in Manghoekhans paleis.
Zie Willems verslag. (Foto Amusing Planet)
Het boek is echt in alle opzichten de moeite waard, want nog afgezien van het louter avontuurlijke gehalte treedt Willem uit zijn verslag naar voren als een intelligent zoniet geslepen diplomaat en als een uiterst alert, objectief waarnemer en verslaggever van historische, etnografische, geografische, linguïstische en andere bijzonderheden, zodat we zijn religieus superioriteitsgevoel en zijn ongetwijfeld gerechtvaardigde angst en afschuw voor de Mongolen er graag bij nemen. Geen reisverhaal dus in de trant van Daarheen en weer terug; wel blijven de beschrijvingen van de ontberingen, van de moeilijke en riskante contacten met de Mongolen, van de Mongoolse levenswijze en vooral van de stad Karakoroem en het paleis van heerser Mangoekhan onvergetelijk door hun onopgesmukt en levendig realisme.

Zo kwamen ze tot bij ons,
zo heeft Willem ze ook gezien.
Nog niet verleerd!
Het territorium van de nomadische Mongoolse stammen, dat in de 13de eeuw zou uitgroeien tot wat wel eens het grootste continentale rijk uit de geschiedenis wordt genoemd (Europa bleef aanvankelijk slechts door een dom toeval van totale overrompeling gevrijwaard), ligt anno 1985, flink weer ingekrompen, gekneld tussen de twee grote communistische reuzen, China en de U.S.S.R., en heet nu 'Mongoolse Volksrepubliek'. Ondanks de sterk voelbare en duidelijk zichtbare invloed van de Sovjetunie (voorzichtige industrialisering, intensieve alfabetisering etc.) blijven de huidige bewoners van de prachtige, desolate steppen erg gehecht aan hun nomadenbestaan; ondanks de groeiende populariteit van de motor-met-zijspan-voor-de-ganse-familie blijft het paard de ruggegraat van de natie en de trots van deze eertijds legendarische, mobiele en gedisciplineerde ruiters.

"Koemis maakt de mens opgeruimd,
brengt zwakke hoofden in een roes
 en doet overvloedig wateren." (Willem)
De Mongolen drinken nog steeds gegiste merriemelk, de 'koumis' die onze Willem zelf na een tijdje best te genieten vond, en ze plengen diezelfde melk nog steeds vóór de ingang van dezelfde eeuwenoude 'joerten’ of verplaatsbare tentwoningen als zoenoffer voor de geesten van de hemel en de vlakten; ze beoefenen nog altijd met veel plezier het boogschieten en hebben de yaks – die Willem als één der eerste westerlingen signaleert – nu afgericht voor dressuurnummertjes in het Mongoolse Staatscircus te Ulan Bator, hoofdstad en enig grote centrum van het land.

Tot voor kort zou Willem van Rubroek zich hier ongetwijfeld nog 'thuis' hebben gevoeld. Mongolië is dan ook een land om (hoe lang nog?) zalig van te dromen, en Willems Itinerarium een 'Vlaams' boek om zonder meer trots op te zijn.


Luc PAY

 

 📌 Ubertinus Devolder o.f.m., Ronny Ostyn, Paul Vandepitte, Het reisverhaal van Willem van Rubroek, de Vlaamse Marco Polo: 1253-1255. De Roede van Tielt, Tielt, 1984.


 

[In: Diogenes, jrg. 2 nr. 6, 15 juni 1985, p. 282-284.]