Een slordig opgepoetste papenspiegel (1987)

Otto von Corvin (1812-1886)
Historische publikaties verdienen mijns inziens steeds onze volle aandacht. De bepaling 'historisch' kan gewoon betekenen dat het gaat om oude, zeldzame of zelfs onvindbaar geworden teksten die op één of andere manier getuigenis afleggen van een époque; dat de tijds- en/of cultuurgebonden belangrijkheid van zulke werken dikwijls achterhaald is doet vaak geen afbreuk aan hun boeiende karakter. Ten tweede kan 'historisch' ook verwijzen naar mijlpalen van de cultuurgeschiedenis, waarvan het revolutionaire of grensverleggende karakter ook nog voor ons relevant is. De Nederlandse uitgave van de Pfaffenspiegel, een tot aan de tweede wereldoorlog berucht antiklerikaal pamflet, lijkt mij zo'n belangrijke gebeurtenis te zijn  – 'historisch' in de eerste betekenis, al stel ik me rond dit boek, maar vooral rond de tekstuitgave als zodanig, toch heel wat vragen.

Om te beginnen: wie was de auteur van deze Papenspiegel, die luisterde naar de indrukwekkende naam Otto Julius Bernhard von Corvin-Wiersbitzki, Duits proza- en toneelschrijver, publicist, free-lance journalist, nègre, historicus, Pruisisch beroepsofficier, vrijheidsstrijder, antiklerikaal en politiek agitator, uitvinder, sportpromotor en globetrotter?

 

Ein abenteuerliches Leben

 

Corvin, die zijn vroegste pennevruchten wel eens ondertekende met het pseudoniem Otto von der Weiden, de verduitste vorm van Wiersbitzki, werd geboren te Gumbinnen, Oost-Pruisen op 12 oktober 1812. Hij was een telg van de protestantse lijn van een oud en wijdvertakt Pools adellijk geslacht dat zich sedert de 17de eeuw in Oost-Pruisen een stevig vermogen en een degelijke reputatie had opgebouwd, en bovendien prat ging op een Magyaarse, ja zelfs Romeinse filiatie.

Vader Heinrich von Wiersbitzki [°1766 - † maart 1822 (of 1823)], majoor op rust en postdirecteur, was gehuwd met Cath. Wilh. Sophie Mandel (1786-1851), tante van de beeldhouwer Ed. Mandel – gaat het hier om Johann August Eduard Mandel (1810-1882), docent aan en later directeur van de Berlijnse Academie?. De voortdurende twisten tussen de ouders leidden uiteindelijk tot een scheiding in 1815; tot die datum groeide de jonge Corvin op in een nogal verwarrende gezinssituatie. Zijn moeder stabiliseerde de zaken echter door in 1817 te hertrouwen met Joh. Bernh. Thiersch, de dichter van het Pruisenlied Ich bin ein Preuße en 'Oberlehrer' aan het domgymnasium van Halberstadt.

 

Door de weerklank van de naam 'Corvin' in legerkringen en dankzij de inspanningen van Corvins moeder en zijn aristocratische familieleden wordt hij in 1824 toegelaten tot de kadettenopleiding te Potsdam, die hij vanaf 1827 verder zet te Berlijn waar hij zonder veel moeite introducties krijgt tot kringen van hogere militairen en ambtenaren. Corvin behaalt de graad van luitenant op 12 augustus 1830, en wordt ingedeeld bij het 36ste infanterieregiment te Mainz; hij staat er bekend als een levenslustige en lichtzinnige kerel temidden de vrijgezellen garnizoensofficieren. De militaire loopbaan, die hem zonder meer was opgedrongen, ging hem stilaan meer en meer tegensteken: enerzijds door zijn omgang met regimentskameraden als de dichter Fr. von Sallet en de latere publicist F.W.A. Held – we zullen deze 'held' verder nog ter sprake brengen, anderzijds door twee omstandigheden die een rustig leventje en toereikende middelen van bestaan in het vooruitzicht stelden. Corvin mocht zich namelijk verheugen in de voortdurende gunsten vanwege kolonel von Meyern-Hohenberg (de uit diplomatische overwegingen trouwe aanhanger van de verjaagde hertog Karl von Braunschweig), en bovendien wilde hij zich zo spoedig mogelijk settelen met zijn verloofde Helene Cardini. In de kleine vesting van Saarlouis, zijn laatste garnizoensplaats, maakt hij dankbaar gebruik van zijn virtuoze zwembehendigheid. Hij organiseert er de zwemoefeningen van het garnizoen en treedt op als instructeur van allerlei water- en duiksportspelletjes. Deze nautische onderlegdheid resulteerde in 1835 in de publikatie van Kurzgefaßte und gründliche Anweisung zur Erlernung der Schwimmkunst (18423), de eerste handleiding in het vak die blijkens het hoge aantal intekeningen zeer snel een enorm succes kende.

 

Nog in hetzelfde jaar mei 1835 neemt Corvin definitief ontslag uit het leger, en vestigt hij zich als onafhankelijk schrijver. De tussen 1835 en 1837 gepubliceerde novellen en drama's leverden echter voorlopig weinig succes en inkomsten op. Hij houdt het dan maar voorlopig bij de watersport, en zal in 1842 te Leipzig de eerste serieuze Duitse zweminrichting stichten.

Pogingen van Baron von Meyern-Hohenberg om hem vast te verbinden aan de diplomatieke diensten van de prinsen Ferdinand en Albert aan het hof te Gotha mislukken; ook bij zijn moeder en stiefvader vindt hij geen steun meer. In 1837 verlegt Corvin zijn actieterrein naar Frankfurt a.M. waar hij uitpakt met twee uiterst gedurfde projecten: de oprichting namelijk van Der Jäger. Allgemeine Jagdzeitung für Deutschland zur Unterhaltung und Belehrung für Jagdliebhaber und Naturfreunde (1838-1842), het eerste Duitse jagerstijdschrift, en van het eerste Duitse maandblad voor hippologen en -fielen Der Marstall. Journal zur Unterhaltung und Belehrung für Pferdebesitzer und Pferdeliebhaber (1839-1842). Zwemmen, jacht en paardesport: blijkbaar een makkie voor deze sportieve en ondernemende Proteus, die er op de koop toe in slaagde daar 'onderhoudende' en 'instructieve' afleveringen over vol te pennen (of te laten pennen). Waarschijnlijk hebben al deze activiteiten zijn matrimoniale plannen tijdelijk op de achtergrond geschoven, want pas op 28 september 1839 stapt hij te Frankfurt a.M. in het huwelijksbootje met Helene Cardini, de vrouw die heel zijn onvoorspelbare en vaak stormachtige leven lang een onverzettelijke steun zal blijven. Het jonge paar verhuist in de lente van 1840 naar Leipzig. Corvin redigeert er de Sporting-Almanach für 1844 en het Taschenbuch für Jäger und Naturfreunde für 1845/46.

 

Belangrijker is het feit dat hij te Leipzig in nauw contact komt met de 'Leipziger Literatenverein', een groepering van duistere plannen smedende schrijvers en beruchte publicisten van democratische, linksliberale en antiklerikale signatuur, die een privé-oorlog voeren tegen politie en bureaucratie. Het is me niet helemaal duidelijk geworden of de 'Literatenverein' reeds bestond dan wel of ze andermaal (wat me niks zou verbazen) een creatie was van Corvin zelf, die alleszins de spil was van een eigen 'Tafelrunde' die veertien leden telde. In ieder geval hebben onder meer volgende auteurs op z'n minst Corvins pad gekruist of vriendschappelijke relaties met hem onderhouden:

 

◊ Friedrich Gerstäcker (1816-1872), niet toevallig zoals Corvin een eeuwige zwerver en wereldreiziger, en auteur van reisjournaals en avonturenverhalen, bijv. Fahrten und Schicksale (datum?) en het nog steeds populaire Flußpiraten des Mississippi (1848);

◊ Heinrich Laube (1806-1884), slachtoffer van de censuur, lid van het Frankfortse Parlement in het historische jaar 1848, auteur van o.m. de roman Das junge Europa (1833-1837), later directeur van het Hofburgtheater te Wenen dat door zijn bezieling internationale vermaardheid verwierf; als één van de kernfiguren van 'Das Junge Deutschland' werd hij door de criticus Bacherer ooit een "erotisch raffinierter Demagoge" genoemd;

◊ Adolf Glassbrenner (1810-1876), actief revolutionair in 1848, auteur van o.m. politico-satrische poëzie en Neuer Reineke Fuchs, een epos in verzen (1846); en ten slotte

◊ Georg Herwegh (1817-1875) en Heinrich Hoffmann von Fallersleben (1798-1874), die beiden met hun politiek geïnspireerde lyriek een vooraanstaande rol speelden in de bredere invloedssfeer van 'Das Junge Deutschland'; Herwegh schreef o.m. het bondslied van de 'Allgemeine Deutsche Arbeitersverein' terwijl Hoffmann, auteur van o.a. de 'Nationalhymne' Deutschland, Deutschland über alles, vanwege zijn politieke liederen zijn professoraat verloor.

 

Het is alleszins duidelijk dat Corvin in de openbaarheid verschijnt op het ogenblik dat in Duitsland literatuur en politiek, esthetiek en sociale actie hand in hand gaan. 'Das Junge Deutschland', een schrijversalliantie waarvan Heine deel uitmaakte, is nu toonaangevend en propageert een republikeins, liberaal, volksemancipatorisch en antiklerikaal ideeëngoed. De journalistieke aanpak (het feuilleton, het pamflet) blijkt in deze periode het geliefkoosde wapen gezien de directheid, de snelheid en de betrokkenheid ervan bij de actualiteit. Ook op dit vlak zal Corvin een onwaarschijnlijk indrukwekkende bijdrage leveren.

 

Een tijd lang werd Corvin door de censuur met rust gelaten, zelfs na publikatie van werken met een revolutionair-reformistische tendens. Ik vermeld in dit verband volgende drie titels:


    Kurzer Abriß der Geschichte der Niederlande bis auf Philipp II (1841);

Der niederländische Freiheitskrieg, nach den besten Quellen bearbeitet (1841-1842, twee delen. Duitse versie 1846; ik veronderstel dus dat de editie van 41-42 in het Nederlands verscheen; Corvin sprak immers vloeiend Engels, Frans, Italiaans en Nederlands, en had een grondige kennis van het Latijn. Het volledige werk, dat zes delen omvatte, verscheen trouwens tussen 1847 en 1849 uitsluitend in het Nederlands te Amsterdam, waar Corvin "de geleerde Wiersbitzki" werd genoemd);

◊ ten slotte Historische Denkmale des christlichen Fanatismus (1845, twee delen). Men lette op de bepaling 'christlich' in deze titel, die in 1868 zal veranderen; hierover later meer. Het werk werd geschreven naar aanleiding van de tentoonstelling te Trier in 1844 van de Heilige Rok, en van het eerste optreden te Leipzig van Johannes Ronge, een uit zijn ambt ontzet priester en vader van de 'Deutschkatholische Kirche' (of 'Deutschkatholizismus'), een soort moderne ketterse beweging die o.m. het kerkelijke leergezag, het pauselijke primaat en het celibaat verwierp.

 

Corvin kreeg echter wél gedonder met de censoren na het opstarten, samen met zijn oude regimentskameraad F.W.A. Held (le voilà enfin) van het eerste goedkope politieke volksblad Die Locomotive (data?) dat in een mum van tijd 15.000 abonnees telde en spoedig verboden werd. Corvin en Held zetten zich dan maar gezamenlijk aan de redactie van de Illustrierte Weltgeschichte für das Volk (1844-1851, vier delen) dat door de geslaagde volkse toon en de illustraties na enkele jaren oplagen van duizenden exemplaren haalde; een tweede geactualiseerde druk verscheen in acht (!) grootoctavo delen tussen 1880 en 1883.

Het is merkwaardig dat Corvin precies in deze periode ook breekt met Karl von Braunschweig en Baron von Meyern, voor wie hij overigens het anoniem gepubliceerde werk Herzog Carl und die Revolution in Braunschweig (1843) had geredigeerd en van een voorwoord voorzien. Corvin verbrak deze relaties omdat hij, zo wordt althans gezegd, uit die hoek geen blijvend voordeel meer verwachtte. Of deed hij het uit politieke overtuiging?

 

In 1846 gaat Corvin op zoek naar een degelijk en goedkoop procédé voor de illustraties van zijn historische encyclopedie. Hij stoot daarbij op de glyfografie, een methode om galvano's (soort cliché op koperplaat) voor boekdruk te vervaardigen, die erg op houtsneden lijken. Deze techniek was nota bene precies in dat jaar ontdekt, min of meer gelijktijdig te Londen door Palmer en te Leipzig door Volkmar Ahner. Corvin beschikte blijkbaar over àlle talenten: hij perfectioneerde zelf de methode en richtte bovendien een soort werkplaats-labo op voor het onderzoek en de toepassing ervan. En daarmee is de kous nog niet af. Hij ontwikkelde namelijk zelf een techniek om op galvanoplastische wijze goud, zilver, parelmoer, schildpad en andere stoffen in graveerbare metaalplaten in te leggen. Corvin verkocht het patent van deze techniek waaraan hij tijdens zijn latere gevangenschap nog verbeteringen aanbracht, en die in de grafische nijverheid bekend staat als 'corviniello', in 1876 wegens geldzorgen aan een firma te Krefeld.

 

Maar we lopen vooruit. Laten we dus terugkeren naar de herfst van 1847. We ontmoeten Corvin nu te Parijs waar hij poogt de successen van zijn 'galvanoplastisch instituut' economisch rendabel te maken. Reeds op de eerste dag van de februari-revolte van 1848 staat de duivel-doet-al mee op de Parijse barricaden. Hij sluit zich tevens aan bij de 'Deutsche demokratische Gesellschaft' (die hoofdzakelijk geleid werd door Herwegh) en probeert de Duitse republikeinse beweging aan te wakkeren, daarbij financieel en materieel gesteund door de voorlopige Parijse regering (7000 francs plus 200 geweren). Een aanbod van 5 à 6000 man als kern voor een Nationaal Leger van het Duitse parlement wordt echter door Frankfortse democraten bars afgewezen. Corvin stort zich dan in een onomkeerbaar avontuur: hij gaat zélf tot actie over. Als 'Chef des Generalstabs' marcheert hij in april 1848 met een 800 man sterk Duits legioen met vooral geëmigreerde werkloze arbeiders en ambachtslieden van Parijs naar Straatsburg en valt de Breisgau binnen om er de vrijkorpsen van Hecker en Struve te versterken. Het leger(tje) wordt echter op 28 april door Wurtembergse 'Liniensoldaten' volledig uit mekaar geslagen. Over deze onzalige onderneming bracht Corvin verslag uit in Die erste Expedition der deutschen republikanischen Legion (1849). Een vermomming stelt hem in staat na het débâcle te vluchten naar de leiders van de opstand, in Zwitserland. Daarna is hij voorzitter van het democratische 'Unterstützungs-Comité' te Straatsburg, waar hij wordt uitgewezen, en op 15 oktober 1848 vinden we hem terug in Berlijn temidden een revolutie waarvan als belangrijkste aanstoker Corvins compagnon Held (toujours lui) fungeerde. Corvin werkt opnieuw mee aan de nog niet voltooide Weltgeschichte en aan Helds Volksblatt, vertegenwoordigt op het Berlijnse 'Demokraten-Congress' de Badense vluchtelingen en treedt toe tot de 'Bürgerwehr' en het 'Sozial-Verein', wat uiteindelijk allemaal leidt tot zijn expulsie in mei 1849.

Corvin investeert zijn energie onmiddellijk in de Badens-Paltische republikeinse opstand, hoewel hij van bij de aanvang het gebrek aan planning en de uitzichtloosheid van de insurrectie doorzag, en bovendien zélf als een vrij onbetrouwbare figuur overkwam bij de leiders ervan. De totale catastrofe voltrekt zich op 30 juni 1849. Te Rastatt omsingelt een Pruisische overmacht zijn manschappen, zodat hij tot capitulatie gedwongen wordt op 22 (of 23?) juli 1849; op 15 september veroordeelt men hem, zoals alle officieren van de 'Bürgerwehr', tot de dood met de kogel. Gezien zijn Leipzigs burgerschap en de niet-eenparigheid van de verdicten wordt hij op 20 september begenadigd tot 10 jaar tuchthuis, een straf die hij een tweede keer gemilderd ziet tot zes jaar eenzame opsluiting dankzij de inspanningen van zijn echtgenote, een uitstekende verdediging en gebrek aan bewijsmateriaal. Deze genadeverlening en strafmildering maakten Corvin bij zijn kameraden verdacht als verraderlijk uitleveraar van Rastatt – ten onrechte overigens.

De gevangenisjaren brengt hij door met schrijven, lezen, schilderen. Vluchtpogingen mislukken, genadeverzoeken worden niet ingewilligd.

 

Op 2 oktober 1855 wordt hij ontslagen uit de gevangenis van Bruchsal. Corvin constateert dat hij overal ongewenst is, fysiek en materieel (maar geestelijk geenszins) zit hij aan de grond, en bovendien kan hij zijn gevangeniservaringen en andere memoires wegens hun scherpte niet kwijt aan bladen en tijdschriften. Vanaf nu tot aan zijn dood volgt een periode van free-lance journalistiek in opdracht van Engelse, Amerikaanse en Duitse bladen. De avonturen volgen elkaar snel op, en brengen hem aan beide zijden van de Oceaan. Na het ontslag uit de gevangenis reist hij via Amsterdam naar Londen, waar hij Duits onderwijst en meewerkt aan Charles Dickens' bladen Household Words (1850-1859) en All the year round (1859-1870), periodieken waarin naast literaire verhalen en schetsen ook bijdragen over bijvoorbeeld sociale vraagstukken werden opgenomen.

 

Om over de uitgave van zijn nu voltooide levensherinneringen te onderhandelen reist hij in december 1857 naar Hamburg, maar de politiepesterijen, ook ten aanzien van zijn vrouw, zijn van die aard dat hij reeds in het voorjaar 1858 terug naar Londen vertrekt. Zijn echtgenote komt er aan de kost als 'finishing governess' (verantwoordelijk voor de eindfase van de opvoeding), terwijl hijzelf werkt voor Dickens en bijdragen levert voor Cotta's Morgenblatt, voor Hackländer en Höfers Hausblätter en voor Gartenlaube. Zijn Erinnerungen eines Volkskämpfers (of is het Erinnerungen aus meinem Leben?) verschijnen uiteindelijk toch in 1861 in drie delen te Amsterdam (heruitgave in Duitsland in 1923-1924 in twee delen met biografische inleiding door H. Wendell). Op 10 september 1861 reist hij als bijzondere correspondent voor de Augsburgse Allgemeine Zeitung en als vertegenwoordiger van de Londense Times naar de (nog niet helemaal) Verenigde Staten van Amerika om er de burgeroorlog (april 1861 april 1865) te verslaan, maar wordt er meteen óók als officier geattacheerd aan het oorlogsministerie, daarna aan de schatkist van de Union (noordelijke staten). Blijkbaar heeft deze ouwe ijzeren papenvreter zich na 1835 nooit meer kunnen losmaken van zijn heimwee naar het uniform en het krijgsgewoel.

Dan gaat het weer Europa-waarts: tijdens de zomer van 1867 reist hij als Duitslandcorrespondent van de New York Times naar Berlijn, waar hij contacten onderhoudt met belangrijke figuren uit de politieke en literaire wereld, en zich opnieuw aan het schrijven zet.

 

Merkwaardig is ook (nu ja, bij Corvin is gewoon àlles merkwaardig) zijn verblijf, samen met zijn echtgenote, vanaf mei 1868 te Rorschach aan de Bodensee in de residentie van prins Felix von Salm-Salm (1828-1870), een Duitse generaal die eveneens in Amerika verbleven had en eerste vleugeladjudant en hofmaarschalk was geweest van Maximiliaan I van Mexico. Corvin ontwerpt respectievelijk redigeert, publiceert en vertaalt in het Engels de memoires en dagboeken van beide nobele echtelieden, levensherinneringen die in de geschiedenis niet onopgemerkt voorbij zijn gegaan. Het werk van de Prins kreeg de titel Queretaro. Blätter aus meinem Tagebuche in Mexico [1868 (of 1869?), Engelse uitgave The diary of Prince Salm-Salm, 1869]; dat van de prinses geboren Agnes Le Clerq, dochter van een Amerikaans officier en sleutelfiguur in Mexico, staat bekend als Zehn Jahre aus meinem Leben 1862-1872 (1875, drie delen; Engelse uitgave Ten years of my life, 1875). Bovendien vertaalde Corvin onder de titel Maximilian I. Emperor of Mexico. Recollections of my life (1868) de oorspronkelijk in het Duits verschenen (1867) memoires van de Mexicaanse keizer. Hoe en wanneer Corvin dat allemaal klaarspeelde is mij gewoon een raadsel.

 

In de periode tussen de herfst van 1869 en de zomer van 1870 onderneemt hij (zaken) reizen naar Stuttgart, Londen en Berlijn, onmiddellijk daarna verslaat hij, in opdracht van Amerikaanse, Engelse, Duitse en Oostenrijkse kranten de Frans-Duitse oorlog (1870-1871). Zijn oorlogservaringen vinden hun neerslag in o.m. In France with the Germans (1872, twee delen). Eén bron maakt zelfs gewag van een toevallige ontmoeting te Versailles tussen Corvin en kanselier graaf von Bismarck, die hem luchtigjes zou hebben toevertrouwd: "Wie das Schicksal die Dinge fügt: dieselben Gesinnungen haben Sie ins Gefängnis geführt und mich auf den Platz, auf welchem ich stehe".

Men kan zich terecht afvragen waarom men in Corvins primaire bibliografie niet één afzonderlijke titel terugvindt over de Parijse Commune (maart-mei 1871). Maar goed, de nu bijna zestigjarige Corvin is nog steeds even onverwoestbaar: met niet aflatende energie onderneemt hij in 1871 nog reizen naar Londen, Frankfurt, Rorschach en Berlijn; in 1873 vertegenwoordigt hij de North [ern?] Pacific spoorwegmaatschappij op de wereldtentoonstelling te Wenen.

 

We schrijven oktober 1877. Het echtpaar Corvin verhuist naar Leipzig waar 


Graf te Wiesbaden
hij medeoprichter wordt, in 1878, van de auteursvereniging 'Symposion' die aan de basis ligt van de 'Allgemeine Deutsche Schriftstellerverband', en waar hij vriendschappelijke contacten onderhoudt met een aantal figuren uit de literaire wereld. Eveneens te Leipzig (de Corvins waren ondertussen wel opnieuw verhuisd, ditmaal naar Thüringen) organiseren de 'Deutsche Freisinnige Partei' en 'Symposion' op 12 oktober 1885 de viering van zijn 50-jarig schrijversjubileum. Nauwelijks drie dagen na de huldiging begint zijn gezondheid plots snel af te takelen, zodat hij gedwongen wordt te verhuizen naar het klimatologisch mildere Wiesbaden. Daar overlijdt hij op 1 (of 2?) maart 1886 aan "Unterleibszehrung, die Frucht mehrjährigen Darmkatarrhs". Als er nu toevallig een Duitse arts in de zaal zit, wil ik wel eens graag vernemen wat die diagnose precies betekent: een darminfectie, darmkanker, of nog iets anders?

 

Spiegels van het rijke roomse leven

 

Corvin publiceerde dus in 1845 zijn Historische Denkmale des christlichen Fanatismus (twee delen), dat in 1868 de definitieve titel en ondertitel Pfaffenspiegel. Historische Denkmale des Fanatismus in der römischkatholischen Kirche meekreeg. De vierde druk (1870) werd in beslag genomen wegens aanstoot gevende illustraties, en voor de vijfde (juli 1885) schreef Corvin zijn laatste 'Voorrede'. Hij maakte nog de inbeslagneming mee van deze editie, maar niet het einde van het proces dat tegen hem, de uitgever en het boek zelf was aangespannen.

Na Corvins dood verschenen nog volgende drukken: 1889, 1890, in 1934 de 43ste, herziene, zogenaamde 'Rudelstädter Ausgabe' met een biografische inleiding van F. von Bodenstedt. Zeer toevallig kreeg ik onlangs een recente uitgave in handen (Carl Stephenson Verlag, Flensburg 1979) die, begrijpe wie het kan, een foutieve ondertitel meekreeg, namelijk de titel van de eerste uitgave uit 1845. Er wordt blijkbaar duchtig op los geknoeid met zulke oude uitgaven, en niet alleen in Duitsland zoals later zal blijken. Nochtans dacht ik dat de wijziging van 'christlich' in 'römisch-katholisch' niet helemaal onbelangrijk is.

Wat de externe geschiedenis van het boek betreft vermeld ik nog de Franse vertalingen uit 1874 en 1902 onder de titel La prêtraille romaine, en een Italiaanse uit 1902. Vermeldenswaard is ook het feit dat de Pfaffenspiegel in het Nazi-tijdperk genade vond als schotschrift tegen de Kerk (uitgave te Lübeck 1940), terwijl een zekere Wiedemann in Schönere Zukunft 3 (jrg. 1936-37) dan weer blijkt te weten dat het boek geschreven werd "auf Anregung von Juden"; die verdomde Zeitgeist toch.

Corvin heeft echter nog twee andere (minder bekende?) antiklerikale publikaties op zijn actief: ten eerste Die Geissler (1846, 1890, 1891), een panorama van het flagellantisme in én buiten de Kerk en ondertiteld als Ergänzungswerk zum Pfaffenspiegel; tot het begin van de twintigste. eeuw werden van dit vervolg circa 50.000 exemplaren verkocht. Ten tweede Die goldene Legende. Eine Naturgeschichte der Heiligen (1875, 1888, 1889, 1890) waarin Corvin de katholieke legenden, mirakelen en aanverwante tradities en verschijnselen ridiculiseert, of moet ik zeggen 'miraculiseert'?

 

En wat is nu, eindelijk, de Pfaffenspiegel? Niets anders dan een polemische opsomming van alle mogelijke aberraties, wantoestanden, misbruiken, misdaden, uitingen van bijgeloof, groteske situaties en tradities uit de hele (!) geschiedenis van de rooms-katholieke kerk, die min of meer thematisch gegroepeerd zijn rond trefwoorden als "oerchristendom" (en de verloedering ervan), verbazingwekkende "heiligenlevens", "relikwieën en aflatenzwendel", "het pausdom" (veruit het langste en meest gedocumenteerde hoofdstuk), "zedeloosheid bij de vertegenwoordigers van de Kerk" (ofte de lastige consequenties van het celibaat), "het monnikendom" (wrede kloostergebruiken, twijfelachtig celibaat, zucht naar wereldlijke macht via onderwijs en zendelingenwerk), ten slotte het misbruik van "de biechtstoel" (manipulatie van wereldlijke confidenties en alkoofgeheimen). Een lekkere kluif dus. Maar laten we het hoofd toch enigszins koel houden en onze aandacht richten op de intrinsieke, dus historische waarde van dit pamflet. Het werd wel eens een "oberflächliche Geschichtsklitterung" vol "Böswilligkeit" genoemd, elders heet het "ein unkritisches, historisch wertloses Plagiat aus kirchenfeindlichen Hetzschriften". Dat is zonder twijfel voor een groot deel waar, althans wat de bepalingen "oppervlakkig" en "onkritisch" betreft; daarom is het echter nog niet historisch waardeloos. We hebben in ieder geval in de vorige bladzijden in vogelvlucht kunnen zien hoe dilettantisch Corvin te werk ging door zich zonder enige moeite van het ene avontuur/onderwerp in/op het andere te gooien, en dit bovendien, zoals blijkt uit de data van de publikaties, met een onvoorstelbare bijna maniakale energie en haast. Het is dus niet zo verwonderlijk dat kritische afstand en zin voor nuancering of preciesheid verloren dreigen te gaan. In volstrekt objectieve, louter informerende bronnen leest men trouwens dat àl zijn werken, inclusief de memoires, als "zu eifrig angefertigte Kompilationen" beschouwd mogen worden. Zijn eigen uitgever, Hermann Wendell, getuigde over Corvin dat hij "als Patentgeschenk des Schicksals wohl mehr Leichtsinn und Selbstgefälligkeit als Tiefe und Gründlichkeit" had meegekregen. Met zulke vaak toch onbevooroordeelde evaluaties dient de moderne lezer, van welke levensovertuiging ook, zonder meer ten minste rekening te houden. Een paar voorbeelden ze zijn lang niet exhaustief van Corvins oppervlakkige aanpak:

 

•  "In het jaar 100 werd Jeruzalem door keizer Titus verwoest", schrijft hij (blz. 17), maar dat gebeurde wel op 8 september 70 n.C., dus negen jaar vóór Titus imperator werd.

•  "Sixtus VI" (1471-1484)" (blz. 51) moet wellicht "Sixtus IV" zijn (als het gewoon een drukfout is, is het lang niet de enige).

•  De tekst bij Constantijns kruis luidt in het Latijn: "In hoc signo vinces": als ik me goed herinner is dat een futurum 2de ps. enk., en niet een praesens 1ste ps. (blz. 41).

•  "Zo lang hij leefde heeft Petrus nooit één voet op Romeins grondgebied gezet", zegt Corvin (blz. 57). Die stelling lijkt me niet zo evident, want in de eerste de beste bron lees ik toevallig: "The evidence that St. Peter was at Rome is strong though not conclusive". Mijn bron is natuurlijk ook maar waard wat ze waard is, maar ze klinkt ten minste heel wat genuanceerder.

•   Volgens Corvin (blz. 57) was Petrus een volslagen onbetrouwbaar heerschap. Best mogelijk. Maar als argument haalt hij het feit aan dat Christus zelf hem ooit "Satan" noemde. Dat is juist: men leze Matt. 16,23 maar dan wel met inachtneming van de context.

•   Eén van de pronkstukken is echter de passage waar Corvin drie bladzijden lang de fraaie historie van pausin Johanna, alias Johannes VIII, uit de doeken doet zonder enige scepsis omtrent de historische juistheid en met vermelding van enkele bronnen die zijn verhaal bevestigen. Alleen kent hij helaas niet volgende auteurs, die ironisch genoeg zélf aan de basis liggen van het geloof in deze niet zo vrome legende: primo, de Franse dominicaan Etienne de Bourbon (+ circa 1261), inquisiteur in Zuid-Frankrijk, verdienstelijk verdelger van de Albigenzen; secundo, een confrater-kroniekschrijver, Jean de Mailly (circa 1250), bij wie men de oudste bekende vermelding van Johanna vindt; tertio, Martinus van Polen, of 'van Bohemen', of 'van Troppau' (° circa 1210 + 1278), alweer een dominicaner chroniqueur in wiens Latijnse Kroniek der pausen de 'geschiedenis' van Johanna haar definitieve vorm kreeg, waarna ze tussen de 13de en de 17de eeuw door talloze ijverige auteurs klakkeloos werd overgenomen en de wereld ingestuurd. Eén van de eerste sceptici in verband met deze affaire zou onze eigen Jacob van Maerlant zijn geweest, maar die hoefde Corvin voor mijn part niet te kennen. Wél had hij de werken kunnen raadplegen van de Franse calvinist David Blondel (één uit 1647 en één uit 1657), zowat de eerste echte refutatio's, en vooral het boek van zijn eigen tijd- en landgenoot Johann Dollinger, Papstfabeln des Mittelalters (1863), waarin de Johanna-legende definitief wordt ontkracht. Zie o.m. ook dr. F.X. Seppelt en dr. K. Löffler, De geschiedenis der pausen (Maastricht, Leiter-Nypels, 1939), die op blz. 138 de figuur en het pontificaat van Johanna eveneens een "verzinsel" noemen.

 

Anderzijds is het natuurlijk ook zo dat er nooit rook is zonder vuur. "De beruchte geschiedenis van de jezuïet Girard en juffrouw Cadière" (blz. 166) blijkt op waarheid te berusten; de weinig fraaie handel en wandel van talrijke renaissance-pausen is vandaag de dag ongetwijfeld bij iedereen bekend, en de onvoorstelbare acrobatieën van Simeon de Styliet (blz. 26) kloppen eveneens, om maar iets te noemen uit het ongetwijfeld talrijke, betrouwbare materiaal.

 

Anders gezegd: omdat ik, zeker binnen de grenzen van dit opstel, (zo) objectief (mogelijk) wil zijn, interesseert de vraag of Corvin al dan niet gelijk had mij uitsluitend als een historisch-wetenschappelijk probleem. Indien de diverse anekdotes over rotzooi binnen de Vaticaanse muren bijvoorbeeld juist blijken te zijn, dan moet iedereen daar maar mee leren leven. Ik ben er trouwens van overtuigd dat zulks voor moderne gelovigen in de context van de jaren tachtig niet zo veel problemen meer oplevert, en dat die historische waarheden niet langer worden weggemoffeld, laat staan ontkend. Ik heb dus zeker geen zin in 'welles-nietes'-discussies in het luchtledige, en laat de vraag naar de historische juistheid verder graag over aan historici of goed gedocumenteerde lezers, die kunnen dan makkelijk zelf een oordeel formuleren. Wel heb ik door steekproeven en enige research kunnen vaststellen dat Corvin niet altijd een even betrouwbare gids blijkt te zijn in de geheime archiefkamers van het Vaticaan. C'est tout. Ik wil dus maar zeggen: lezers die dit boek zouden opvatten ofwel als een dodelijke aanval tegen hun diepste en oprechtste geloofsovertuiging, ofwel als hét onomstootbare bewijs voor de ongeldigheid van het christelijk geloof, die beide categorieën van lezers doen er goed aan eerst zorgvuldig hun huiswerk te maken, het liefst in het klad. Bovendien moeten ze beseffen dat de Papenspiegel niet gericht is tegen het geloof, wel tegen macht en corruptie binnen een instelling. Corvin zelf aan het woord: "Tot slot wil ik onderstrepen dat ik niets heb tegen Jezus Christus en de leer die hij predikte, integendeel. Wel moet het mij van het hart, dat er onder Jezus' discipelen steeds rare snuiters geweest zijn, en dat dit er in de loop der tijden niet op verbeterd is" (blz. 173).

Ook uit het hoofdstuk over het oerchristendom (blz. 15 e.v.) en uit bepaalde commentaren of biografieën treedt Corvin naar voren als een uiteindelijk gelovig man, wat minder tegenstrijdig is dan op het eerste gezicht wel lijkt. Hij zag de leer van Christus en de jawel! "revolutionaire, republikeinse manier van leven" (blz. 19) van de eerste christenen als voorafspiegelingen van de idealen van de Franse revolutie, als voorboden van de liberaal-burgerlijke vrijheidsgedachten van zijn eigen tijd.

Gelijkheid, broederlijkheid, soberheid en tolerantie: dat zijn telkens weer de fundamenteel-christelijke én revolutionaire waarden die hij het hele boek door beklemtoont, en waarvan hij meent dat ze door het instituut 'Kerk' verkracht worden. Corvin vindt deze waarden wél terug in de levenswandel van welgeteld één paus, Clemens XIV (1769-1774), niet toevallig de opheffer van de jezuïetenorde, en wijdt aan hem dan ook een tweetal bladzijden waarin hij zijn bewondering en respect voor deze pontifex niet onder koorstoelen of kerkbanken steekt (blz. 104-105). Het is er mij dus enkel om te doen te beletten dat men uit het boek niet-objectieve of voorbarige conclusies zou trekken, of dat men aan het boek intenties zou toeschrijven die het niet koestert. Al de rest doet hier niet ter zake.

 

Arseen van Hove, die de veel te magere inleiding van het boek verzorgde (blz. 5-6), stelt op het einde ervan dat de Papenspiegel hem nog altijd actueel lijkt. Ik twijfel daar geen seconde aan. Niet alleen roept de tekst boeiende historische vragen op, je kan ook een link gaan leggen tussen enerzijds de figuur en het werk van (de blijkbaar gelovige) Corvin, en anderzijds de diverse progressief-liberaliserende tendensen binnen de hedendaagse, rooms-katholieke kerk zélf (bevrijdingstheologie, basisgemeenschappen, priester-arbeiders, christenen voor het socialisme, theologische disputen rond celibaat, christelijk feminisme enzovoort).

 

Helemaal op het einde van het boek lees ik het volgende (het is niet van Corvin afkomstig): "Hoeveel is het hedendaagse pausdom waard, dat op zulke wansmakelijke grondvesten gebouwd is?" Sorry, maar ik vind dit eigenlijk een domme vraag. Hoevele vandaag respectabele instellingen, organisaties, verenigingen, ja zelfs staten zijn in de loop van hun geschiedenis niet geconfronteerd met walgelijke vormen van corruptie, machtsmisbruik, manipulatie e.d.m.? Wat is vandaag de waarde van de USA die de oorspronkelijke Indiaanse cultuur met een ongelofelijke arrogantie hebben platgewalst en het nog ademende restant ervan hebben opgesloten in museum-reservaten terwille van onnozele toeristen? Wat is de socialistisch-marxistische Sovjet-Staat nog waard nà Stalin? Kan je zo maar de hele Islam negeren of veroordelen, omdat het oorlogszuchtig zelotisme van een minderheid van integristen toevallig het meest in de kijker loopt, terwijl je goed beseft dat binnen de Islam over 'Jihad' tegengestelde interpretaties bestaan? Hebben àlle logebroeders uit de geschiedenis de maçonnieke idealen zuiver in praktijk gebracht, en zo neen, moet men de vrijmetselarij dan zonder meer verketteren? Zulke simplismen hoef je niet ernstig te nemen, dacht ik. Het zou wél interessanter zijn de 'waarde' van het huidige pausdom af te leiden uit de reële functie die het vervult, uit zijn (on-?) geloofwaardigheid en (gebrek aan?) gezagskracht ten aanzien van de hedendaagse gelovigen.

 

Laat ik voorlopig afronden met een opmerking over de stijl. De Papenspiegel is in eerste instantie gewoon een heel plezierig boek dat door de scherpe, gebalde stijl, de understatements en de humor een brok vlotte en boeiende lectuur garandeert die zowel tot schaterlachen als tot ergernis aanleiding geeft. De bewering dat Corvin een 'vitrioolstijl' zou hanteren wil ik toch enigszins relativeren. Mijns inziens is zijn pen niet verbitterd, haatdragend of boosaardig. Vanuit zijn zin voor rechtvaardigheid en sociale bewogenheid is Corvin gewoon heilig overtuigd van zijn vanzelfsprekend gelijk, en hij noteert tegelijk geamuseerd én verontwaardigd gebeurtenissen waarvan hij blijkbaar zélf na al die jaren nog paf staat.

 

Een slordige, slordige poetsbeurt

 

Heb ik in het voorgaande gewoon een aantal dingen willen relativeren, dan wordt het nu toch stilaan tijd om enkele bezwaren en aanmerkingen te formuleren bij de Nederlandse uitgave als zodanig.

 

Het kaft getuigt mijns inziens niet direct van goede smaak (maar ja, de gustibus etcetera), en daar bedoel ik niet zozeer de tekening (tussen haakjes: waar komt die vandaan? Van Corvin zélf?) als wel de tekstschikking mee. Ook de combinatie van de lettertypes vind ik op zijn minst nogal vreemd: ik meen dat het gaat om een Capitalis Rustica (titel) en een Bastarda (ondertitel); als het dan toch per se exotisch moest, waarom niet alles in Fraktur, Corvins eigen lettertype? En alweer tussen haakjes: Corvins tweede familienaam wordt op het einde wel met een 'z' gespeld. Waar komt ook die onzinnige, dubbele ondertitel vandaan? In geen enkele literatuurlijst heb ik die zó vermeld gezien. Een commercieel bedoeld stootje van de uitgever? Corvins eigen titels lijken me anders duidelijk genoeg.

 

Een zekere Arseen van Hove is dus, zoals reeds gezegd, verantwoordelijk voor de inleiding die ik toch al te bondig vind. Een vergeten en bovendien nogal moeilijk naspeurbaar figuur als Corvin kon iets meer introductie best gebruiken. Als enkele paginaatjes meer nu echt niet haalbaar waren, dan zou een beknopt literatuurlijstje niet misstaan hebben om de lezer toch enigszins te oriënteren. Alweer tussen haakjes: het jaartal "1848" (blz: 5, regel 26, en zelfs in Corvins eigen tekst op blz. 11, regel 2) moet wellicht als "1868" gelezen worden?

 

Op blz. 7 volgt dan een kort bericht van de uitgever. Welke uitgever eigenlijk? Hermann Wendell bijvoorbeeld, of één van de latere Duitse uitgevers zodat het dus om een vertaling zou gaan? Of is dit een 'woordje vooraf' van de Vlaamse uitgever anno 1986? Ik lees in dat voorberichtje: "Dit boek werd gemaakt aan de hand van de allerlaatste bewerking van de auteur." Van wanneer dateert die bewerking dan wel? Bedoelt men de vijfde editie van juli 1885 (zie hoger), de laatste die Corvin in boekvorm gezien heeft? Maar Corvins eigen "Voorrede" (blz. 11-13) is dan weer gedateerd "januari 1886", dus ten hoogste twee maanden vóór zijn dood! Anderzijds kan je uit twee passages in Corvins tekst afleiden dat de brontekst zou dateren van... 1869 (zie blz. 109 onderaan, en blz. 129 derde alinea). Van knoeiwerk gesproken. Of hebben onze Vlaamse tekstverzorgers misschien een manuscript ontdekt, of een boekuitgave door Corvin in handschrift gecorrigeerd en herwerkt en gebeurde die ontdekking misschien in het British Museum te Londen? Betreffende deze "laatste bewerking van de auteur" wordt nog de vraag. gesteld: "Is die wel ooit tevoren uitgegeven?" Hoezo? Dat kan toch. onderzocht worden? En pleit zo'n vraag niet eveneens voor de manuscript-hypothese? Uiteindelijk blijf ik met de onopgeloste vraag rondlopen waarom Corvin in godsnaam in januari 1886 reeds aan een herwerking van de Papenspiegel begonnen zou zijn terwijl het proces tegen de vorige uitgave nog aan de gang was, zoals we vroeger hebben gezien. Ik kom er niet uit.

Waarom gaat deze Vlaamse uitgave op zo'n weerzinwekkend slordige manier voorbij aan een aantal problemen die haast vanzelf opduiken als men de zaken van iets dichterbij bekijkt? Ik interpreteer dit als een schandelijk gebrek aan eerbied voor het boek, de auteur, en uiteindelijk ook de lezer.

 

Blijft ook dit prangende probleem: wie heeft eigenlijk het boek vertaald? Je hebt er het raden naar. Arseen van Hove, de uitgever, de typograaf of misschien Corvin zelf in een verloren moment vóór maart 1886? De vertaling zelf heb ik niet kunnen controleren; nogal wiedes als je niet eens precies kunt achterhalen welke de brontekst is, en die heb je nodig wegens Corvins systematische bewerkingen. Toch dit: wat is een "walgend werk" (blz. 12)? Waarschijnlijk een "walgelijk".

Het motto bij het eerste hoofdstuk vond ik makkelijk terug in de Flensburgse uitgave van 1979 (blz. 19), ik citeer: "Hüte dich... vor dem Vorderteil des Weibes... und vor allen Seiten eines Pfaffen"; "weibes" wordt in het Nederlands "van de hoer" (toe nou, vertaler?), "eines Pfaffen" wordt "van de monnik". Sorry jongens, wij hebben voor "Pfaffe" de smeuige woorden "paap" en "japneus", of desnoods gewoon "priester", maar dan zonder alle mogelijke connotaties.

 

Hier en daar vind je onderaan bepaalde bladzijden voetnoten. Je moet opnieuw zelf maar ruiken wie daar verantwoordelijk voor is. Ik heb een heel sterk vermoeden dat ze niet van Corvin zijn, hoewel de noot op blz. 151 dan toch weer zijn pen lijkt te verraden. Komen de andere aantekeningen uit één of andere Duitse editie van nà 1886, van de Vlaamse uitgever, de vertaler? Bij de noot op blz. 52 wordt vermeld: "Nota van de heer Arseen van Hove historicus". Nog afgezien van het feit dat het niet om een "nota" maar om een "notitie" gaat, breekt hier mijn klompje helemaal. Was "de Heer", daar nemen we nota van, Arseen van Hove dan adviseur van dienst, en niet alleen inleider of vertaler (zoals ik stiekem de hele tijd veronderstelde)? Deze voetnoten zijn overigens totaal ontoereikend en volslagen willekeurig aangebracht. Waarom niet een korte verklaring bij de plezierige Romeinse figuur Pasquino, aan wie we het Nederlandse woord ‘paskwil’ te danken hebben; waarom niks bij de Brugse franciscaan Cornelis Adriaensen (1521-1581) wiens activiteiten op zich al onwaarschijnlijk genoeg zijn, en die bovendien, mede door zijn beruchte donderpredikaties, uitgroeide tot hoofdfiguur van een volksboek uit 1592?

 

Ik ga hier maar vlugjes voorbij aan de irriterende spel- en drukfouten: "Cisteriënkloosters" (blz. 34), "naar verluid" (blz. 76), "raden" (dat niet het meervoud is van "rad", blz. 100), "qaudeamus" (blz. 133). Het valt op dat die fouten vooral voorkomen in eigennamen of Latijnse woorden en citaten, zodat ik stilaan de indruk krijg dat men de tekstverzorging beter had overgelaten aan een competenter persoon. Jammer eigenlijk, want globaal gezien is de vertaling gesteld in een zeer vlot, pittig, eigentijds Nederlands.

 

Finis

 

Ik maak er een einde aan. Conclusies?

Primo: de Papenspiegel is een plezierig, boeiend, lezenswaardig werk dat met enige voorzichtigheid gehanteerd dient te worden als men het inderdaad als spiegel wenst te gebruiken.

Secundo: Corvin, eminent voorbeeld van de schrijver-avonturier, wetenschapper bij Gods (nu ja...) genade en literair dilettant bij uitstek blijkt een uiterst merkwaardige figuur, die ontzettend sterk reageerde op de stroomversnellingen van zijn eeuw en uiteindelijk het slachtoffer werd van zijn eigen dynamisme. Wat herinnert men zich vandaag van zijn tientallen boekdelen, talloze tijdschriftpagina's en krantekolommen, de vertalingen? Zijn drang om altijd op de frontlijn te staan als deelnemer of toeschouwer, om het even, is er de oorzaak van dat zijn stem uiteindelijk verloren ging in het rumoer. Of nog anders: Corvin werd blijkbaar zo sterk gedreven door de ambitie om de geschiedenis te maken dat hij ten slotte door die Geschiedenis werd opgeslokt. Misschien trotseert zijn Pfaffenspiegel toch de tijd?

Tertio: Otto Julius Bernhard von Corvin Wiersbitzki verdiende heel wat beter dan dit amateuristisch filologisch redactioneel en vertalend geklungel.

 

Luc PAY

 

📌 Corvin Wiersbitski [sic], De Papenspiegel. Het masker afgerukt. Het ware gelaat van de rooms-katholieke KerkLibertas uitgeverij (Kritak vertegenw.), Leuven, 1986, 173 p.

 

 

BRONNEN

 

Mijn dank vooreerst aan Frank Van Beeck voor het bezorgen van zijn Flensburgse uitgave van de Pfaffenspiegel, en voor de informatie over Charles Dickens.

 

Wat de onderstaande literatuurlijst betreft, zal het de lezer opvallen dat het gaat om algemene, biografische of encyclopedische naslagwerken. De op die manier vergaarde gegevens zijn zeker niet tegenstrijdig, alleen op het gebied van publikatiedata of titels van Corvins werken soms verwarrend of onvolledig. Correcties of aanvullingen worden in dank aanvaard.

 

A. Corvin, bio-bibliografisch:

 

• Ludwig Fränkel, in Allgemeine deutsche Biographie (Bd. 47), Leipzig, 1903.

• Wilmont Haacke, in Neue deutsche Biographie, Berlin, 1957.

• K. Algermissen, in Lexicon für Theologie und Kirche (Bd. 3), Freiburg, 1959.

Brockhaus Enzyklopädie, 1968.

Deutsches Literatur-Lexicon, Bern/München, 1969.

 

B. Achtergrondinformatie (algemeen-historisch):

 

Larousse du XXe siècle, 1928 (ook over Corvin zelf).

• J. Verscheuren en L. Brounts, Modern Woordenboek, 1943.

Encyclopaedia Britannica, 1957.

Winkler Prins Encyclopedie, 1966.

• Lexicon van Westvlaamse schrijvers (deel 2), 1985.

 

C. Achtergrondinformatie (literair-historisch):

 

• W. Grabert und A. Mulot, Geschichte der deutschen Literatur, 1969.

• Fritz Martini, Duitse Letterkunde, 1969.

• Walther Killy (Hrsgb.), Epochen der deutschen Lyrik (Bd. 7 en 8), beide 1970.

• Jost Hermand (Hrsgb.), Das Junge Deutschland, 1972.

• Hermann Pongs, Das kleine Lexicon der Weltliteratur, 1976.

 

[In: Diogenes, jrg. 4 nr. 2, [1987], p.160-176]