Een archeologie van het geheugen: Stijn Tormans (2016)

De zomer van 1976? Het was tijdens die zomer dat ik me na een tamelijk dwingende 'uitnodiging' terugtrok in een kazerne voor een maand militaire opleiding en dito oefeningen op een naburige bloedhete en stoffige heide. Er resten mij dus gezien de omstandigheden weinig andere herinneringen aan dat seizoen, dat nu toch erg memorabel blijkt te zijn geweest.

Knack-journalist Stijn Tormans bundelde immers een aantal ‘verhalen’ precies over die zomer, al spelen ze zich niet allemaal exact in die periode af en kan hij ze onmogelijk zelf meegemaakt hebben, omdat 1976 nu eenmaal zijn “bouwjaar” (p. 7) was. Maar blijkbaar fascineerde dat specifieke jaargetij hem zodanig dat hij herinneringen van anderen “aan die ene zomer die ze nooit vergeten waren" (p. 7) “jaloers” (p. 8) begon te verzamelen. Het gaat Tormans daarbij niet om het herkauwen van grote historische gebeurtenissen en de rol van beroemde figuren daarin, neen: “Dit boek gaat over vergeten mensen die plots op de grond vielen", voor wie die zomer "a season in hell" dan wel een “zoete herinnering" was geweest (p. 9), en vooral ook over “het vervolg” (p. 10), over wat er daarna met die mensen of hun omgeving gebeurde.

 

Vandaar 'verhalen' over, bijvoorbeeld, een totaal vergeten porno-actrice of een geheimzinnig, voor Tormans uitermate iconisch meisje op een foto uit het Parijs van de jaren vijftig; over een sindsdien onvindbare jas van koning Boudewijn, een oude Oostendse schelpenwinkel die gedoemd is te verdwijnen of de koorddanser die de leegte tussen de Twin Towers bedwong; over een merkwaardige "spijbelende" Vlaamse leraar of een in illo tempore beroemde kerkdief; over de laatste bewoner van het Antwerpse Zeemanshuis of het gruwelijke naspel van een tragische brand, destijds, in een jongensinternaat; over een bejaard echtpaar dat samen uit het leven stapte of een eenzame vluchteling wiens lijk pas na twee jaar in zijn appartementje gevonden werd; en ja, ook over Jimmy Carter, ooit de machtigste man van de wereld, maar hoe die nu zijn dagen slijt in het onooglijke dorpje waar hij geboren is; over volslagen vergeten mensen die in de loop der jaren vermorzeld werden onder het gewicht van hun eigen wanhopig gecultiveerde dromen (zie 'Mister Dollar' of Frans Lamoen, 'de eerste komiek van België') of tragische collectieve nachtmerries (zie de inwoners van Loksbergen, van Wetteren of van 'Vergeten straat, bis').

Kortom: “... allemaal archetypes van een wereld die op het punt staat te verdwijnen. Of al lang verdwenen is. Het Vlaanderen van de houten chambrettes en de sekscinema's, van de kruiers en de kerkdieven." (p. 10) En dus meteen ook: “In alle verhalen van dit boek gaat iets of iemand dood." (p. 10)

 

In zijn vorige, eerste bundeling verhalen [1] focuste Tormans hoofdzakelijk op schrijnende voorbeelden van (bewust of onbewust) weggemoffeld of vergeten sociaal onrecht of op de tragische gevolgen van politieke en administratieve absurditeiten, nagenoeg altijd puttend uit de directe actualiteit. Dat boek was dus veeleer combattief, gispend, lakend of scherp ironisch van toon. Ook nu schreef Tormans "soms uit verontwaardiging", koos hij "schaamteloos partij" en wilde hij in vergetelheid monddood gemaakte mensen "munitie geven", een "stem", maar deze keer dan wel expliciet een "postume stem" (p. 10). Het verhaal 'De mummie van het Kiel' is daar een uitstekend voorbeeld van. Het werd dus zeker geen lofzang op een door de auteur geïdealiseerde of verdroomde époque, want niets "is zo irritant als misplaatste nostalgie", zo lezen we in de inleiding (p. 10).


Foto © Koen Broos

En toch barsten al deze 'verhalen' van een aandoenlijke soort nostalgie, tenminste als we uit de etymologische verklaring van dat woord vooral begrippen als 'zwaarmoedigheid' en 'pijn' onthouden. Het gaat bij Tormans dus niet zozeer om het klassieke 'heimwee' als wel om in zachte melancholie gedrenkt mededogen met zovelen die (zo veel dat) al geruisloos verdwenen zijn (is) tussen de plooien van de geschiedenis, of die op het punt staan daarin weg te deemsteren, en wel na de alleen op het eerste gezicht fantastische zomer van 1976 "waarin iedereen jong en naakt was", waarin "alles kon, in kleur dan nog en de hitte nooit meer weg leek te gaan" (p. 7).

 

Op die manier ontpopt Tormans zich tot een in het recente verleden rondstruinende, lichtjes verbijsterde archeoloog die met zijn meesterlijke, gravende pen het verdriet noteert, de vergetelheid bezweert en de herinnering fixeert. Tot de allermooiste verhalen behoren het 'relaas' van zijn ontmoeting met de ondertussen 102-jarige fotografe Ata Kandó en haar erg bewogen leven (p. 244-254) en het stuk over Vali Myers, “l'enfant du feu” van de Rive Gauche (p. 12-23). Van een gelukkige fixatie van 'herinneringen' gesproken. Tormans' eerste boek had als titel Verhalen en reportages, en dat laatste label lijkt een bijna evidente genre-aanduiding voor een journalistieke publicatie. Zijn tweede boek voert nu echter, als ondertitel, alleen nog Verhalen, wat zou kunnen leiden tot eenzijdige, ongenuanceerde associaties met 'literaire fictie' of aanverwante concepten. Het moge duidelijk zijn dat dit boek niets vandoen heeft met gefingeerde vertellingen, integendeel.

 

In het Middelnederlands betekent het werkwoord 'verhalen' trouwens gewoon 'nazeggen, verslag doen, meedelen', terwijl 'verhaal' of 'relaas, weergave' pas in de 17de eeuw de nuancering 'al dan niet verzonnen' toegevoegd krijgt. Ik heb echter wel het gevoel dat die ondertitel 'verhalen' literaire intenties verraadt of affiniteit met 'dé' literatuur ambieert – en in dat laatste opzet is Tormans beslist geslaagd. Hij hanteert niet alleen een stilistisch heldere, erg gevarieerde en rijke pen, ook het boek als geheel is mooi, min of meer cyclisch, gestructureerd: 'Een jongen uit 1976' (over de ontstaansgeschiedenis en de bedoelingen van de bundel) als opening, en 'Een meisje van 102' als afsluiter van de verhalen-als-zodanig (over Ata Kandó, die bovendien jaren geleden de foto van Vali Myers ontwikkelde, precies het iconische meisje dat ook de kaft van het boek siert en dat je zou kunnen beschouwen als de voedingsbodem, de muze van al deze verhalen). Tot slot volgt dan nog het kapittel 'Sara,' een beheerst-emotioneel envoi gericht aan Sara Lownds, de eerste vrouw van Bob Dylan, waarin Tormans weer aanknoopt bij zijn eigen hedendaagse geschiedenis en uit de vergelijking van de twee époques – de zijne en die van '1976' – bepaalde conclusies trekt.

 

In de nalatenschap van één van zijn protagonisten vond Tormans dit citaat van Brel: “Être désespéré, mais avec élégance." Die mentale positionering geldt blijkbaar al evenzeer voor hemzelf. Een meeslepende stijl, een goed overwogen compositie, ontroerende en soms schokkende, uit het reële leven weggeplukte verhalen die zich bovendien dikwijls dicht bij ons eigen bed afspelen: wat wil een lezende mens nog meer? Maar nog afgezien van al dat fraais beschouw ik als Tormans' grootste verdienste het feit dat hij op zo'n empathische manier, maar wars van goedkope sentimentaliteit, aan eenieder zijn of haar eigen geschiedenis, waarde en waardigheid teruggeeft – ook aan de 'onbelangrijksten', ook aan de meest 'onzichtbare' of vergeten figuren uit onze min of meer directe omgeving. En hij doet zulks inderdaad nog maar eens met dat grote, onnozele hart-in-de-wereld van Pantagleize, met de compromisloze integriteit van zijn beroemde collega Kuifje, met de roekeloze hardnekkigheid van Don Quichote [2].

 

In dit egocentrische en vooral hopeloos chronocentrische tijdsgewricht met zijn oeverloos, banaal en volatiel naast-elkaar-gekakel op zogenaamde 'sociale media' (waar uiteindelijk alleen maar heel kleine asociale ikjes gesprokkeld kunnen worden) mag een project als dat van Tormans bestempeld worden als niets minder dan een revolte tegen een nefaste Zeitgeist. Een elegante revolte, wel te verstaan. Zoals dat hoort.

 

Luc PAY

 

📌   Stijn Tormans, De zomer van 1976. Verhalen. [Met foto's van Saskia Vanderstichele], Polis, Antwerpen 2016.

 

[1]   Zie: Stijn Tormans, Verhalen en reportages. Een roadmovie van onze tijd. Meulenhoff | Manteau, Antwerpen 2010. [Mijn bespreking hiervan: 'Kuifje in Antwerpen – en ver daarbuiten' in Mededelingen van het CDR, jg. 8 (10 januari 2011) nr. 169, p. 12-15 of op <mededelingen.over-blog.com>, 26 november 2010 of op deze blog.]

 

 

[In: Mededelingen van het Centrum voor Documentatie en Reëvaluatie

jrg. 13 nr. 277, 14 juli 2016, p. 19-21.]