De Vis is teken (2011)
Frans Berkelmans (°1930), benedictijner monnik van de Sint-Adelbertabdij te Egmond-Binnen (Noord-Holland), is geen onbekende in de poëziekritiek. Hij publiceerde over Gezelle, Nijhoff, Achterberg en vooral Ida Gerhardt, aan wier werk hij de door hem opgestarte Acanthus-reeks wijdde (7 delen), en is mede-redacteur van het Benedictijns Tijdschrift.
Zijn voortreffelijke jongste boek En de vis is teken bestaat uit twee uitvoerige en indringende beschouwingen bij twee Vis-gedichten: ‘Ichtus eis aiei' van Gezelle en 'Aquarium' van Achterberg, of, zoals Berkelmans zijn commentaren zelf omschrijft: "twee visgerechten", "een rijke tafel" (p. 5). Als 'voorgerecht' serveert hij ons "wat luchtiger kleingoed [...] dat als gangmaker kan dienen" (p. 5). Dat "kleingoed" (what's in a name, zeker als die de lading niet dekt?) bestaat uit korte beschouwingen rond gedichten van J.A. dèr Mouw, Ida Gerhardt, Martinus Nijhoff, Willem Jan Otten en Tom van Deel; die hebben alle het thema of motief van de Vis gemeen, "voor het overige berust hun onderling samentreffen voornamelijk op associatieve verbanden" (p. 9).
Reeds in dit voorgerecht valt het op met welk een ongemeen rijke belezenheid en aandachtige omzichtigheid Berkelmans de gedichten benadert. Structurele en soms ver doorgedreven syntactische analyse, lexicaal onderzoek, duiding van metaforen en symbolen tasten de teksten voorzichtig af, waarbij ze nu eens in de context van een hele bundel worden geplaatst, dan weer in die van de biografie van de auteur of van de filosofie (b.v. Kierkegaard), van Bijbelse teksten of christelijke spiritualiteit, of gecontrasteerd worden met gedichten van andere auteurs (zoals b.v. Leopold). Bij het paling-gedicht van Van Deel krijgen we zelfs een beknopte wetenschappelijke uitweiding over de levenscyclus van de aal, die verhelderend werkt voor de twee besproken paling-gedichten (Otten en Van Deel).
Het essay over Gezelles gedicht 'Ichtus eis aiei' verscheen reeds in Gezelliana 14 (1985) maar werd voor deze uitgave hier en daar gecorrigeerd; tevens werd de historische achtergrond (i.v.m. de herontdekking van de Vis-symboliek in de 19de eeuw) uitgebreid. Per strofe krijgen we van dit gedicht een omstandige inhoudelijke analyse, naast een synthetische toelichting over het christelijke Vis-symbool (p. 41). Uitermate boeiend zijn de bladzijden gewijd aan de revival van het ichtus-symbool in de 19de eeuw, meer bepaald na de ontdekking van de epitaaf van Autun en de Aberkios-epigraaf van Frygië, twee vondsten die ook in West-Vlaamse katholieke kringen veel enthousiaste belangstelling wekten en uiteindelijk als inspiratiebron en voedingsbodem fungeerden voor Gezelles prachtgedicht. Met een verbluffend inlevingsvermogen en op geduldige en scherpzinnige wijze analyseert pater Berkelmans de beeldtaal van Gezelle (het zonne- en watersymbool of de mond en de ogen van de vis), waarbij hij interessante zijpaden inslaat naar het werk van Ruusbroec, Sint-Franciscus en Jan Luyken, en zelfs een verband legt met de hoofse minnelyriek.
Nauwgezette grammaticale ontledingen en stijl- of verstechnische analysen ondersteunen de interpretatie van dit symbolische Christusgedicht, waarin ook Gezelles speelsheid – meer dan terecht – niet onbesproken blijft.
Ik beken dat ik met enkele kleine vraagtekens blijf zitten wat betreft de commentaar bij twee passages uit ‘Aquarium': "die het ons voorlopig beletten" (r. 36) en vooral "O vis waarmee het bezig is/ wat ik niet heb" (r. 50- 51), maar vrees dat die blinde vlekken beschouwd kunnen worden als muggenzifterij ten overstaan van de indrukwekkende want consistente en dus overtuigende 'close reading' die pater Berkelmans ons hier 'voorschotelt'. Hij benadert alle gedichten, ondanks de soms vreugdevolle en zelfs geestige implicaties, steeds met bescheiden eruditie en met een zeer intens maar voorzichtig vakmanschap. Meermaals beklemtoont hij de "mogelijkheid" (p. 25) van een bepaald inzicht. Hij bekent ergens: "Ik weifel tussen tweeërlei uitleg" (p. 100) of vraagt zich elders af: "Mogen we erin lezen dat...?" (p. 112). De fundamentele meerduidigheid van de gedichten staat steeds centraal: "De tekst nodigt uit om naar hartelust door te associëren” (p. 101) of, in de slotalinea van het boek: "De werkelijkheid is polyinterpretabel. Ze is raadselachtig en complex. Het gedicht is als het leven zelf." (p. 128). Quod erat demonstrandum.
De traditie zegt ons dat er een Vis bestaat, die Leven geeft. Maar er bestaat ook een literaire kritiek, zoals deze, die poëzie intens doet gloeien van betekenis, van zingeving. Van leven dus.
Luc PAY
📌 FRANS BERKELMANS, En de vis is teken. Beschouwingen bij gedichten van Guido Gezelle en Gerrit Achterberg voorafgegaan door enkele gedichten van Ida Gerhardt en anderen. Nijmegen, Valkhof Pers, 2010, 128 blz.
[In: Gezelliana. Kroniek van de Gezellestudie. Nr. 2009-2010, [Uantwerpen 2011], p. 69-71]



