De andere oever. Hommage aan em. prof. dr. René Felix Lissens (1912-2016) (2016)
De colleges van mijn prof Nederlandse en Europese literatuurgeschiedenis en Moderne Nederlandse auteurs (UFSIA 1970-1972) kon je immers bezwaarlijk gedramatiseerd, theatraal of spectaculair noemen. Prof. Lissens gaf twee college-uren lang rechtop staande, nagenoeg immobiel en steevast strak in het pak aan de microfoon toelichtingen bij zijn lijvige encyclopedische cursussen. Wellicht onbegrijpelijk voor hedendaagse studenten, wier aandacht gemasseerd moet worden met dynamisch-swingende docent-performances en multimediale overkill, maar Lissens' colleges waren destijds zonder meer boeiend ook zonder al die amusante audiovisuele humbug, getuige mijn vaak paginalange, met de hand geschreven notities bij zijn colleges die ik nog steeds af en toe raadpleeg.
En ja, hij was ondanks zijn op het eerste gezicht strenge uiterlijk een minzaam man, al was direct of veelvuldig contact met welke prof dan ook destijds verre van gebruikelijk onder de studenten; als we hem al eens ontmoetten op weg naar of van de aula, dan nam hij vaak zijn hoed af bij wijze van begroeting of afscheid. Ook tijdens examens was hij minzaam en geduldig, waarbij hij soms monkelend en ironisch uit de hoek kon komen als je op een verkeerd spoor zat, of zelfs... persoonlijk gekwetst en verontwaardigd, zoals toen ik hem zelfgenoegzaam bekende dat ik geen al te hoge dunk had van de levensfilosofie in Maurice Roelants' Komen en Gaan. Hij laakte toen, zeer terecht, de jeugdige voortvarendheid en de misplaatste intellectuele pretentie van de snotneus die ik was en gaf me lik op stuk met een korte maar felle les in levenswijsheid. Maar bovendien belette deze aanvaring hem niet om mij uiteindelijk in alle grootmoedigheid en onwankelbare rechtvaardigheid een erg billijk cijfer te geven.
Ook later kon ik onverminderd blijven rekenen niet alleen op zijn belangstelling maar ook op zijn actieve, stimulerende hulp. Zo bezorgde hij mij op het einde van mijn kandidaturen een vakantiejob op het Centrum voor Gezellestudie onder leiding van dr. J. Boets (dat was werk in het kader van de voorbereiding van de uitgaven van Gezelles verzameld dichtwerk, waarbij ik o.m. handschriften van Gezelle mocht inkijken). Hij introduceerde mij bij de redacties van Dietsche Warande & Belfort en de Grote Winkler Prins Encyclopedie en reageerde steeds op brieven of bijdragen die ik hem toezond.
Helaas kon ik niet aanwezig zijn op zijn emeritaat in december 1982, maar ik kreeg wel de kans om hem af en toe bij een of andere gelegenheid te groeten, zoals tijdens een memorabel symposium rond 'Dien avond en die rooze' te Kortrijk (in 1974, dacht ik) dat hij had georganiseerd en waar hij als gastheer fungeerde; hij bleef ook vele jaren daarna altijd even hartelijk en nieuwsgierig.
Wat prof. Lissens voor de Vlaamse literatuur én voor de literaire historiografie betekend heeft, kan men nalezen in de laudatio van prof. Piet Couttenier ter gelegenheid van Lissens' honderdste verjaardag (Verslagen en Mededelingen van de KANTL, vol. 122 nr. 3, 2012 – ook online te raadplegen). Het feit dat prof. Lissens Ivo Michiels in zijn aula uitnodigde voor toelichtingen bij Het boek Alfa (zie Mededelingen, jrg. 10, nr. 200) en het feit dat hij een debat organiseerde aan de UFSIA met enkele Antwerpse dichters (6 mei 1974) spreken, nu ja: eveneens ‘boekdelen’. In ieder geval stond en staat professor Lissens' De Vlaamse letterkunde van 1780 tot heden, tot vandaag, permanent in mijn gezichtsveld en binnen handbereik, net zoals trouwens een kopie van zijn artikel 'Een herschrijver op hol, en wat bedenkinkjes omtrent rewriting' (in Dietsche Warande en Belfort, jrg. 122 nr. 2, februari 1977, p. 115-125), waarin hij op uiterst vinnige wijze bepaalde bitsige uitspraken van Jeroen Brouwers omtrent de 'vervalste' Vlaamse letterkunde van repliek diende.
“Onze jeugd en de zee, we denken dat ze oneindig zijn, omdat we de andere oever niet zien” is een quote van hem die je via het internet terugvindt, helaas zonder bronvermelding. Zijn overvaart was niet oneindig maar was hem wel ruim toegemeten, en mogelijk was zijn mentale jeugdigheid dat ook: hij werd 104.
Ik koester aan deze grote man en wijze mentor de beste en dierbaarste herinneringen.
Adieu, goede, wijze professor Lissens.
Luc PAY
[In: Mededelingen van het CDR, jrg. 13 nr. 272, 28 april 2016, p. 2-4.]