David verkeerd (1987)

In zijn inleiding bij een bundel homo-erotische prozafragmenten (1) stelt Seymour Kleinberg dat 'een geschiedenis', een 'collectief verleden' van de homoseksuelen niet alleen niet bestaat, maar zelfs dat 'the past is filled with contradictory testimony and homophobic authority'. Maar, gaat hij verder, if history is reluctant to speak, literature is not.'

Inderdaad, sinds de 19de eeuw heeft de Eros, in al zijn facetten, (opnieuw) zijn plaats opgeëist in de westerse letteren, al gebeurde dat tot voor kort nog vaak binnen strikt besloten kringen (privé-edities, beperkte oplagen), onder pseudoniem (Du Perron b.v., die in 1925 als W.C. Kloot van Neukema een bundel priapeeën zou hebben gepubliceerd 'tot opwekking van den bond van Slaphangers') of gelardeerd met een flinke dosis schuld of schaamtegevoel, zeker waar het de marginalia van het algemeen aanvaarde seksuele ethos betreft. Na W.O. II zijn een aantal seksuele subculturen zich steeds openlijker en erg zelfverzekerd gaan manifesteren, ook binnen het kader van de Nederlandse literatuur. De 'gay sien' is daar een uitstekend voorbeeld van. Ik vermeld hier, zonder enige ambitie tot volledigheid, onder meer Adriaan Venema's Homoseksualiteit in de Nederlandse literatuur (1972), een nogal lukraak in elkaar getimmerd repertorium dat moeilijk te hanteren valt en bovendien veel wishful thinking bevat; een soortgelijke inventaris is De leeslijst. Boeken over mannen en homoseksualiteit (De Woelrat, 19873), al behoren de ongeveer duizend titels uit het Nederlandse, Franse en Engelse taalgebied, die thematisch gerangschikt en kort beschreven worden, hier niet uitsluitend tot het literaire domein (ook reisgidsen, strips en voorlichtingswerken bv. komen aan bod).

 

In eerste instantie is er uiteraard het werk zelf van auteurs als Blaman, Burnier, Van het Reve, Lodeizen, Van Hattum, Warren, Venema, Membrecht, Komrij of Büch, en de homo-bloemlezingen van Ron Mooser, Het huis dat vriendschap heet en van Hans Hafkamp, Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen (1979). Ik vermeld graag apart de schitterende roman Voor een verloren soldaat (1986) van Rudi van Dantzig, van wie ook een verhaal is opgenomen in de zopas verschenen gay verhalenbundel Hoeveel vrienden heb ik gevonden (Hans Hafkamp [samenst.], De Woelrat, 1987).

 

Zo te zien heeft Vlaanderen lange tijd niet hoeven ‘af te rekenen’ met het 'homo-probleem', tot er enkele sterk geprofileerde spelbrekers op het toneel verschenen: Alex Rosseels (onlangs overleden) of Dirk van Babylon (die met zijn belachelijke maskerades uiteindelijk toch de publiciteit heeft gekregen waar hij stiekem op hoopte). Ook André Janssens verwerkt het homo-thema in 'De erfenis', een verhaal uit zijn bundel De Wekker (1985). Tussen haakjes: zelfs nóg marginalere thema's worden niet langer geschuwd: pedofilie in het werk van A.M. Dhondt (die ooit nog Vlaming' is geweest); masturbatie in dat van A. Korteweg en K. Ouwens, in een reeks prachtige gedichten van Charles Ducal (Nieuw Wereldtijdschrift, sep. 1985) of in de romans Nachtspel (1985) van Bob van Laerhoven en Eros en de eenzame man (1980) van L.P. Boon, die dit thema overigens koppelt aan exhibitionisme; transseksualiteit ten slotte staat centraal in de roman De ontdekkingsreis van Johan van Nijen die ik in deze kolommen apart zal behandelen.

 

Bij dit alles kan men zich de vraag stellen wat een begrip als 'homo-literatuur' nu eigenlijk betekent. Geldt het alleen boeken van homofiele auteurs, of ook werk van zgn. 'straight people' die de homoseksualiteit (soms erg terloops) aanraken? Wordt het begrip louter thematisch-inhoudelijk gehanteerd, of zitten er ook stilistische, technische of structurele implikaties aan vast, zodat je van een echt genre kan spreken? Valt uit deze literatuur een typisch en coherent mens- en wereldbeeld te destilleren? Hoe heeft het homo-thema zich in de loop van de literaire historie ontwikkeld, welke thematische of formele constanten en verschuivingen kan je releveren uit een traditie die ongetwijfeld zo oud is als de literatuur zélf? Er bestaan uiteraard deelstudies of aanzetten tot ruimere syntheses: ‘Homofilie en eerste seksualiteit in de jeugdliteratuur’ (Refleks, jrg. 1983, nr. 4) door Jan van Vaerenbergh bijvoorbeeld, of de reeds genoemde 'Introduction' van Kleinberg.

 

De auteur van de homo-poëziebloemlezing David heeft ook een achterkant heet Mark Thornton, wat een pseudoniem is voor een collectief, nl. “de werkgroep homo-erotische poëzie die op het Instituut voor Algemene Literatuurwetenschap van de Universiteit van Amsterdam tijdens het academisch [sic] jaar 1984-1985” het boek samenstelde. Tot deze groep behoorden, naast een tiental anderen, de reeds genoemde Hans Hafkamp en Ron Mooser, en Jim Holmes. Welke waren de criteria voor opname? Het gaat hier om ongepubliceerd, hedendaags Nederlands (staatkundig, niet linguïstisch) materiaal, waarbij de gedichten primo een plaats moeten hebben “binnen een bestaande homo-erotische poëzietraditie” (dit betekent: afwijken van die traditie) en secundo, thematisch een weergave moeten vormen van “diverse aspecten van de homoseksuele cultuur” (blz. 6). De samenstellers beklemtonen zélf dat het niet gaat om 'candlelight poëzie' en dat de geselecteerden hun geschrijf ernstig opvatten; dat blijkt immers, aldus Mark Thornton, uit het feit dat het ‘dichten als thema' (blz. 5) vaak voorkomt en uit het feit dat “verschillende [sic] auteurs blijk geven van aandacht voor de versvorm” (blz. 5). Helaas bieden beide vaststellingen niet ipso facto enige garantie voor kwaliteit.

 

Wat levert dit theoretische kader concreet op? Een overgrote meerderheid aan gedichten in een uiterst concrete, alledaagse parlando-stijl, vaak echter zonder enige poëtische spanning, ontroering of zin voor taalspel (laat staan virtuositeit), op een aantal jannige pointes na die er vermoedelijk niet in zullen slagen zelfs een breder publiek te shockeren. Ik verwijs in dit verband naar het gedicht 'A kind of poetic' (Diogenes IV, 1, 78) waarin Jim Holmes het verdoezelen en versluieren door 'versifying faggots' aanklaagt; dat de 'clarity', waar hij om schreeuwt, noodzakelijk goede poëzie zou opleveren, lijkt me echter niet evident. Helderheid genoeg immers in deze David, hoewel in het slechtste geval alleen de versificatie, de obligate dreun of de nadrukkelijke rijmeffecten herinneren aan het genre ‘dichtkunst’ waarvan het hele gamma verschijningsvormen aan bod komt: van sonnet tot concrete poëzie. Ik bedoel met dit alles vooral de SM-gedichten (waartussen zelfs één klein uro-echootje) die niet alleen op een agressieve toon de lof zingen van de fysieke macht, vernedering en onderwerping (zonder enige relativering, humor of speelsheid, en dan hoeft het voor mij echt niet, ik kan het ook niet helpen) maar op de koop toe clichés bevatten die zo weggeplukt zijn uit goedkope porno. “Drifttrillende lustdolken” of “je jongenstrots” kan je zelfs nog nauwelijks camp noemen, al bevat deze bloemlezing wel wat gedichten die aardig dicht in de buurt komen van de echte Camp (zie Susan Sontags ‘Notities over camp’ in haar essaybundel Tegen interpretatie).

Naast deze SM-gedichten, “de eerste gepubliceerde poëtische weerslag” (blz. 7) van de leather-sien in de Nederlandse taal, zijn er ook voorbeelden te vinden van 'dirty verse' en van gedichten die de pedofilie (eentje) en de knapenliefde bezingen, of die de topoi 'Griekenland' en 'jeugdige schoonheid' – zo typisch voor het homo-milieu – in ere houden.

De tien jaar oude inleiding van Kleinberg lijkt echter op sommige punten wel wat verouderd. Zijn stelling dat 'the subject [homoseksualiteit] seems not to lend itself easily to comedy, however much the life lends itself the sense of the absurd' wordt tegengesproken door de als grap of zelf- spot bedoelde verzen in deze anthologie, hoewel die anderzijds toch niet zo talrijk zijn. Ten slotte staan in vele de gedichten de vluchtigheid en anonimiteit van de contacten centraal; dat verschijnsel wordt meestal op een merkwaardig nuchtere wijze geconstateerd, dus zonder zelfbeklag of uitdrukkelijke emoties, hooguit in een sfeer van melancholische dromerigheid. Binnen deze groep gedichten valt het betere werk te zoeken: 'Ik geef het toe' (blz. 17) waarin de poëzie zelf tot thema wordt; 'De maan schijnt door het venster' (blz. 19, maar die melo titel...); '9' (blz. 26); 'Sterven' (blz. 49, waarin het motief van de dood opduikt).

Afzonderlijke vermelding verdient mijns inziens het gedicht 'Monsieur Blasson' (blz. 21): een ik-persona vertelt er over zijn liefde voor een oudere man; het heeft 'iets' ondanks de evidente kitsch- en campingrediënten.

 

Al bij al blijft deze bundeling meer een document dan een literaire gebeurtenis: soms plezierig, soms heel direct op een manier die grenst aan louter opschepperige vulgariteit, soms bekoorlijk en ontroerend. Grappig is wel het feit dat de gevleugelde woorden van imperator Titus ('diem perdidi') in kapitalen als 'Dies perdidi' bovenaan een gedicht gebeiteld werden; ‘dies’ kan eventueel als acc. mv. bedoeld zijn; in dat geval ontgaat Het Schrijnende mij geenszins. En al even grappig is het feit dat Michelangelo's David, die twee maal op het stofomslag staat afgebeeld, frontaal én dorsaal (die achterkant, weet u wel) als volgt tot titel wordt van een gedicht, óók in kapitalen: 'Bargello / David van Michelangelo' (blz. 57). Nu ken ik in Firenze drie plaatsen waar je dit majestueuze en van schoonheid zinderende beeld kan bewonderen, maar daar is het Bargello net niet bij, tenzij men ondertussen ook dààr een kopie zou hebben neergeplant.

 

Ach, in de nabijheid van het 'moment suprême' is dit alles wellicht niet zo belangrijk. Hoewel: door altijd alleen tegen achterkanten aan te kijken raak je makkelijk de weg kwijt. Zowel in Firenze als in de poëzie.

 

Luc Pay

 

📌 Mark Thornton [samenst. en inl.]: David heeft ook een achterkant. Nieuwe Nederlandse            homo-erotische poëzie. Corydon/De Woelrat, Amsterdam, 63 blz.

 

(1) Seymour Kleinberg [ed. and intr.]: The other persuasion. The homosexual theme in the             fiction of [...]. Pan Books (Picador), London, 1978, 348 blz. 


[In: Diogenes, jrg. 4 nr. 3, 1987, 265-268]