Albert Van Hoogenbemt: "Winst en Verlies" (2014?)


De mens ontdekt zich en leert zich kennen in de boeken van schrijvers, die klaarder zien dan hij.

(De weg van de walg)


Ik heb naar iets gestreefd dat te ver lag om te bereiken, en zoo ben ik uwe liefde voorbij gegaan...

(De stille man)

 

 


Tijdens de jaren dertig en veertig van de 20ste eeuw komt in Vlaanderen een generatie romanschrijvers aan het woord die, na het ‘geweld’ van het expressionisme, nieuwe wegen inslaat. In zeer ruime zin gaat het om schrijvers van introspectieve werken “in het teken van het persoonlijkheidsideaal” (R. F. Lissens), om auteurs die de mens op psychologisch, sociaal, filosofisch en/of ethisch vlak aan een grondig onderzoek onderwerpen: "het hoofdonderwerp van de nieuwe roman is […] de ‘Mens’ geworden” (M. Dupuis). 

Zij vertonen echter een zeer grote diversiteit zowel in de thematiek als in taal en stijl – denk aan b.v. Walschap, Gijsen, Brulez, Roelants, Lebeau, Elsschot, Zielens, Gilliams of De Pillecyn, of aan iets jongere schrijvers als Van Aken, Boon, Daisne of Lampo: de pendel slingert tussen een soms extatisch vitalisme en een berustende of cynische aanvaarding van het tekort, met alle denkbare schakeringen tussen beide. Deze filosofisch-ethische onderstroom zal trouwens ook na WO2 nog een hele tijd blijven doorwerken, b.v. in het (deels) existentialistisch georiënteerde Tijd en Mens. Naast de 'jongeren' die ik hoger noemde, vermeld ik in dit verband héél graag b.v. dat schitterende en op stilistisch vlak nog steeds absoluut puntgave meesterwerk De ogenbank (1953) van Ivo Michiels of het intrigerende literaire werk van Frank Liedel.

 

Op deze voedingsbodem gedijt ook het proza – veelal geëngageerde probleemromans – van Albert Van Hoogenbemt (1900-1964), zoon van een Mechelse vishandelaar, o.m. later hoofdinspecteur van de openbare bibliotheken; hij was secretaris van de Vereeniging voor Letterkundigen (tot 1945) en mede-oprichter en redacteur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (1946-1964).

 

Van Hoogenbemt debuteerde met poëzie en lyrisch proza in de jaren 20, schreef (al vroeg) essays over beeldende kunsten en was korte tijd actief als journalist. Voor zijn allereerste roman, De stille man (1938), kreeg hij de Staatsprijs voor verhalend proza: een inderdaad indrukwekkende, diep ontroerende en knap geschreven psychologische roman, waarin een man van middelbare leeftijd geconfronteerd wordt met onthullingen over zijn overleden vader en ten slotte tot deze conclusie komt: "Het geheimste van iemand anders leven kennen we nooit. Kennen we dat van ons zelf wel? De mensch is zoo een zonderling wezen!" (1942, 4de dr., p. 298). Dit boek werd ook terecht geprezen om zijn verhaaltechnische kwaliteiten.


Daarnaast ken ik van Van Hoogenbemt nog de voor die tijd erg vrijmoedige roman Twee jonge menschen (1941), een Bildungsroman waarin een passionele liefdesrelatie om opportunistische redenen door het geliefde "pensionaatmeisje" op pijnlijke wijze afgebroken wordt, zodat de hoofdfiguur in de laatste regels tot het besef komt "dat hij zijn jeugd voorgoed had verloren" (1941, p. 168) – en De weg van de walg en andere verhalen (Heideland 1966), een bundeling van soms schrijnende, soms alweer erg vrijmoedige verhalen waaruit ook overduidelijk Van Hoogenbemts sociale bekommernis blijkt. H.-F. Jespers maakte mij onlangs echter ook attent op de diptiek Winst en Verlies (1946), twee novellen rond het gewapende respectievelijk economische verzet tijdens WO2.



'Meinacht', de eerste novelle, vertelt het verhaal van de jonge Bert, die samen met enkele kompanen actief is in de weerstand. Op indringende wijze beschrijft Van Hoogenbemt de permanente maar onzichtbare dreiging rond deze jongemannen, hun angsten, twijfels en de wrede dilemma's waar ze mee geconfronteerd worden. Afgezien van soms spannende passages en een aandoenlijke, poëtisch hooggestemde episode rond de dood van een zestienjarige makker, problematiseert deze novelle de vraag naar de zin van idealen en waarden, die in de context van oorlog en verzet zo absoluut zijn dat zelfs het eigen leven ervoor op het spel wordt gezet.

Voor de jongeman die alleen "teederheid was (...) en bekommering om het lot der anderen" (p. 25) wordt de ontnuchtering na de oorlog echter zo verpletterend dat hij begrijpt "dat de doode kameraden het gelukkigst waren" (p. 30). Zowel de herinnering aan de bezettingsjaren (de angst en lafheid van de bevolking, of de regelrechte collaboratie – het opportunisme van de boeren, de clerus en de ondernemers worden scherp gehekeld) als het schijnheilige triomfalisme nà de bevrijding doen bij Bert de utopische droom van een betere toekomst kantelen in walg: "Is het daarvoor geweest?" (p. 13). Hij komt tot het verschrikkelijke, pijnlijke inzicht dat men altijd twee dingen gescheiden moet houden: "... de leer en het leven. De leer was schoon, maar men moest het zich in het leven toch niet al te moeilijk maken. (...) Iedereen geloofde in iets, maar dit geloof in daden omzetten, o nee!" (p. 29). Na de oorlog verlangt hij naar zijn "nieuwe taak, maar zij was er niet en hij zag ze niet", omdat de tijd van het eigenbelang teruggekeerd is (p. 31).

Maar dan keert plots zijn bezielende voorbeeld en onvermoeibare strijdmakker Fred terug uit een concentratiekamp. Ondanks alles – of juister: precies wégens de doorstane verschrikkingen in het KZ leeft in deze vriend de utopische droom ongeschonden én onblusbaar verder. Fred kan Bert ervan overtuigen dat hun radicale engagement zinvol en noodzakelijk was terwille van de (eigen) menselijke waardigheid en morele zuiverheid. Opnieuw komt in Bert tot leven "een geweldig visioen. Een nieuwe, schoone, zuivere wereld van menschen zag hij." (p. 39) De novelle eindigt met de 'Winst' uit de titel van het boek, namelijk met deze van hoop en mededogen trillende aansporing van Fred: "Bert, zei hij, niet meer wreken. Alleen de toekomst..." (p. 40).

 

In tegenstelling tot 'Meinacht' is 'Het commercieel testament' een bitter, erg cynisch verhaal over een succesvolle ondernemer (wever) die bij het begin van de oorlog weigert verder te werken onder het toezicht van de Duitse bezetter. Gevolg: zijn fabriek wordt ontmanteld en de machines worden bij een collega-concurrent ondergebracht.

Na de bevrijding denkt de personele verteller echter als volgt terug aan die harde maar 'zuivere' tijd: "Hij had aardappels geplant, groenten gewonnen en schapen geteeld. (...) Hij had geleefd in de rust van de natuur en ver van alle gekonkel en smerigheid, en het geloof, vooral het geloof in de rechtvaardigheid had hem rechtgehouden." (p. 48) Hier duikt dus opnieuw het motief van die morele rechtlijnigheid en zuiverheid op, waar in dit verhaal echter een zeer zware prijs voor betaald wordt.

De collega's die wél economisch collaboreerden blijken na de oorlog immers materieel in uitstekende conditie, ze nemen zelfs schaamteloos de teugels van de economische heropbouw in handen. De hoofdfiguur daarentegen slaagt er niet eens in om restitutie te krijgen van zijn gestolen machinepark en wordt zelfs een proces aangedaan wegens eerroof. Bij Belgische instanties noch bij een officier van de Civil Affairs (een bureau dat de verbinding tussen het bevrijdingsleger en de civiele instanties behartigde) krijgt hij gehoor. Sterker nog: zijn keuze tijdens de bezetting wordt door die officier zélf in vraag gesteld: "Die raadgevingen [nl. oproepen via de Engelse radio tijdens de bezetting om geen handel te drijven met de bezetter en sabotage te plegen] hadt ge niet al te zeer naar de letter moeten nemen."

In zijn eigen directe omgeving ondervindt hij slechts spot en blaam voor zijn houding tijdens de oorlog: "Hij las het duidelijk op elk gelaat: daar is de dommerik. Het was net of hij was de beschuldigde. En wat vreemd is, hij ging zich haast onbehaaglijk voelen, als een booswicht." (p. 51) Zelfs zijn eigen vrouw verwijt hem hun armoede als gevolg van zijn beslissing tot verzet: "Léonard, nous avons été de fiers imbéciles." (p. 45), slingert ze hem toe. Aanvankelijk probeert Léonard het regelrechte misprijzen van zijn echtgenote nog te weerleggen met: "Neen Marie, er is nog altijd het geweten" (p. 46) of met: "Maar dat geld, dat geld. Er is toch nog wat anders, de waardigheid van den mensch, de sociale rechtvaardigheid" (p. 61-62), maar de muur van onbegrip blijft overeind.

Zwijgzaam en verbitterd trekt hij zich terug in zijn eenzame werkkamer, waar hij een 'commercieel testament' schrijft voor zijn zoon en eventuele latere kleinkinderen. Daarin komt hij tot dit vernietigende morele inzicht: "Wat is goed en kwaad? Dat schijnen betrekkelijke begrippen te zijn. Het is kwestie van meerderheid. Als de grote meerderheid deugnieten zijn, dan is het zelfs niet noodig de ondeugd tot deugd te kronen." (p. 51) Nog harder klinkt het in dit testament: "De verliezers zijn de moreel-gaven, de droomers, de dommen, want de mensch blijft voor den mensch een wolf." (p. 77) Op het persoonlijke vlak noteert hij, over zijn vrouw: "Ik ben voor haar nog slechts ... drek." (p. 75). Kortom: 'Verlies', het tweede woord uit de titel, over de hele lijn...

 

Een erg scherpe, totaal illusieloze novelle dus over schijnheiligheid, corruptie en collaboratie, over schaamteloos eigenbelang en opportunisme, maar ook, en wellicht het allerergste: over de absolute omkeerbaarheid of inruilbaarheid – en dus waardeloosheid – van idealen en waarden. Van Hoogenbemt haalt in dit tweede verhaal dan ook meermaals zeer fel uit naar de industriëlen, de Kerk, de (katholieke) pers, het gerecht en de politiek, die blijkbaar allemaal Léonard, 'dat onnozel hart in de wereld', de rug toekeren.

 

Ik betwijfel, helaas, of er nog veel belangstelling bestaat voor dit soort literatuur, met haar vraag naar de zin van een compromisloos idealisme en de verscheurende (onoplosbare?) keuzen waarmee ze de lezer confronteert. Voor velen betekenen de oorlog en zijn nasleep trouwens zelfs niet eens meer een vage herinnering. Anderzijds twijfel ik er geen seconde aan dat de novelle 'Meinacht', o.m. door de vrij evenwichtige verdeling van epische én beschouwende passages, een tegelijk spannende én waardevolle (want verontrustende) film kan opleveren.

 

Bovendien is Van Hoogenbemt een moralist pur sang, wat in ons tijdsgewricht ook al niet erg de bon ton lijkt te zijn. Dat moralisme – in de zin van 'aantonend' of 'beschouwend' – moge al blijken uit de voorwoorden die hij schreef voor zowel de roman Twee jonge menschen (gericht aan zijn twee zonen) als voor de hier besproken novelle 'Het commercieel testament' (waarin hij de weigering van "een tijdschrift" om zijn verhaal te publiceren "uit angst voor rechtsvervolging", droog noteert en tot slot bitter opmerkt: "Laat nogmaals een oorlog komen en men zal zien hoe dit land als een kaartenhuisje in mekaar stort.")

Moralist, ja, maar dan eentje van de goede soort: niet belerend of prekend maar diep analyserend en nuchter vaststellend, wat bij de lezer tot een soms pijnlijke confrontatie en herkenning leidt. Maar hij geeft ook blijk van veel begrip voor al dat menselijke falen, van aanvaarding van het leven zoals het nu eenmaal altijd onafwendbaar is, van helend mededogen. 'Het commercieel testament' vormt hierop een uitzondering – misschien de enige?

 

Voorafgaand aan een bespreking van Van Hoogenbemts roman Vertrouwen in Ree noteerde Louis Paul Boon: "[Ik heb] in Van Hoogenbemt geloofd, want hij meende het eerlijk en trachtte het ook eerlijk in zijn boeken te vertolken." Voor zover ik ze kan en mag beoordelen, sluit ik me graag van harte aan bij deze stelling.

Volgens Emiel Willekens was het er Van Hoogenbemt in Winst en Verlies, maar ook in latere werken, om te doen "het essentiële te beveiligen en meteen het eigen gemoed door zoveel verbittering en teleurstelling heen ongeschonden te houden." Dat geldt niet direct, denk ik, voor 'Het commercieel testament', daarvoor was de ontmoediging blijkbaar te groot, maar a fortiori wél voor 'Meinacht' en het andere prozawerk van Van Hoogenbemt dat ik ken: beklijvende, uiteindelijk tedere verhalen die ik met veel eerbied blijf koesteren.


Luc PAY

 

Albert Van Hoogenbemt, Winst en Verlies (Antwerpen, Ontwikkeling, 1946). 


L.P. Boon, Geniaal... maar met te korte beentjes. Essays en polemieken, Amsterdam 1969, p. 92 e.v.


M. Dupuis, 'De vernieuwing van de romankunst 1913-1941', in M. Rutten & J. Weisgerber, Van "Arm Vlaanderen" tot "De voorstad groeit" 1888-1946. De opbloei van de Vlaamse literatuur van Teirlinck-Stijns tot L.P. Boon, Antwerpen 1988, p. 441 e.v.


R. F. Lissens, De Vlaamse letterkunde van 1780 tot heden. Brussel/Amsterdam 1967, p. 212 e.v.

 

Emiel Willekens, Sociale tendensen in de Vlaamse literatuur 1885-1914, Antwerpen 1967 (?) – via <www.marxists.org>, z.p.



[In: Gierik & NVT, jrg. 31, lentenummer 122, 2014?]